G - g
Gádo
znw.
God.
Gádo Mássra
God, God de Heer) ook Mássera Gado.)
Hógroe Gádo na táppoe!
Groote God in den hemel!
Nánga Gádo wánni
zoo God wil.
Gádo sábi
(verkort Ga' sábi), God weet ..., wie weet of ...
Gádo-márki
moedervlak.
Gádo-fowloe
naam van een vogeltje.
Gádo déde mi sa déde
(zoo god sterft, sterf ik ook), naam van een plantje.(Commelyna agaria Kth.)
Da mi Gádo pai joe
dat lot hebt gij aan mij verdiend; ik ben gewroken.
Di Gádo-brési, Mássera ben de na líbi jéti
toen mijn heer zaliger nog in leven was.
Etym.:
Eng.
.
Gadrì
znw.
gaanderij, galerij.
Etym.:
ND.
.
Gàgoe
ww.
stamelen, stotteren.
Gángasoe
znw.
belhamel, haantje de voorste. (De ng niet afgescheiden.).
Gangóe
znw.
Afrikaansche volksstam; 2) scheldnaam.
Gangóe-masánga
naam van een post of piket, aan de Wanica-kreek. (De n-g in beide deze woorden afgescheiden.)
2)
Etym.:
Afrik.
.
Géeri
bijv. nw.
geel.
Etym.:
ND.
.
Géersi
ww.
gelijken, lijken, gelijkenis hebben; 2 nabootsen, nabaauwen, nadoen.
Dà pikién géersi hem´ tatà tóemoesi
dat kind lijkt sprekend op zijn vader.
Dà boi de géersi joe
die jongen bootst u na, maakt uwe gebaarden, uwe stem, uwen gang enz. na.
2)
Etym.:
Port.
.
Gemè
ww.
zuchten, steenen, kermen, kreunen.
Etym.:
Port.
.
Géndri
bijv. nw.
grootsch, zwierig, rijk, (verouderd.).
Wan géndri man
een voornaam heer.
Etym.:
Eng.
.
Gi.
ww.
geven, toereiken, overhandigen, schenken, verstrekken, verleenen.
Gi wan sóema asránti
tegen zijn meerdere oneerbiedige, brutale woorden bezigen.
Gi joe bákka na plánga sei
keer uwen rug naar den wand.
Etym.:
Eng.
.
Gi.
voorz.
voor, aan, jegens, ten behoeve van.
Taki gi hem
zeg hem.
A lei gi mi
hij liegt, lastert mij.
Ho dísi a bai gi joe?
Welke heeft hij voor u gekocht?
Bégi gi mi
wees mijne voorspraak; geef, doe een goed woord voor mij.
Bégi Gádo gi wan sóema
tegen iemand den vloek van God inroepen.
Póeloe hátti gi bakrà
neem uwen hoed af voor de blanken.
Gron grátti gi sóema, mára a no grátti gi tódo
(sprw.) De grond moge glibberig voor den mensch zijn, voor de pad is hij 't piet.
Etym.:
Eng.
.
Go
ww.
gaan, vertrekken; 2 zullen.
Gó-we
heengaan.
Go wákka
gaan wandelen.
Go joe kom´
ga dadelijk heen, en kom spoedig terug.
Lóekoe boen, a de go gó-we
pas op, hij zal wegloopen.
A no de go wánni foe doe
hij (zij) zal het niet willen doen.
Wan mamà arén de go kom´
wij krijgen een zware regenbui.
Go
(als bijw.) weg, heen.
Kjári go
breng weg.
Lon go
loop spoedig heen.
Tróesoe go
duw voort.
Jári go, jári kom´
jaar uit, jaar in.
Kóngo, (kom´ go)
kom, wij!
Ji de kóngo nánga mi?
Gaat gij met mij (mee)?
Etym.:
Eng.
.
Gobì
znw.
kleine drinkkalbas, mok.
Gobo-góbo
znw.
Afrikaansche aardnoten. (Voandzeia subterranca Pet. th.).
Gobo-góbo-pesi
eene soort van peulvrucht. (Doliehos Catjang L.)
Etym.:
Afrik.
.
Gódo
znw.
groote kalbas, die voor kruik gebruikt wordt. 2 soort van pompoen.
Tiengi gódo
eene plant uit de orde der Curcurbitacëen.
2)
Etym.:
Fr.
.
Goebái, (gobai)
znw.
naam van eenen boom uit de bovenlanden. (Jacaranda filicifolia Don.).
Góedoe
bijv. nw.
rijk, vermogend; 2 znw.rijkdom, schat, bezittingen, vermogen.
Mi góedoe foe mi!
mijn waarde!
Góedoeman
rijk mensch, rijkaard, rijke lieden.
A líbi alla hem´ góedoe gi dà Mísi
hij heeft zijn geheel vermogen aan die vrouw nagelaten.
2)
Etym.:
Eng.
.
Goejába
znw.
goyave, naam eener vrucht; 2 de boom daarvan. (Psidium pyriferum L.).
2)
Etym.:
Arr.
.
Gogò
znw.
de billen, het achterdeel.
Sábiso da gogò.
(sprw.) Berouw komt te laat.
Mi tron gogò. mi de na bákka
(sprw.) De zin is: Ik ben niet meer in tel; ik heb afgedaan; mijn rijk is uit.
Gogomàgo
znw.
naam van eeng gewas, dat eene smakelijke groente oplevert. (Phytolacca icosandra. L.).
Gómma
znw.
het bezinksel van het uitgeperste kassave-sap.
Gomma-kóekoe
koekjes, daarvan vervaardigd.
Etym.:
Port.
.
Gon
znw.
schietgeweer, snaphaan, jagtgeweer, vuurroer.
Tóe-mofo-gon
tweeloops-geweer.
Kákka wan gon
den haan van een geweer overhalen.
Etym.:
Eng.
.
Gongosà
ww.
klikken, overbrengen, aanbrengen, verraden, lasteren; 2 znw. achterklap, kwaadsprekendheid, laster.
gongosà-man
klapper, klappeije, verklikker, verrader, langtong, twiststoker, lasteraar.
Mi wánni wákka nánga foefóeroeman, ma mi no wánni wákka nánga Gongosà-man.
(sprw.) Ik wil met een dief te doen hebben, maar niet met een overbrenger.
2)
Gongotè
znw.
banannen, in repen gesneden en in de zon gedroogd.
Gongotè-tontom´
de podding, van 't meel daarvan vervaardigd.
Di sóema pótti gongotè na son, da hem´ de wákka arén.
(sprw.) Die de gongotee in de zon te droogen legt, moet ook op den regen passen.
Góntoe
znw.
goud; 2 bijv. nw. gouden, van goud.
Wan góutoe riénga
een gouden ring.
Wan góutoe móni
een stuk goudgeld.
Mi góutoe papá foe mi
(uitdrukking van iemand, die vleijende wijze aan zijn meerder iets vrzoekt.)
Etym.:
ND.
.
Gòri
znw.
gulzigaard; 2 ww. verzwelgen, gulzig opslokken.
Etym.:
Fr.
.
Goro-góro
znw.de gorgel, keel strot.
Etym.:
ND.
.
Gòtro
znw.
goot, geut, sloot; gruppel, greupel, trens, gracht.
Etym.:
ND.
.
Grabóe
ww.
grabbelen, met gretigheid naar iets grijpen.
Grabóe njanjám´, ma no grabóe táki.
(sprw.) Grabbel naar spijs, maar niet naar praatjes.
Etym.:
ND.
.
Gran, (gráni)
bijv. nw.
groot, voornaam; 2 bejaard (ook als znw.).
Gran tangì
hartelijk dank.
Táki massera gran ódí
maak Mijnheer wel mijn compliment.
Granmán
de Gouverneur, opperbevelhebber, gezaghebber.
Wan gran bakrà
een voornaam heer.
Grán soema
aanzienlijke lieden; 2 bejaarde lieden.
Grán-soema-pikißn
iemand van goeden huize .
Gran Mamà
grootmoeder.
Gran tatà
grootvader.
Dà Mamà gráni kabà
die vrouw is al op hare jaren.
Joe móro gráni
gij zijt ouder.
Joe gráni móro mi
gij zijt ouder dan ik.
Mi sa gi joe dà gráni, dísi fíti joe
ik zal u de eer geven, die u toekomt.
2)
Etym.:
Sp. of Port.
.
Granáki
znw.
granaten kralen.
Etym.:
ND.
.
Gránwe, (gránoewe)
bijw.
sedert lang, lang te voren.
Gránwe tiengi fówloe de tiéngi, kom´ táki di a déde.
(sprw.) De stinkvogel verspreidt buitendien reeds geen aangenamen geur, laat staan, wanneer hij dood is.
Grapi
ww.
rennen, galopperen.
Etym.:
Fr,, ND.
.
Gràsi, (glási)
znw.
glas, drinkglas; 2 bijv. nw. glazen, van glas.
Wien-grási
wijnglas.
Grási raampi
glazen ramen.
Etym.:
ND.
.
Grássi
znw.
gras.
Mán-grassi
soort van gras. (Cyperus.)
Citróen-grassi
citroen-gras. (Andropogon schoenanthus.)
Etym.:
ND.
.
Grátti, (glátti)
bijv. nw.
glad, glibberig;2 ww. glijden, uitglijden.
Lóekoe boen, joe no grátti fadòn.
Pas op, dat gij niet uitglijdt.
Etym.:
ND.
.
Graumónoekoe
znw.
graauwmunnik, een visch van dien naam.
Etym.:
ND.
.
Grefi
znw.
graf, grafkuil, grafzerk, grafteeken.
Etym.:
Eng.
.
Gríbisi
znw.
naam van eene wilde boomsoort.
Grídi
bijv. nw.
gierig, gulzig, vratig; 2 znw. gulzigheid, overgroote begeerlijkheid.
Grídi-man
vraat, gulzigaard, vrek.
Joe no grídi foe mi kwéti-kweti
gij hebt volstrekt geene behoefte aan mijne vriendschap; gij zijt mij niet genegen; gij taalt niet naar mij.
2)
Grien
znw.
meel (bij zamenstelling in gebruik.).
Karoe-grien
gestooten of gemalen mais of turksche tarwe.
Aréisi-grien
meel van rijst.
Etym.:
Eng.
.
Grí-gri
hulp- geluidwoord.
dat loopen uitdrukt.
Alon grí-gri
hij liep als de wind, hij vloog.
Gríkibi
znw.
brietjebuur, (in Britisch-Guyana Kiskedi) naam van een vogeltje, dat een dergelijk geluid maakt. (.
Gríti
ww.
tusschen twee steenen fijn malen, fijn wrijven, raspen.
Etym.:
Eng.
.
Gro
ww.
groeijen, opgroeijen, toenemen.
Mi héde de gro
de haren rijzen mij te berge.
Mi skíen de gro kóuroe
(of ook:
Mi skíen de gro)
ik krijg kippevel, ik huiver.
Etym.:
Eng.
.
Groen
bijv. nw.
groen, onrijp.
Groen-gróen
znw. kroos mos, dat zich bij vochtigheid op steenen zet.
Gróen-harti
groenhart, een soort van timmerhout
Etym.:
ND.
.
Gróffoe
bijv. nw.
grof, groot, kloek.
Dà móro gróffoe wan
(van kleine voorwerpen) de grootste.
Etym.:
ND.
.
Gron
znw.
grond, stuk land, erf, plantaadje, oord; 2) de grond, de aarde de bodem.
Njanjám´-gron
kostgrond.
Soekroe-grón
suikerplantaadje.
Santi-grón
eene plantaadje of grond, waar de bodem zandig is.
Boassí-gron
inrigting voor de melaatschen.
Massra go na gron
Mijnheer is naar het veld, naar de gronden.
Grón-tapoe
de wereld, de aarde.
Mamàfoegron
de beschermgeest van de plaats, van de plantaadje, van het oord.
Gron-fóetoe
de eigenlijke voet, in tegenstelling van het been. (fóetoe).
Na gron
beneden, neder.
Pótti na gron
zet het neder.
Sakka da báksi na gron
zet die mand op den grond neder.
Sákka kom´ na gron, kom beneden.
2)
Etym.:
ND.
.
Gróto
znw.
gort, grutten, garst.
Etym.:
ND.
.
Copyright © 2000