B - b

B.
Ba’ znw. zie Bája.
Baädè bijv. nw. in overvloed, bij de vleet. A de baüde het is er in overvloed.
Baäna znw. bananne.(Arr. Práttana.). Baäna-bom´ bananne-plan. (Musa paradisiaca.) Baäna-wátra melk, vocht of sap der bananne, hetwel; vlekken geeft. Baäna-boéba bananne-schillen. Baäna-tíki die steel waaraan de trots banannen groeit. Mán-baäna banannen, welke afzonderlijk, en niet hoopsgewijze, of bij zoogenaamde handen aan den steel groeijen. Baäna-békki banannebek, een vogel van dien naam (Oriolus Xan-thornus). (Arr.Boekoeróri.)
Babá ww. kwijlen, als de zuigelingen doen; znw. kwijl. Hem mófo de lon babà hij kwijlt, hij watertandt.
2)
Babáu znw. iemand, die onnozel is, zonder juist krankzinnig te zijn; idioot. Joe de loékoe mi léki babáu gij ziet mij aan als simpel, alsof gij niet wijs waart.
Babóen znw. baviaan, brul-aap ycetes seniculus). (Arr. Itoeli. Eng. baboon.). Babóen-hákka soort van havik of roofvogel van dien naam. Baboén-néfi eene plant uit de orde der Cyperaceën, met lange, snydende bladeren. (Scleria flagellum nigrorum Bergius.) Baboéntri boomsoort, welke als timmerhout gebruikt wordt. (Mysistica fatua.) Baboén-noto een rankgewas, dat eene eetbare noot voortbrengt, uit de orde der Eurhorbiaceën. Omphalea diandra Aub.)
Bai ww. koopen. (Eng. to buy.). Bai boen na wan soéma bij iemand een plasdankje verdienen. Joe bai wísi, joe moe bai kóni toe (sprw.), koopt gij vergift, dan moet gij er de kennis, om er mede om te gaan, ook bij koopen.
Bája znw. (verkort Ba'), vriend, maat, vrijer. Ba' titel van een jongen slaaf. Ba' Kodjò vriend Kodjó. Tangi-tangì, baja, jerépi mi ik bid u, vriend lief, help mij. Ai, ba! Joe man! Nu, maat! gij zijt bij de hand.
Bakà voegw. zie Bikasi, bikà.
Bákjáu, (batjáu) znw. bakkeljaauw,Amerikaansche gedroogde visch. Etym.: Port. .
Bákka znw. rug, lenden.(Eng. Back.). Bákka-hàtti rug- of lendepijp, rheumatisme. Bákka-tiéngi de stuit. Broko-bakka naam eener plant uit de orde der Compositeën. Bákka-bon ruggegraat. A sidón gi hem bákka na sei plánga hij (zij) zit met den rug naar den wand gekeerd. Wákka na wan sóema bákka iemand volgen, achterna loopen.
Bákka voorz. achter. Na bákka dóro achter de deur. Wan moen na bákkà Jári eene maand na Nieuwjaar. No tan na bàkka blijf niet achter. bákka-wan de achterste, de laatste. Bákka pikién het jongste kind. Bákka-séi achterzijde, keerzijde, achterplaats. Bákka-dína namiddag. Bàkka-bréki na den morgenmaaltijd. Bákka-taki laster, achterklap. Na bàkka-tem' naderhand. Kabà na mi bákka laat mij met vrede. Go na bákka zijn gevoeg doen. Bákka de móro mi ik heb achterlast. Dà horlósi de wákka na bákka dat uurwerk loopt na. Etym.: Eng. .
Bákka bijw. weder, terug. (Eng. back.). Kom bákka, drai bákka terugkeeren. Gi mi hem bákka geeft 't mij terug. Téki bákka terug nemen. Joe moe méki da sani bákka gij moet dat herstellen. Kom boen bákka herstellen, beter worden. Etym.: Eng. .
Bákka ww. bakken. Bákka-fisi gebakken visch. Joe téki mi fátloe bákka mi (sprw.), gij doodt mij met mijne eigen wapens.
Bákki znw. bak. Brede-bákki broodbak. Arén-bákki regenbak. Etym.: ND. .
Bakóeba znw. bakove, de vrucht van Musa sapientum L. Práni bakóeba duikelen. Etym.: Arr. Manikínia. .
Bakrà znw. een blanke, in onderscheiding van andere kleuren; een meester, in tegenoverstelling van een slaaf, onverschillig of die meester blank zij; bijv.nw. Nederduitsch. Bakrà-hóso het woonhuis van den meester. Bakr'oeman zaamgetrokken uit Bakrà-hoéman eene blanke vrouw, eene dame. Bakrà-basía blank-officier. Bakrà-pikién een blank kind; ook het kind van den meester. Bakrà-kóndre Europa;Nederland. Jéri-bakrà Hollandsch verstaan; bevattelijk van begrip zijn. Boési-bakrà naam van eene houtsoort uit de bovenlanden.
3)
Bakróe znw. dwergspook; dwerg, kabouterman.
2)
Báksi, (baksíta) znw. mand, korf. Eng. Basket. Njanjam´-báksi etenskorf. Baksita-tetéi een rank gewas van dien naam uit de orde der Bignoniacieën, hetwelk tot mandenmaken gebezigd wordt.
Bámbai, (bamba) bijw. aanstonds, terstond, zoo dadelijk. Eng. by and by. Etym.: Eng. .
Bambakóe znw. waterbreuk.
Bamboésoe znw. bamboes. Etym.: ND. .
Bandíti znw. ijzeren strafketting. Dem´ wéri bandíti gi hem´ men heeft hem boeijen aangedaan.
Bángi znw. bank. Etym.: ND. .
Baníri znw. vanille. Arr. Kamaye. SP. Etym.: Arr. .
Banjà znw. eene soort van negerdans; een speeltuig (neger-either) dat voorheen daarbij gebruikt werd. Banja-siéngi gezang, bij dien dans gebruikelijk. Plei-banjà den negerdans spelen met de daarbij gebruikelijke instrumenten.
2)
Bántama znw. diepe, breede middentrens, hoodtrens, of gegraven vaart op suikerplantaadjen.
Bánti znw. band; ww. knellen. Trekbánti draagband, bretel. Mi moe loésoe mi kóto, a de bánti mi ik moet mijn rok losmaken; hij is te stijf gebonden.
2)
Barì znw. vat, ton, okshoofd, vaatje. Eng. barrel. Etym.: Eng. .
Bàri ww. schreeuwen, roepen, tieren, gillen. Eng. bawl. A bári krei hij (zij) barste in een luid geween uit. A bári siéngi hij (zij) zong met luider stemme. Kákka de bári de haan kraait. Babári zaamgetrokken uit bari-bári),geschreeuw, leven, getier. Etym.: Eng. .
Bárki znw. bark, sloepschip; verdrag, overeenkomst; zamenspanning, komplot. Eng. bark, bargain. Méki bárki afspraak maken, zamenspannen. Líbi soéma de méki bárki, ma Gádo de méki sípi. (sprw.) De zin is: de mensch wikt, maar God beschikt. Etym.: Eng. .
Bárkrakki znw. berklak, een timmerhout van dien naam,behoorende tot de orde der leeythideën. (Leeythis Idatimon?). Etym.: Arr.Kakarallí. .
Baroéba znw. baard. Póeloebaróeba scheren, zich scheren. Karoe baróeba de haarvezels aan de vrucht van de mais. Etym.: Port. .
Bàsi znw. baas; gewone titel, welken de slaven elkander onderling geven, gelijk de slavinnen elkander onderling Sísa noemen; b.v. Bási Kodjó; leermeester, leermeesteres. Mi bási zegt een naaimeisje tot hare matres of leervrouw. Pikién bási meesterknecht. Plei-bási den baas spelen. Etym.: ND. .
Basiä ww. den bastiaan spelen. Joe no moe mémbre, foe basjá na mi tapoe gij moet niet denken, dat gij den baas over mij zult spelen. Kabàl no basjà so na mi bákka laat mij met vrede! Jaag mij zoo niet.
Basiä, (basjà) znw. bastiaan,negerofficier op de plantaadjen.(Eng. overseer.). Bakrà-basíä blankofficier. Gran basíä de eerste bastiaan. Basjà-fówloe een vogel, die s'morgens een geluid maakt, als of hij de slaven aan het werk roept. Basíà fisi een geharnaste visch, waarvan de staart aan de zijde in een koord uitloopt.(Loricaricia cataphracta L.)
2) Etym.: Eng. .
Básra bijv. nw. basterd, onecht. Básra-bortrì basterd-bolletrie, eene houtsoort van dien naam. Etym.: ND. .
Batóto znw. eene plant van dien naam uit de orde der Solanaceën.(Physalis). Etym.: Port. .
Bátra znw. flesch.(Eng. Bottle.). Etym.: Eng. .
Bebé nw. verkort van Elisabeth. Bebé-hoedoe een boom van dien naam, welke veel langs de boven rivieren groeit, en waarvan het hout zoo ligt als kurk is. Etym.: Pteroearphus suberosus L. .
Bédi znw. bed. slaapplaats,ook tuinbed. Meki bédi het bed spreiden, opmaken. Bróko bédi tuinbedden in gereedheid brengen. Etym.: ND. .
Beefi ww. beven, sidderen. Etym.: ND. .
Bégi ww. verzoeken, smeeken, bidden, bedelen. Bégi Gádo gi wan soéma den vloek der Godheid over iemand inroepen. Mísi sénni bégi Mássera pikién wátra Mevrouw laat Mijnheer om een weinig water verzoeken. Ké! mi téki joe mamà bégi joe ach! ik smeek u in naam uwer moeder. Dem´ no de kíli bégiman, ma dem´ de kíli foefóeroeman. (sprw.) Men hangt wel dieven, maar geen bedelaars. Bégi móro bétre léki foefoéroe, ma wróko da bási. (sprw.) Bedelen is beter dan stelen, maar werken is de baas. Etym.: Eng. .
Béle znw. zie Bere.
Ben hulpww. om den verledenen tijd uit te drukken. Mí ben táki joe ik had u gezegd. Wan Mamà ben de daar was eens een oude vrouw. Mi ben sa kom´ ik zoude gekomen zijn. Etym.: ND. .
Béni ww. zwierig, elegant zijn. Krákoen de béni de kalkoensche haan pronkt.
Bénni ww. buigen, krommen; overhellen; verl. deelw. krom, gebogen.
2) Etym.: Eng. .
Bentà znw. een speeltuig van dien naam, bij de Negers wel eens gebruikelijk.
Bére znw. zelden Béle buik, maag, ingewanden;zwangerschap; inborst, gemoed. Bére-hátti buikpijn. Bére-foéloe bekomst. Joe no njam´ joe bére fóeroe éte? Hebt gij nog uw genoegen niet? Kau-bére de pens eener koe. Todo-bére een visch van dien naam. Hóli wan soéma na bére iemand om deze of gene daad haat toedragen, tegen iemand op wraak bedacht zijn. Soema bére da líba. (sprw.) Het menschelijk hart is ondoorgrondelijk. Hem bére bíta zijn (haar) hart is slecht, wraakzuchtig. Joe ha' pasénsi, joe sa si míra-bére. (sprw.) Indien gij geduld hebt, kunt gij de ingewanden van eene mier zien; d.i. geduld overwint alles. Dà hoeman ha' bére (0f) a de nánga bére die vrouw is zwanger. A dtan nánga bére zij is bezwangerd. Bére-mán zwangere vrouw. Da mi bére-pikien het is mijn eigen kind. Trowè bére een miskraam krijgen.
3) Etym.: eng. .
Bergi znw. berg, heuvel; de houtgrond Bergendaal. Bérgi-nánga bérgi no de míti makándra, ma sóema nánga sóema sa míti (sprw.) Bergen ontmoeten elkander niet, maar menschen wel. Etym.: ND. .
Béri ww. begraven, onder den grond verbergen, met aarde bedekken; znw. begrafenis, lijkstaatsie. Béri-plési begraafplats, kerkhof. Go na béri te begraven gaan. Wan moi béri eene plegtige lijkstaatsie.
2) Etym.: Eng. .
Béssi znw. best, in de beteekenis van: zij best doen. Mi sa doe mi béssi ik zal mijn best doen, ik zal trachten. Etym.: ND. .
Béti ww. bijten; znw. beet; lokaas om visch te vangen.
3) Etym.: ND. .
Bétre bijv.nw. beter; znw. beterschap. A móro bétre léki 't is beter dan ... Ji sa doe móro bétre gij zult beter doen. Misi de pikién bétre Mevrouw is iets beter. Kom´ bétre herstellen, genezen. Mi no fínni wan bétre nánga dà dréssi ik vind geen baat bij dar geneesmiddel. Foe joe bétre ... gij hebt goed praten....
2) Etym.: ND. .
Biérti znw. buur; buurman, buurvrouw. A de líbi na mi biérti hij woont in mijne buurt. Wi moe líbi boen biérti nánga makándra wij moeten als goede buren leven.
2) Etym.: ND. .
Bifósi, (bifò) bijw. alvorens, eer, voordat, eerst, te voren. Aránja moe groen, bifósi a lépi. (spr.) Een oranjeappel moet eerst groen zijn, eer hij rijp wordt; d.i. Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd. Etym.: Eng. .
Bígi bijv.nw. groot, dik,grof, aanzienlijk, voornaam. Dà móro bígi wan de grootste. Wan bígi sóema een volwassen mensch. So bígi-bígi joe si hem´ de zoo groot als hij daar is. Bígi-bígi dei op klaar-lichten dag. Kérki-sidón bígi kabà de kerk is al lang aan. So wan bígi-bígi písi mi gi hem´ ik heb hem (haar) zulk een groot stuk gegeven. Bígi bére een dikke buik; hoog zwanger. Da bígi-bére bakrà die heer met dien dikken buik. Di a ben de nánga bígi bére toen zij hoog zwanger was. Bígi mémbre trotschheid, verwaandheid, hoovaardij. A de méki hem bígi hij (zij) verhoovaardigt zich, doet zich groot op. Bígi ódi hartelijke groet. Táki Másra bígi ódi groet Mijnheer hartelijk voor mij; mijn oudere broeder. Dem bígi bakrà foe kóndre de Heeren van de regering. Bígi stòn naam van de eene klip in de rivier Suriname; hetzelfde als Madoengóe.
2) Etym.: Eng. .
Bigíen ww. beginnen, een aanvang maken; znw. begin. Ji bigién agén? Begint gij weer? Na bigíen in deu beginne. Bigíen foe ron na hési wákka. (sprw.) Het begin van draven is harloopen.
2) Etym.: Eng. .
Bikássi, (bikà, bakà) voegw. dewijl, omdat, vermits. Etym.: Eng. .
Bilambì, (brambí) znw. een zure vrucht van dien naam. Etym.: Averrhoa. .
Bíli-hoedoe znw. bijlhout. Etym.: Arr. Wállaba. Eperua falcata. .
Biló, (biró) bijw. beneden naar den mond eener rivier of kreek. Mi de go na biló ik ga, vertrek naar beneden. Etym.: Eng. .
Binnifóto znw. het binnenfort in de fortres Zeelandia. Etym.: ND. .
Biri znw. bier. Etym.: ND. .
Biribíri znw. hoog gras of biezen, op zwampige, moerassige plaatsen groeijende.
Biró bijw. zie Biló.
Bísi znw. alleen gebruikelijk in den zin:. ko bísi mi hábi nánga joe? Wat heb ik met u te maken? Ho bísi mi? Wat gaat het mij aan? Etym.: Eng. business. .
Bíta bijv. nw. bitter; znw. bitter, gal. Mi skien bíta foe dà síki dátti; dà sikí, dá sannì no lóbi mi skien mijn ligehaam is niet onderhevig aan die ziekte, die kwaal, die insecten. Hem bére bíta het is een slecht geaard mensch. Djari-bíta een bitter kruid van dien naam, dat wel als huismiddel wordt gebruikt.(Phyllantus Niruri L.) Kwassí-bíta kwassi-bitter.(Quissia amara L.) Bóesi-bíta eene plant van dien naam. (Solanum diphyllum L.) Brada-bíta eene plant van dien naam uit de orde der Labiaten, ook Pouwisi-bíta,genoemd. (Leonotis nepetaefolia R.Br.) Koni-kóni-bíta een rank gewas van dien naam. (Aristolochia Surinamensis.) Bíta-hoedoe. (Homalium Racoubea Sw.) A bíta hij is dronken. Mi mófo bíta ik heb een leelijken smaak in den mond.
2) Etym.: Eng. .
Bitém´ bijw. bijtijds, vroeg, tijdig, ter regter tijd. Joe sa tamárra bitém´ bákka gij moet bijtijds terugkomen. Etym.: Eng. .
Blaasman znw. een vogel uit de familei der steitloopers. Etym.: Mycteria Americana L. .
Blàkka bijv. nw. zie BRáKKA.
Blau bijv. nw. zie BRAU.
Blo znw. zie BRO.
Bo znw. boog. Arén-bo regenboog. Etym.: Eng. .
Boasi znw. de melaatschheid, lepra. Boasiman een melaatsche. Joe da Boasì, joe lóbi mi, joe kóti mi fiénga. (sprw.) Uwe liefde is apenliefde. Etym.: Elephantiasis Fuchs. .
Bobbì znw. de borsten, lobbe, tepel, speen van dieren; ww. zuigen. Bobbì-móffo de tepel. Bobi-wátra zog. Gi bobbì de borst geven, zogen. Dríengi bobbì zuigen (van een kind.) Dà pikíen de na bobbì éte dat kind is nog aan de borst. Póeloe wan píkíen na bobbì een zuigeling spenen. Njoenwéntje-bobbì eene vergiftige plant, om den vorm harer vruchten aldus genoemd.(Solanum mammosum L.) Watramamà-bobbì een boom van dien naam, die timmerhout oplevert. Bobbì wan mánja een manja (vrucht van Mangifera) aanzuigen, daaraan zuigen als een kind aan de borst.
2) Etym.: ND. Eng. .
Bobói ww. wiegen, sussen; koesteren, vleijen, paaijen. Fa a ben de boboi dá mísa! hij droeg die vrouw op de handen.
2)
Bóda znw. feest, bruiloft, vooral bij de Israelitern. Bóda kabà de pret is uit. Etym.: Port. .
Bodjà znw. glintworm, vuurvlieg.
Bóeba znw. schil, schors, vel, huid, leder, bolster, dop of schaal van eene vrucht of van een ei; houten bak om klei, zand enz. te dragen. Baäna-boéba bananneschillen. Hái-boéba de oogleden. Físi nanga bóeba visch met schubben. Kínki boéba vervellen, van huid verwisselen (van eene slang.) Tan, mi sa kom´ na joe bóba. wacht, ik zal u eens op de huid komen. Bakrà-kóti wan ódo, taki: bétre wan háfoe éksi, leki sóso bóeba. (sprw.) De blanken hebben een spreekwoord:"een half ei is beter dan een leege dop."
2)
Boebóe znw. kinderverschrikking, gedrogt, monster; naam van een insect. Méki boebóe een leelijk gezigt trekken, om iemand (een kind b.v.) te verschrikken; grillen toonen. Sóso a de méki dà boebóe so het zijn niets dan kuren, hij meent het niet.
2)
Boegroemakkà znw. eene soort van kleine kokosnoten.
Boekóe ww. beschimmelen; znw. schimmel, roest; paddestoel. A kíli boekóe hij is leelijk als de nacht. Boekóe fóe ízri ijzerroest.
3) Etym.: Fungus. .
Bóekoe ww. stooten. Kau boek' hem´ eene koe heeft hem (haar) gestooten. (Gebruikelijk om aan te duiden, dat iemand dronken is.)
Bóekoe znw. boek. Bóekoetássi brieventasch, zakboekje, zak-portefeuille. Etym.: ND. Eng. .
Boen biv. nw. goed; znw. het goede, eene weldaad; bijw. wel. Mi de boen ik ben welvarende. A boen het is goed. Bóenboen, (bóemoen) zeer wel. Joe sá bóemoen, taki.... gij weet zeer wel,dat.... Tan boen vaarwel! Wákka boen goede reis! A boen na mi het bevalt mij, het is mij aangenaam. So léki fa a boen na Mísi zoo als het Mevrouw goeddunkt. Bóenkopoe bijv. nw. goedkoop.
3) Etym.: Port., Sp. Bueno. .
Boenhatti bijv. nw. goedhartig, welwillend; znw. goedhartigheid. Bóenhatti-mamà een struikgewas van dien naam. Boen no há tangì (sprw.) Goeddoen vindt geen dank. Sábi boen dankbaar , erkentelijk zijn. Sí-boen weelde, brooddronkenheid. Fínni-boen gelukkig worden, een goed leven hebben. Boen héde voorspoed, geluk.
2) Etym.: Cordia. .
Boeriki znw. ezel, muilezel. Etym.: Port., Sp. .
Boéroe-kau znw. bul, stier. Etym.: Eng. .
Bóesi znw. bosch, woud. Boesi-boési struikgewas, boschaadje, kreupelhout. Boési-meti wild dier. Boési-ningre boschneger, maron. Boési-tetéi taai rankgewas, linne. Boési-dóksi wilde eend.(Anas moschatus.) Etym.: Eng. .
Boeskóetoe znw. beschuit, tweebak. Etym.: ND. Eng. .
Boetà-boetà znw. eene soort van nachtvogels van dien naam, ook. Jorokà-fówloe en Miendri-pássi genoemd.(Caprimulgus.) Etym.: Arr. Wakoe-ráijoe. .
Bóffroe znw. Surinaaamsche buffel.(Tapirus Americanus.) Arr. Kamma; Caraibsch Maipóeri. Etym.: ND. .
Bohén znw. tering, kwaadaardige hoest. Broko-hai foe tódo no de kíli snéki na hólo, ma watra-mofo foe poes-poési de gi bohén. (sprw.) Wanneer de pad de slang stuurs aankijkt, is dat niet doodelijk; maar het speeksel eener kat geeft de tering en dat is doodelijk. De zin is: Ik lach om uwe onmachige woede, uw hant kan mij niet deren.
Bóiti znw. buiten,buitenplaats, tuin buiten de stad. Etym.: ND. .
Bóiti voorz. buiten, behalve. Bóiti-dátti buitendien. Etym.: ND. .
Bokadiénjoe znw. suikergebak van dien naam. Etym.: Port. bocadinho. .
Bóki znw. toenaam, dien de negers wel eens aan de Indianen of zoogenaamde bokken geven, b.v. 'Ma Bóki.
Bokobóko znw. bok, geitebok, schapebok. Bokobóko-wiwíri kruid van dien naam, dat eene sterke lucht heeft. Etym.: Ageratum conyzoides L. .
Bokódon, (boekóedoen) ww. bukken, nederbukken.
Bóktoe znw. emmer (verouderd, slechts hier en daar, onder anderen p de Plantaadje Meerzorg, hoort men 't nog.). Etym.: Eng. .
Bol znw. jongen, knaap, knecht. Foetoe-bói lijfknecht, laklei, voetbode, kamenier; ww. als knecht dienen. A de foetoeboi gi Mássra hij past mijnheer op. Mi da joe boi? Ben ik uw knecht? A no boí tróbi a méki nánga mi ik heb geen gering ongenoegen met hem gehad. A no boi soéma de dapé daar is een menigte volks bijeen. Káu-foetoebói eene soort van zwarte vogels, die veel achter de koeijen vliegen, welligt om den mest, smousevogel geheeten.(Arr. Hoye.) Etym.: Eng. .
Bóli, (bóri) ww. koken, stoven. go bóli dem baäna ga die banannen koken. dem baäna, de bóli kabà die banannen staan al te koken. Bóli-wátra gekookt water. Bólimán suikerkoker. Te joe nákki káppa lási, joe jeri bolimán tóngo. (sprw.) Wanneer gij onder aan den suikerketel klopt, zult gij des kokers stem vernemen. De zin: die bij 't onderzoek naar de waarheid den regten man treft, zal het ware van de zaak vernemen. Bóli-aréisi rijst, die, nog in de airen, door kokend water is gehaald. Etym.: Eng. .
Bóloe znw. kluw, kluwen. Wan bóloe káoen een kluwen naai-of breikatoen. Etym.: ND. .
Bóloe, (bóroe) znw. bollen, gebak, koek. Jéngrisi-bóroe tulband van kolombijne-deeg. Bóloe fiádoe een ineengedraaide koek. Etym.: ND., Port. .
Bom´ znw. boom, struik, heester. Manja-bom´ Manjaboom. Baäna-bom´ bananneplant. Etym.: ND. .
Bon, (bonjó, bondjó) znw. beenderen, graten. Fisi-bonjó vischgraten. Bakka-bón ruggegraat. Bon-njam´ pijn in de beenderen, jicht. Etym.: Eng. .
Bongopíta znw. geregtsplaats, galgeveld; de galg en toebehooren; galgebrok, galgenaas (scheldwoord.).
2)
Bonibóni znw. eekhoorn. Etym.: Sciurus aestuans L. .
Bónki znw. bbon, peulvrucht. Etym.: ND. .
Bórgoe ww. borgen, krediet geven; znw. borg. Etym.: ND. .
Bóro znw. boor; ww. boren, doorboren. Etym.: ND. .
Bortri. znw. bolletrie, eenboom uit de orde der Sapotaceën, die een hard timmerhout en eene aangename vrucht oplevert. Etym.: Eng. .
Bósi ww. kussen, zoenen; znw. kus, zoen. Kom bósi mi kom mij kussen. Gi mi wan bósi geef mij een kus. Bósi swíti, ma a tjári sábiso. (sprw.) Het kussen is zoet, maar baart wel eens berouw.
2) Etym.: Sp., Port. .
Bosikópoe znw. boodschap, tijding, berigt. Etym.: ND. .
Bósoe znw. bos, tros, bundel. Wan bósoe baäna een tros banannen. Wan bósoe hóedoe een bos hout. Dem´ tai hem´ na bósoe-bósoe zij hebben het aan bossen gebonden. Etym.: ND., Eng. .
Bosrénki znw. boezeroen, kort hemdje.
Bósro znw. borstel, schuijer; ww.borstelen. schuijeren, schoon maken.
2) Etym.: ND. .
Bosróko znw. borstrok. Etym.: ND. .
Bóto znw. boot, schuit, tentboot, vaartuig, roeiboot. Tén-bóto (ook enkel bóto), tentvaartuig, op de plantagiën in gebruik. Bótomán, bótoníngre bootneger, bootroeijer. Bótosíengi boot-gezang, roei-zang Físi-bóto visschersvaartuig. Etym.: ND., Eng. .
Botrám´ znw. boterham, geboterde snee brood. Etym.: ND. .
Botrì znw. bottelarij, vertrek of plaats, waar de borden enz. bewaard worden. Botrì-man bottelarij-meid, bottelierster. Etym.: ND. .
Bòtro znw. boter. Káu-bótro versche, inlandsche boter. bótro-fisi soort van visch. Bótro-wátra karnemelk. Etym.: ND. .
Bouréri bijv. nw. verbaasd,verbluft, ontsteld, verslagen. A kom´ bouréri hij was onthutst.
Bóutoe znw. bout, dij. Wan dia-boutoe een hertebont. Dikki bóutoe het dikke der dij. Boutoe dóro den hout achter de deur plaatsen tot sluiting
2) Etym.: ND. .
Brabakóto znw. barbekot, d.i. vierkant roosterwerk, om daarop visch te rooken; vloer, waarop de vaten met versch gekookte suiker geplaatst worden, om uit te lekken. Brabakóto-físi gebarbekotte, d.i. gerookte visch.
2)
Brábra. bijw. in haast, in 't wilde, woest, onvolkomen, onbesuisd. Fa ji de doe álla sanì so brábra-so dan? Hoe doet gij toch alles zoo verwaard, zoo half en half? Etym.: Eng. .
Bráda znw. BRáRA.
Bràda, (bràdi) bijv. nw. breed; ww. uitspreiden, uitbreiden. Mi no kan fínni plési foe sidón, ma joe sréfi de dapé ik kan geen plaats vinden om te zitten, maar gij beslaat eene ruimte voor twee, gij zet u daar zoo ruim gij maar kunt. Brádi dá klósi spreid dat kleed, dat laken uit. Etym.: Eng. .
Bradilífi znw. een boom met brede bladeren, die eene ligte houtsoort oplevert, zeer geschikt voor duigen. Etym.: Eng. .
Brafoé znw. braf, soort van soep. Okro-brafóe, taja-brafóe soep of braf van ókro of van tayers. Respékki foe wan swíti brafóe, mi sa njam´ wan sóewa tomtóm´. (sprw.) Uit aanmerking van de lekkere braf, zal ikde zuur geworden tomtom eten; d.i. het bittere zal ik mij laten wegvallen om het aangename, dat daaraan verkocht is te erlangen. Tom´tom´ fadón na brafoe, a fadón na hem prési. (sprw.) Wanneer de tomtom in de braf valt, is hij juist waar hij wezen moet. Casca it cacio su' maccheroni, zeggen de Italianen. Etym.: Eng. .
Brai ww. braden. Etym.: ND. .
Brákka, (blákka) bijv. nw. zwart; ww. zwart maken. Weri brákka in den rouw zijn. rouw dragen. A de na brákka-brákka hij (zij) is in den rouw. Wi brákka-brakka níngre wij zwarten. Arén brákka de lucht staat tot regenen; het gaat regenen. Brakka béri een wilde vruchtboom, welke eene zwarte eetbare bes draagt. Brákka tíki een heester van dien naam. (Cordia graveolens HBK.) Etym.: Eng. .
Brandiwíen znw. brandewijn. Etym.: ND. .
Bránti znw. brand; uitslag op de huid. Na bákka branti na den grooten brand. Dá pikién skien lai nánga bránti dat kind zit vol met uitslag. Brantímaká een heester, die veel langs de benedenrivieren groeit.(Drepanocarpus lanatus G.F.W. Meijer.) Etym.: ND. .
Brára, (brada) znw. broeder, ook neef. A de nánga hem brára (overdragtelijk),hij is beschonken. Etym.: Eng. .
Brasà ww. omhelzen, omvatten, met beide armen insluiten. Dem brasà makándra zij hielden elkaar vast in de armen gesloten. Sáni móro keeskési, a brasà makà. (sprw.) Als de aap in de benauwheid zit, omvat hij den doornstruik. Etym.: Sp. .
Brau bijv. nw. blaauw; znw. blaauwsel, indigo.
2) Etym.: ND. .
Bréde znw. brood. Bákka bréde kommiesbrood. Brakka bréde roggebrood. Bréde bóm´ de broodboom.; de vrucht van dien boom, broodvrucht. Etym.: Eng. .
Brei ww. bereijen; znw. breiwerk.
2) Etym.: ND. .
Bréki znw. morgenmaaltijd. brekfest, déjeuner à la fourchette. Njam bréki brekfesten, het morgenmaal gebruiken. Bakka-bréki op den middag. Breki-tem´ tegen den middag. Etym.: Eng. .
Brési ww. zegenen; znw. zegen, geluk. Gádo brési mi! God zegen'ons! (uitroep van verbazing en verontwaardiging.) Gádo brési! God zij dank! er is nog hoop voor mij, - aale hoop is niet verloren. Dà tem´ Gádo-brési Mássra ben de na líbi toen Mijnheer zaliger nog in leven was.
2) Etym.: Eng. .
Bríbi ww. gelooven; znw. geloof. Mi bríbi ji de mémbre foe kóli mi ik geloof, dat gij mij denkt te foppen.. Mi bri' ji de lau zijt gij dol?
2) Etym.: Eng. .
Brífi znw. brief, briefje, billet, nota, geschrift. Passá-brífi passeer-billet, pas voor een' slaaf. Misi sénni brífi kom´, taki... Mevrouw heeft geschreven dat ... Brífi-pagála brieven-pagaal, koker van mandewerk voor brieven. Etym.: ND. .
Brinni, (blínni) bijv. nw. blind. Brínniman blinde, blindeman. Etym.: ND. .
Bro ww. blazen, aanblazen, ademhalen; znw. adem, asem, ademhaling. Bro toetóe op den hoorn blazen. Bro fróiti op de fluit spelen. Bro fáijam het vuur aanblazen. Bro joe nóso snuit uwen neus. A de háli bro hij ademt. A táppoe bro hij haalt geen adem meer. Méki mi bro pikiénso laat mij eens ademhalen, uitrusten. Méki mi jési bro! Zwijg toch stil, laat mij met rust!
2) Etym.: Eng. .
Bro, (blo) znw. slag, klap. Gi hem wan blo geef hem een slag. So álla na wan blo alle tegelijk, alles op eens. Papá-bro het duikelen op de handen. Etym.: Eng. .
Bróedoe znw. bloed. Spíti wítti, ma bróedoe sidón na hátti. (sprw.) Speeksel is wit, maar bloed zit in het hart. Ogri bróedoe eene soort van huidslag. Etym.: ND. .
Broejà ww. verwarren; verwarring; bijv. nw. verward. So wan broejà-fasi op zulk eene verwarde wijze. Alla saní broejà-broejà óndro makandra alles ligt door de war. Wan broejà soema iemand, die geene orde in acht neemt.
3) Etym.: Port. .
Bróekoe znw. broek.
Bróetoe ww. achten, ontzien, schatten, op prijs stellen, (verouderd.). Mi no bróotoe Joe ik geef niets om u.
Broetoe-bére znw. bloedbeuling.
Broin bijv. nw. bruin. Bróinharti bruinhart, een zware boom, die voortreffelijk timmerhout oplevert. Etym.: (Andiroe Sp. (Arr. wassiba.) .
Bróki znw. brug. Bokó-bróki eene brug van dien naam over de Steenbakkersgracht te Paramaribo, eigenlijk Boucaud-brug, naar zekeren Boucaud, wiens erfvlak aan die brug lag. Etym.: ND. .
Bróko ww. breken, afbreken. opbreken, afplukken, scheuren, barsten. Bróko wan aránja een oranje-appel afplukken. Bróko bróekoe een gescheurde broek. Wan broko pranási eene verlatene plantaadje. Bóesi-ningre sábi ho pranási a de bróko. (sprw.) De boschneger weet zeer goed, welke plantaadje hij vernielt, afloopt. Bróko móni geld wisselen, klein geld voor groot geld ruilen. Broko gjénti tegen 't getij, tegen ebbe of tegen vloed opvaren. No bróko Joe mófo foe sóso verspil uwe woorden niet nutteloos. Dá lássi-sríbi méki mi skien bróko ik gevoel mij afgemat door het gemis van slaap. Broko-hái blik van verachting. (Zie op Bohén.) Bróko-wiwíri (van planten) uitloopen. Bróko njanjám´ vrucht krijgen. Bróko éksi eijeren uitbroeden. Déi-broko den volgenden dag, daags daaraan, des anderendaags. Bróko kóuroe de koude wegnemen. Pótti dá wátra na son, méki a bróko kóuroe zet dat water in den zonneschijn, opdat hat laauw worde. Broko-bákka naam eener slingerplant. (Mikania atriplicifolia Schultz bip.) Bróko láfoe in gelach uitbarsten. Etym.: Eng. .
Brómmiki znw. bloem,bloesem. Píki brómmiki bloemen plukken. A no gi brómmiki éte het bloeit nog niet. Brommiki-síri bloemzaad. Brommiki-páttoe bloempot, bloemvaas. Etym.: ND. .
Bron ww. branden, gloeijen, verbranden, aanbranden. Fósi pési bron, dà bákka-wam Joe sa póeloe hem lála. (sprw.) Hebt gij den eersten pot laten aanbranden, dan zult gij den volgenden uit vrees raauw van 't vuur nemen. No méki Joe hátti bron word niet boos. Hatti-brón znw. toorn, gramschap, ergenis. Hattí-bron no de méki wan boen pikién. (sprw.) Gramschp brengt geen goed kroost voort. Fa Joe kan tjári so bron-brón baüna gi mi? Hoe durft gij mij zulke verbrande banannen brengen? A bron na pan het is mislukt. Etym.: Eng. .
Copyright © 2000