F - f

F.
Fa’ bijw. hoe, op welke wijze (verkort van Fassi; zie aldaar). Etym.: Eng. .
Fadón ww. vallen, nedervallen, uitvallen. Dem´ fadón na da wróko tápoe zij sloegen fiks de handen aan het werk. Nou oen álla de fadón na mi tápoe nu valt gij alle tegelijk op mij aan. Arén de fadón het regent. Etym.: Eng. .
Fája znw. vuur, vlam, gloed, brand,licht, de kaars. 2) bijv. nw. heet, vurig, gloeijend, warm. Méki fája vuur aanleggen. Léti fája het licht opsteken. Téki fája vuurvatten, in brand raken. Fája-téki na da pranási er is brand ontstaan op die plantaadje. Kóti-fája vuur slaan. Krofája houtskool. Fája-tíki een brandendhout. Fája-warám´ vuurvlieg, glintworm. (Lampyris). (Arr. Jóeliwihi.) Sóetoe-fája vuur stoken, brand stichten. Warám´ fája zich bij het vuur warmen. hem nánga Kwakóe no de warám´ fája hij en Kwakoe zijn geen beste vrienden. Fája-wátra kokend water, heet water. Dà brafóe fája die braf is heet. Te brafóe fája, joe de téki spoen de dreéngi hem; ma te a kóuroe, han sa wákka na íni. (sprw.) Als de soep heet is, gebruikt men een lepel, maar als zij koud is, steekt men er de hand in. De zin is :Den zachtzinnige durft men aan, den driftige onziet men . So fája-faja so zoo kokend heet, als 't daar is. Faja lóbi vurige liefde; naam van eene sierplant met vuurroode bloemen.
2) Etym.: Eng. .
Fakonfábra znw. klikspaan, langtong, klapper.
Fálla ww. vellen, neerhakken, nederhouwen. Fálla bóesi bosch vellen. Fálla wan bom´ eenen boom neerhakken. Pikién áksi fálla bígi bom´ (sprw.) Een kleine akse kan een grooten boom vellen. Etym.: ND. .
Fallawátra znw. ebbe, val. Nánga dà fálla dísi wi de gó-we wij vertrekken met deze eb. Etym.: ND. .
Falmíengo znw. naam van een vogel uit de orde der steltloopers. Etym.: Arr. .
Famíli znw. familie, bloedverwanschap; aanverwant, nabestaande. Da wan famíli foe mi het is mijn bloedverwant. hij (zij) is van mijne familie, bestaat mij in het bloede. Fóeloe famíli, fóeloe Jorokà (sprw.) die veel verwanten heeft, heeft er veel last van.
2)
Fàn hulpwoord . eene heldere witheid aanduidende. A wítti fán (ook soms) a wítti fanfanfán 't is spierwit, 't is wit als sneeuw.
Fandísi znw. vendu, pulbieke verkooping, acutie, veiling. Etym.: Eng. .
Fánga ww. vangen, ontvangen. Fánga wátra water opvangen. Fánga móni geld ontvangen. Etym.: ND. .
Fannódoe bijw. van noode, noodig. Etym.: ND. .
Fára bijw. ver, op grooten afstand, verwijderd, afgelegen. Fára-we ver weg. A de líbi tóemoesi fárawe hij woont zeer afgelegen. Njanjám-passi no farawe (sprw.) de zin is: Men doet gaarne eene opoffering, wanneer er voordeel mede te behalen is.2) Bijv. nw. ver Wan fára pássi een verre weg.
2) Etym.: Eng. .
Fàra znw. eene soort van geheime taal. Joe sa' foe táki fára? Verstaat gij de Fára-spraak?
Fàrsi, (falsi) bijv. nw. valsch, boos verstoord, kregel, vinnig. Kom´ fársi boos worden.2) znw. verbolgenheid, gramschap, verkropte toorn, valschheid. A sóri mi so wan fársi hij toonde mij zulk eene inwendige grimmigheid.
2) Etym.: ND. .
Fássi znw. manier, wijs. Wan kóni fássi op eene behendige wijze. so wan fassi in dier voege. Bakkrà-fássi als de blanken. Dà sréfi fássi op dezelfde manier. Hóli wan fássi op denzelfden voet voortgaan.Zichzelven gelijk blijven. Ho fássi? (verkort: ho fá? of ook alleen: fá? Hoe? op welke wijze? Ho fássi? njanjám´ no klári jéte? Hoe zit het? is't eten nog niet klaar? Alla fa' wi de wij volgen geene bepaalde manier; wij zijn van alle markten t' huis. Fa' joe tan? hoe vaart gij? Fa mi sa doe sábi? Hoe wil ik het weten? Etym.: Eng. .
Fàssi ww. vastmaken, vatten,aanpakken. A fássi mi, táki mi da dà foefóerman hij pakte mij aan, zeggende dat ik de dief was. Bonjò fássi mi nékki er is een graat, een beentje in mijn keel.2) biv. nw. vast. Dà bóto fassi die boot zit vast aan den grond. Etym.: ND. .
Fáttoe bijv. nw. vet, dik, gemest. kom´ fattoe vet worden. 2) znw. het vet, smeer, de balsem. kandra-fáttoe kaarsvet, kaarsmeer. Hagoe-fáttoe reuzel. Ningre Kóndre-fáttoe balsem uit de vrucht van Eloeis guineens is getrokken;2) palmolie.
2) Etym.: Eng. .
Féda znw. pluim, vederbos. Etym.: Eng. .
Fégi ww. vegen. Zie Figi. Etym.: ND. .
Feifi getalw. vijf. Féifi-tem´-tien vijftig. Tien na' féifi vijftien. feifi-fiénga eene plant uit de orde der Sapindaceën. (Panullinia.) Etym.: ND. .
Fénsre znw. venster, raam, vensterluik. Na sei fénsre aan het raam, aan het venster. Tappoe fénsre de luiken sluiten. Te Joe habi glasi fénsre, no téki ston, bróko foe tráwan. (sprw.) Wanneer gij zelf glazen ramen hebt, moet gij die van een ander niet met steenen smijten. Etym.: ND. .
Férfi ww. verwen, schilderen; 2 znw.verw. Ferfimán verwer, kladschilder. Etym.: ND. .
Fésa znw. feest, groote zang en danspartij bij de Negers, ter gelegenheid van het eindigen van den rouwtijd na het afsterven van een nabestaande.
Fési znw. aangezigt, gelaat, tronie. Tai fési zuur kijken. Joe hab' hátti foe kom´ so na mi fési? Durft gij zóó voor mij komen? Joe kan táki so na hem´ fési? Kunt gij dat in zijne tegenwoordigheid staande houden? 2) vóór, vooruit. Fési-sei voorzijde. Fési-dóro voordeur. Fési-héde voorhoofd. Wákka na fési voorop gaan, de voorhoede uitmaken. Iffi mi ben sábi na fési als ik het voren geweten had. Tan na fési borg blijven, zijn naan leenen.3) ww.te gemoet gaan. A fési mi nanga wan mófo!... Hij bejegende mij met zoodanig rrn uitval!... Hij viel zóó tegen mij uit! ...
3) Etym.: Eng. .
Fesikóki znw. voorschot, boezelaar. Etym.: ND. .
Féti ww. vechten, worstelen, strijden, zich inspannen.2) znw. oorlog, strijd, gevecht. feti-sípi oorlogschip. A de féti foe lon-wé hij doet zijn best om te ontloopen. Féti, méki joe póeloe dem´ sanní haast u, om die dingen weg te nemen. Kóorsoe di féti nánga mi ik heb een hevige koorts.
2) Etym.: Eng. .
Fiádoe znw. (bóloe fiádoe) een gebak van dien naam. Etym.: Port. .
Fiénga znw. vinger. Fíenga foe fóetoe toon of teen. A sóri mi fíengi hij (zij) heeft mij gedreigd. Wan fíenga baäna één enkele bananne. fienga-tája kleine of jonge knobbels der tayers. Soekroe-fíenga suikergoedm kokinje. Etym.: Eng. .
Fienjólo znw. viool. Plei fienjólo viool spelen. Fienjólo-dansi Europeaansche dans (in onderscheiding van Banjà of andere neger-dans.) Etym.: ND. .
Fiésti bijv. nw. viesch. Etym.: ND. .
Fíga znw. vijg. Etym.: Eng. .
Fígi ww. vegen, opvegen, afvegen. Fígi joe hai droog uwe oogen af. Fígi joe hai droog uwe oogen af. Etym.: ND. .
Fikà ww. overblijven, overschieten. (verouderd.). Da toé nómo fikà er zijn slechts twee over.
Fíli, (firi) ww. voelen, gevoelen, betasten, bevoelen. Fíli-fili, effi joe kan fínni hem tast eens rond, en zie, of gij het vinden kunt. Etym.: Eng. .
Fíli, (fíri) znw. veld akker, land. Dem´ de wróko na fíli zij werken in het veld. Mass'ra Drieklóro pótti hem´ na fíli De directeur heeft hem (haar) aan het veldwerk gezet. Fili-ningre veldneger, landbouwer.
Fingróetoe znw. vingerhoed. Etym.: ND. .
Fíni bijv. nw. fijn dun, tenger, slank. Joe no moe haksi alla sannì so fíni-fini gij moet alles zoo niet uitvorschen. A no de lóekoe na fíni hij kijkt niet zoo heel naauw. Etym.: ND. .
Fínni ww. vinden, bevinden, ondervinden, ontdekken, uitvinden. Fínni boen weldaden genieten, goed behandeld worden. Mi no kan fínni passi foe komóto ik kan er niet door, om er uit te komen. Etym.: ND. .
Firipéri znw. vuurpijl, voetzoeker, vuurwerk in 't algemeen. Sóetoe firipéri vuurwerk afsteken. Etym.: ND. .
Físi znw. visch; 2) ww. visschen. Kísi físi visch vangen. Mi de go na físi ik ga visschen. Físi-man visscher; 2 naam van een' vogel uit het geslacht der steltloopers. Físi-bóto visschers-vaartuig. Físi-marki vischmarkt. Ningre-físi visch zonder schubben. Makà-físi, dem´ sóutoe hem´ nanga bére. (sprw.) De zin is: Die ongelukkig is, slaagt in niets.
2) Etym.: Eng. .
Fisíti znw. gezelschap, genoodigde gasten. Etym.: Fi. .
Fíti bijv. nw. geschikt van pas; 2) ww. passen, voegen betamen. Dàkti fíti mi die rok past mij. Dà sanni no fíti joe hai dat komt u niet genoegzaam voor; dat is niet naar uw' zin. Wi ben sa fíte foe go kabà wij hadden reeds behooren weg te wezen. A no fíti joe het staat u niet vrij, het voegt u niet.
2) Etym.: Eng. .
Fja hulpwwoord. alleen gebruikelijk in den zin:. a kabà so fjà het is schoon op.
Fjofjó znw. weegluis; eene kwaal, welke men, volgens een neger-bijgeloof, krijgt uit het niet houden van eene gelofte, eed, of vloek, b.v. om met dezen of genen nooit weer te eten.
Flau, (frau) bijv. nw. flaauw, in zwijm, bezwijmd; ww.) flaauw vallen, bezwijmen, van zich zelven liggen; 3) znw. flaauwte, bezwijming. A de lóekoe foe flau hij (zij) is op het punt van te bezwijmen. Etym.: ND. .
Flei, (frei) ww. vliegen. A frei go-we hij (zij, het) is weggevlogen.znw. vlieg, vliegje; 2) vleugel, vlerk, wiek. Kau-fréi koe-vlieg, horzel. (Oestrus.) Jassi-fréi yawa-vliegje. Frei móesoe vledermuis.
2) Etym.: Eng. .
Flóiti, (fróíti) ww. fluiten; 2) znw. fluit, fluitje. Bro fróiti, prei fróiti de fluit spelen.
2) Etym.: ND. .
Flóusoe, (fróusoe) znw. gekheid, gemaaktheid, kuren; 2 bijv. nw. nukkig. Ho sóortoe frónsoe joe de méki dan? Wat maakt gij toch voor malle kuren? Wan frónsoe pikóeman een meisje vol kuren, eene nuf.
Fo getalw. vier. Fó-tem´-tien veertig. Tien-na-fo veertien. Fo sren vier schellingen, (oud Surin, geld, thans 32 centen.) Tien písi fo tien gulden, (oud Surin. geld, thans f 3,20.) Fó-de'-wroko Donderdag. Dágoe ha' fo fóetoe, mára a no de wákka na fo pássi. (sprw.) De hond heeft vier pooten, maar loopt nogtans niet op vier wegen tegelijk; d.i. Niemand kan twee heeren dienen. Etym.: Eng. .
Foe voorz. van, voor, om, tot. Mi mísi joe mi! mijne waarde meesters! Dísi da foe mi dit is het mijne, dit is voor mij, dit is van mij. "Foe wi" nánga "foe mi" a no wan. (sprw.) Het "onze" of het "mijne" is niet hetzelfde. Tangì foe Gádo God dank! Tangì foe boen dank voor weldaden, ondank. Foe tróe voorwaar. Joe ha' bígi mémbre foe tróe gij hebt veel inbeelding. Wákka foe joe ga uwen weg. Tan foe joe, méki dem´ táki stoor u niet aan hen, laat hen maar praten. Joe mémbre foe kóli mi gij denkt mij te misleiden. Tamárra da foe joe go na wróko morgen is de dag om aan het werk te gaan, morgen moet er gewerkt worden. Mi swéri foe Gádo! Bij God! Bij God! zoo waar ik leef! Foe si a no lánga het zien kost weinig tijd. Etym.: Eng. .
Foefóeroe ww. stelen, rooven, snoepen, iemand te kort doen. A foefóeroe pássi, go we hij (zij) is stilletjes weggeslopen. Foefóeroeman dief, roover, snoeper, guit. A foefóeroe leki poespóesi hij steelt als een raaf. Foefóeroeman bére bári (sprw.) Een snoeper verraadt zich zelven.
Foegà ww. tot stikkens toe vol zijn, (bij de negers van Portugesche Joden in gebruik.). mi hábí so té, a foegà mi ik heb zoo vee, dat ij het niet op kan.
Foekoe-fóekoe 1) bijv. nw. ruig, wollig;.
2) znw. ruigte. Wan foekóe-fóekoe dágoe een ruigharige hond.
Fóeloe inzaamgestelden zin. Tron-fóeloe verwonderd, verbaasd, verbluft zijn. Tan-fóeloe onnoozel, dommelig, suf. Plei-fóeloe gekheid maken, schertsen; 2) znw. scherts, jokkerij. No tja' joe plei-fóeloe kom´ na mi blijf mij met uwe gekheid t' huis.
2) Etym.: Eng. .
Fóeloe, (fóeroe) bijv. nw. vol, veel. Fóeloe tron dikwijls, veel malen, vaak. Soema fóeloe pam´ drapè 't is daar stikvol met menschen. Dágoe habi mássera, a slíbi na hángri. (sprw.) Als een hond veel meesters heeft, moet hij gewoonlijk zonder eten gaan slapen. Fóeloe famíli, foeloe Jórokà. (sprw.) Veel nabestaanden, veel spoken; d.i. Die eene uitgestrekte familie heeft, heeft er dikwijls meer last dan plezier van.2) ww. vullen, vol maken. Fóeloe dà bátra vul die flesch. Pattoe fóeloe, tappóe sa kísi háfoe. (sprw.) ls de pot vol is, krijgt het deksel er mede van.
2) Etym.: Eng. .
Fóengoe znw. zwam, Surinaamsch boomtintel.2 naam eener houtsoort.
2)
Fóetoe znw. voet, been, poot, klaauw; 2 voetspoor. Wákka na fóetoe te voet gaan. hábi hátti, póeloe joe fóetoe d'ía (bedreigen). Waag het niet, een voet te verzetten. A kóti foetoe kom´ d'ía hij heeft plotseling opgehouden hier te komen. Dikki fóetoe dij. Gron-fóetoe voet, vroeg. Hai foe foetoe enkel. Fóetoe-tapoe de schoot. Jabà-foetoe naam eener Arum-soort. Foetoe-bói lijfknecht, kamenier.2) ww. iemand bedienen. Krabíta pikien, mára a no de foetoebói gi kau. (sprw.) Ofschoon de geit klein is, is zij daarom toch niet de bediende van de koe. Kau-foetoeboi eene soort van vogels. (Buphaga)? Boasì-man sabi hem´ fóetoe na sánti. (sprw.) De melaatsche kent zijne treden, zijn spoor, in het zand; d.i. Elk weet, waar hem de schoen wringt.
2) Etym.: Eng. ND. .
Foetóekoe znw. naam eener slingerplant, wier sap voor vergiftig wordt gehouden.
Foko-fóko znw. de long.
Fom´ ww. slaan, kloppen, stampen, geselen, kastijden, tuchtigen. Fom wam spíkri een spijker inslaan. Fom´ drom´ de trom slaan. Fom´ tontom´ tomtom stampen. Fom´ plakkáti eene wet afkondigen (met trommelsag.) Dem´ de fom´ dóro er wordt aan de deur geklopt. Lóekoe boen, mi de go fom´ joe pas op! ik zal u slaag moeten geven. Fom´fom´ slagen, kastijding, tuchtiging. Fom´ fóetoe, go! Loop spoedig daarheen. A de fom´ pássi de kom´ hij komt met spoed herwaarts.
Fóroisi znw. voorhuis. Etym.: ND. .
Fósi bijv. nw. de eerste; 2) bijw. eerst, vooraf. Dà fósi-wan de eerste. Dà fósi tron de eerste keer. Fósi-tem´ voorheen, eertijds. Fósi tem´ sóema lieden van den ouden tijd, de voorzaten. Joe fósi gij eerst. Fósi-fosi eertijds, te voren, weleer, in't eerst.
2) Etym.: Eng. .
Foto znw. het fort, de stad Paramaribo. Binnifóto het fort Zeelandia. Njóenfoto het fort Nieuw-Amsterdam, de forters. Fóto-ningre stadsslaven, in onderscheiding van plantagie-slaven. Etym.: ND. .
Fou ww. vouwen; 2) znw. vouw, plooi. Fou dem´ klósi vouw die kleederen op. A óuwroe so té a fou hij (zij) is krom van ouderdom.
2) Etym.: ND. .
Fówloe znw. vogel; 2) kip, hen; 3) pluimvee. Tiengi fówloe stinkvogel, een roofvogel uit het gierengeslacht. Jorokà-fówloe geitenmelker. (Caprimulgus.) Fowloe-kakà vogeldrek; 2) parasiet-plant, onkruid op de boomen, heesters en struiken. (Loranthus, viscum.) Mamà-fowloe een eijerleggende kip, kokhen. Mamà-fowloe fóetoe no de kíri hem´ pikién. (sprw.) De hen zal hare kuikens niet vertrappen. Wéntjè-fowloe eene kip die nog geene eijeren gelegd heeft. Fowloe-pèn vogelhuis, hoenderhok, menagerie. Fowloe-mamà de meid, die op het pluimvee past. Etym.: (Eng. fowl) .
Frákka, (flákka) znw. vlek, smet, ook huidvlek, treefvlek, gevormde schubbenvlecht. (Psoriasis figurata fucus.) 2 ww. vlekken, bevlekken.
2) Etym.: ND. .
Fránja znw. franje. Etym.: ND. .
Fréde ww. vreezen, bang zijn; 2 znw. vrees, angst, ontzag. Ji de méki mi fréde gij maakt mij bang. Dà boi no fréde, sóema die jongen heeft voor niemand ontzag. Té dà fréde kísi mi als de vrees mij overvalt. Frédeman vreesachtige, bloodaard.
2) Etym.: Eng. .
Fréida znw. Vrijdag. Etym.: ND. .
Fréiri znw. vrijer; 2 ww. vrijen.
2) Etym.: ND. .
Fri bijv. nw. vrij; 2 znw. vrijdom. Fríman een vrijgelatene, een vrij mensch, in onderscheiding van een slaaf. Friman-grón de vrijlieden-grond, eene buurt buiten Paramaribo. A gi hem´ fri hij (zij) heeft hem (haar) vrijgelaten,, den vrijdom gegeven. Friman-sóusoe haringpekel met spaansche peper. Fri swíti de vrijheid is zoet. Pótti fri den vrijdom geven, manumitteren. Frí-brifi vrijbrief, brieven van manumissie.
2) Etym.: Eng. .
Fríengi ww. werpen, smijten, gooijen. A friéngi ston nákki mi hij heeft mij met een steen geworpen. Etym.: Eng. .
Frífi ww. wrijven. Etym.: ND. .
Frigíti ww. vergeten. Etym.: Eng. ND. .
Frígrí znw. een vlieger. Settí frígri een vlieger oplaten. Spánsi frígri een spaansche vlieg.
Frikadéri znw. gehakt, frikadel. Etym.: ND. .
Frikóutoe, (froekóutoe) znw. verkoudheid, hoest, fluimen. Méki frikóutoe hoesten, fluimen opgeven. Takroe froekóutoe de tering. Joe sa kíbri ouwroe mamà, ma joe no sa kíbri hem´ froekóutoe. (sprw.) Gij zult een oude bes, een oud wijf verbergen, maar haren hoest kunt gij niet verborgen; d.i. De aap komt altijd uit de mouw. Etym.: ND. .
Fristéri znw. geluk wenschen, feliciteren. Etym.: Fr. ND. .
Fríta znw. iets dat gebakken of gefruit is. Bakjáu-fríta gebakken bakkeljaauw. Etym.: Port. .
Fróedoe znw. vloed. Njoen fróedoe jongvloed, het begin van den vloed. Da bígi-bigi fróedoe kabà het is reeds lang vloed. Etym.: ND. .
Fróekoe bijv. nw. vroeg, bijtijds, tijdig. Tamárra fróekoe-froekoe mámantem´ da foe go morgen ochtend heel vroeg vertrekken wij. Etym.: ND. .
Froekóutoe zie frikoutoe.
Fróewa znw. stof, gruis, kaf, meel vezels. Etym.: Eng. .
Fróktoe znw. vruchten, fruit. Etym.: ND. .
Frómroe ww. frommelen, kreukelen. Etym.: ND. .
Fróttoe bijv. nw. verrot, vergaan, verlegen. Dà tetéi fróttoe dat garen, dat touw is onsterk, is verlegen. Etym.: ND. .
Copyright © 2000