H - h

H.
Hábi ww. hebben, bezitten, houden. Mi no hábi nótti ik heb niets. Dà lámpoe no hábi óli er is geen olie in de lamp. Dà Sísa, dísi hábi Mássera so-wan so die vrijster, die vrouw, welke met Mijnheer N.N. leeft. foe no ha' (verkort voor hábi) foe go moro gij behoeft niet meer te gaan. boen na ha' tangí. (sprw.) Goeddoen vindt geen dank. Etym.: Eng. Port. Sp. .
Háfoe bijv. nw. half, znw. de helft;2) een aandeel, gedeelte. Gi mi háfoe geef mij ook wat; deel er mij wat van mede. Háfoe pássi half weg, een eind weegs. Mi sa tjári Joe háfoe pássi ik zal u een eind weegs begeleiden. Fa joe tan? - Háfoe-hafoe so, of háfoe so. Hoe vaart ge? Redelijk wel. A líbi dà wróko háfoe-pássi pótti de hij heeft het werk onafgemaakt daar achtergelaten. Páttoe fóeloe, tappóe sa kísi háfoe. (sprw.) Als de pot vol is, krijgt het deksel er ook wat van.
2) Etym.: Eng. .
Hágoe znw. varken, zwijn. Hagoe-méti varkensvleesch, spek. Hagoe-fáttoe reuzel. mán-hágoe een beer. Hóeman-hagoe eene zog, zeug. Pikíen-hagoe bigge, speenvarken. Hagoe-pén varkens-kot, hok,-pen. A dróengoe leki wan hágoe hij zoo dronken als een zwijn. Watra-hágoe watervarken. Etym.: Eng. .
Hai znw. oog, oogen (in alle betekenissen). Mi hai de lon wátra mijne oogen tranen. Watra-hai tranen. soro hái oogziekte, zeere oogen. Hái-boeba de oogleden. Blákka foe hai de oogappel. Hái-drai duizelig. Broko-hái blik van verachting. Bigi-hái (als bijv. nw.) gulzig. begeerig. Ogri-hái wangunst; vijandige blik, waaraan de Negers veel kracht hechten. Tranga-hái (als bijv. nw.) vrijpostig, vermetel. Da wan tranga-hái boi foe troe dat is dan een regt vrijpostige jongen. hai na hai in iemands gezigt, onder zijne oogen. Hai na hai, Joe de kóli mi gij fopt mij met opene oogen. Hai na hai so mi sa tóri joe ik zal u verklappen, waar gij bij staat. Tan na hai waken, opblijven. Héli néti mi de na hai ik heb den geheelen nacht geen oog digt gedaan. A no kan si mi na hai hij kan mij luchten noch zien. Hiti wan hai gi mi na dà pikíen houd dat kind even in 't oog voor mij. Pótti hai toezien, opletten, oppassen. Póeloe hai gi wan soema iemand vermanen, berispen, beknorren. Píri hai goed toekijken. Píengi hai wenken, een wenk geven. Hai foe fóetoe de enkels. Hai foe nanái het oog van eene naald. Wan hai károe, wan hai krára een maiskorrel, eene enkele koraal. Wan hai sóutoe een weinig, een kriezel zout. Etym.: Eng. .
Hákka znw. havik, roofvogel. Báboen-hakka naam eener soort van roofvogel. Etym.: Eng. .
Hákka znw. haak, weerhaak, boothaak, puthaak. ww. haken, vasthaken; 2) blijven steken. A hákka mi 't blijft mij in de keel steken.
2) Etym.: ND. .
Haksi ww. vragen. (zie aksi).
Háli, (hári) ww. halen, trekken, rekken, aanhalen. Háli wági den wagen trekken. Hali kom´ trek, haal naar u toe. Háli bákkam een weinig liggen rusten. Háli Jési iemand aandachtig maken, vermanen. Háli fóetoe eene buiging, een compliment, "dienaar" maken, op de wijze der Negers, door het aanhalen van den eenen voet. Nanái de háli tetéi, tetéi de háli nanái (sprw.) De naald trekt den draad en de draad trekt de naald. De zin eis: wij hebben elkander onderling noodig. Di a háli kom´ só-sei toen dezen weg heen trok. Háli dóro. Blijf zoo doorgaan; )onbep ww.) regt toe, regt aan loopen, in eens doorgaan, zonder ophouden. Joe moe háli réti ópoe gij moet al regt uit gaan. Kom´! kom´! háli bóto, méki wi dóro! kom aan! roeit wat aan, dat wij er spoedig komen! Etym.: ND. .
Hamákka znw. bangmat. Hamákka-tetéi touw waaraan de hangmat wordt vastgemaakt. Etym.: Port. .
Han, (hánoe) znw. hand, arm, handvat, steel, twijg van een rank gewas. Ondro-háoe de oksel. A hábi wan pikíen na hánoe zij heeft een zuigeling. Dem holi dem´ sréfi na ondro hánoe zij gingen arm in arm. Wan han baäna eene hand (gedeelte van eenen tros) banannen. Dà pampoen de gi hánoe die pompoenplant schiet reeds zijtakken uit. Etym.: ND. .
Hánga onz. ww. hangen;2 bedr.ww. ophangen.
2) Etym.: ND. .
Hangísa znw. doek, zakdoek, halsdoek, das. Sakka-hangísa neusdoek, zakdoek. Etym.: Eng. .
Hángri znw. honger; 2) ww. honger hebben, lusten, verlangen, naar iets haken. Hángri de kíli mi ik heb honger. Sríbi na hángri zonder eten naar bed gaan. Mi sa hangri njam´ tokofisi ik zou wel stokvisch lusten. Mi hangri foe si hem´ ik verlang er naar, om hem te zien. Etym.: Eng. .
Hánskoen znw. handschoen. Etym.: ND. .
Hárdri znw. naam van een visvh, harder. Etym.: ND. .
Hárki znw. hark, tuinhark. Etym.: ND. .
Hárki znw. galg. Etym.: ND. .
hárki ww. luisteren, toehooren, aanhooren. Pótti Jesi, harki bóenboen wees oplettend en luister goed toe. Dà pikíen no de harki sóema dat kind is ongehoorzaam. Joe no de harki san mi de taki gij luistert niet naar hetgene ik zeg. Etym.: Eng. .
Harnítri znw. Hernhutter. Zie Arnítri.
Hássi znw. paard, merrie, hengst, ruin. Man-hassi hengst. Pikíen hassi veulen. Hassi-fisi eene soort van visch. Waka na hasi tapoe te paard rijden. Etym.: Eng. .
Hássoewa ww. om het best, om het hardst iets doen, wedloopen, wedrennen, wedstrijden, wedijveren. Etym.: ND. .
Hátti znw. hart, maag, borst, inborst, gemoed. Hatti-síki hartklopping, aamborstigheid, kortademigheid. Hátti fadón beklemming op de borst, maagkrampen. Hatti-lobi geliefde. Hatti-brón ergernis,toorn, kwade luim. Bóen hatti goedhartigheid, welwillendheid, 2 ook bijv. nw. goedhartig. Ogri-hatti kwaadaardigheid, boosheid, boos opzet, kwaadwilligheid. A`! kabà! no méki mi hatti bron kom, schei uit! maak mij niet boos. Té Joe hatti kom´ kóuroe als gij tot bedaren gekomen zult zijn. Mi hatti de na tápoe-tapoe ik beef van angst. Di mi póeloe wi bére gi joe, mi hátti sidón na ik u alles bekend heb, ben ik gerust, is er een pak van mijn hart. Háb' atti voor habi hatti), heb het hart... Hab' atti, komópo! Waag het eens om er uit te komen, zoo gij durft. Téki Hátti ! schep moed ! Táppoe hátti, dríengi ! Kom aan! houd moed ! drink 't in eens leeg! Mi hátti de tron ik ben misselijk. Mi skríkki so te, mi hátti go-wé ik schrikte zoo geweldig, dat mijn hart mij ontzonk. hátti-wéri bleekzucht, hartkloppig.
2) Etym.: ND. Eng. .
Hátti znw. hoed. Tóm´ hatti opgetoomde hoed, steek. Wéri joe hátti zet uwen hoed op. Póeloe hátti gi wan soema voor iemand den hoed afnemen. Manki-hátti strooijen hoed, stroo-hoed. Etym.: Eng. .
Hátti ww. zeer doen, pijn verwekken;2 leed doen, krenken. Bere-hátti, hede-hátti enz. buik-hoofdpijn. Hatti-hóso hospitaal, gasthuis. A hátti mi foe troe het spijt mij wel, het doet mij zeer leed. Joe doe mi wan hátti sannì gij hebt mij zeer gegriefd, gekrenkt. Wan sóro no hátti toe sóema. (sprw.) Eene wond kan niet twee menschen zeer doen. Etym.: Eng. .
Hátti bijv. nw. heet, gloeijend. Son hátti de zon is heet. Dà ízrí hátti kabà dat ijzer is al gloeijend. Etym.: Eng. .
Hébi bijv. nw. zwaar, moeijelijke; 2) znw. zwaarte, gewigt, last. Wátra tja hébi. (sprw.) Het water kan zware lasten dragen. Mi skien kom´ hébi foe go ik zie er tegen op om te gaan. Mi tóngo hébi foe tákki ik kan er niet toe komen om het te zeggen.. Etym.: Eng. .
Héde znw. hoofd, kop, hoofd-eind, top, het bovendste. Hede-mán opperhoofd, opperste, aanvoerder. Hede-hátti hoofdpijn. Bóen-hede voorspoed, geluk, zegen;2 bijv. nw. voorspoedig. Ogri-héde ongeluk, tegenspoed. Tranga héde koppigheid; 2 bijv. nw. halsstarig, ongehoorzaam. Dà héde foe dà bóto de voorsteven van de boot. Tóe-hede snéki eene soort van slangen, met stompen staart. Foe sán hede? (ook sán-hede?) Waarom??? Da foe dátti héde het is daarom, uit dien hoofde. Foe jóe-hede om uwent wil.
2) Etym.: Eng. .
Hei bijv. nw. hoog; 2 znw. hoogte, verhevenheid. 3 ww. ophoogen.
3) Etym.: Eng. .
Hei znw. Surinaamsche haas. Etym.: Arr. Eng. .
Héli, (héri) bijv. nw. heel, geheel, gansch. Mi héli skien mijn ganse lijf. Dà héli kóndre het gansche land. Bóli heli-héli heel koken (niet stuk koken of stoven.) Etym.: ND. .
Hélpi ww. helpen. (Meestal uitgesproken Jerépi.) Zie daar. Etym.: ND. Eng. .
Hem´ vnw. hij zij, hem, haar. (Hem` wordt in den eersten naamval gebruikt, om het gezegde van een ander over te brengen, gelijk in het eerste voorbeeld.) 2.bezitt. vnw. zijn, zijne, haar, hare. A tákki: hem´ no kan doe hij (zij) zegt, dat hij (zij) het niet kan doen. A téki hem´ sannì bákka hij (zij) heeft zijn (haara0 goed terug genomen. Da hem´ datti die (dat) is het. Da hem´ daarom, (verkort voor da hem` héde) uit dien hoofde. Da hem´ mi ta'i gi joe, tákki... deswege zeide ik u, dat...
2) Etym.: ND .
Hémpi znw. hemd. Etym.: ND. .
Hénsri znw. hengsel. Etym.: ND. .
Herépi ww. helpen. zie jerépi.
Heríng, (herén) znw. haring. Herén-watra pekel van haring. Herén-barì haringvat, harington. Etym.: Eng. .
Hési bijv. nw. spoedig, snel; 2. bijw. gezwind, met spoed. Méki hési rep u, maak spoed. Hési-hesi haastig. Agamà táki: hési-hesi boen, sáfri-sáfri boen toe. (sprw.) De Agamà zegt: haastig is goed, maar het bedachtzaamheid is ook goed; - d.i. langzaam gaat zeker;- of: haast u langzaam. Hesi-hesi lóbi eene snel ontvlamde liefde. Etym.: Eng. .
Hiä Zie Jä.
Hípi znw. hoop, stapel, menigte; 2 ww. opgehoopt. Dotti-hípi vuilnishoop, mestvaalt. Na hípi-hipi ophoopen, opeengestapeld. Dem´ hípi dem´ sréfi drape (de dape) zij hebben zich daar in menigte bijeenverzameld, zij zijn daar zamengeschoold. Etym.: Eng. .
Híti ww. werpen, gooijen, nedergooijen, vellen, storten. Da joe híti mi gij zijt oorzaak, dat ik ben gevallen. Híti na hólo misleiden, voor den gek houden, jokken. Etym.: Fr. Sp. .
Ho vragend vnw. Welke, wat? (ook enkel o.). Ho pé? (voor na ho plési?) Waar? Ho sóema. wie? Ho dísi? Wie? Ho fa? (voor ho fasi?) hoe? men zegt ook, nog korter: pe? Waar? Sóema? Wie? Fa? hoe? Ho langa? hoe lang? Ho méni? Hoe veel? Ho sóortoe? Welke? Etym.: Eng. .
Hódi znw. groet. Zie ódi.
Hóedoe znw. hout, timmerhout, brandhout. A go na hóedoe hij is hout gaan hakken. Hóedoe no de, mi téki tetéi pótti na faja. (sprw.) Daar er geen hout is, gebruikt ik ranken (rijs) om te branden. Etym.: Eng. .
Hóekoe znw. hoek;2 vischoek, vischaak; 3 ww. hengelen. Bifò joe kótti hóokoe eer gij den hoek omgaat;- voordat gij aan dien hoek, aan die dwarsstraat komt. Drai hóekoe den hoek omgaan. Spáan-hoekoe de spaanhoek, eene plaats te Paramaribo, waar vijf straten op één punt te zamen komen. Sétti hóekoe vischlijnen stellen. Ago hóekoe hij is uit hengelen.
3) Etym.: ND. .
Hóeman, (oeman) znw. vrouw, wijf; meid;wijfje van een dier. Hóeman-pikíen meisje, in onderscheiding van een dier. Pikjoeman (verkort van pikíen hóeman) meisje, opgeschoten deern, jonge meid. Bakróeman (verkort van bakrà-hoeman), dame blanke vrouw. Ningróeman negerin, negermeid, negervrouw. Wan hóeman-soema een vrouwpersoon. Dà man-wan nánga dà hóeman-wan het mannetje en het wijfje (van dieren.) Hóeman-anési eene plant van dien naam. (Pothomorphe peltata MIQ.) Etym.: Eng. .
Hóenoe pers. vnw. meerv. gij lieden. Zie Oenoe.
Hoeré tusschenw. hoezee, vivat. Bari hoeré juichen. Etym.: Eng. .
Hóeroe znw. hoer; 2 ww. de hoer spelen, hoererij spelen.
2) Etym.: ND. .
Hófroe znw. overgeven, braken. Zie ofroe.
Hógrie bijv. nw. kwaad. Zie Ogrie.
Hógroe Zie Ogroe.
Hóho znw. tweeling. Dem´ toe brara da hóho dat zijn tweelingbroeders.
Hóli, (hóri) ww. houden, vasthouden, tegenhouden, inhouden, volhouden,uithouden. Hóli dan houd dan vast. Hóli dóro ga op die wijze voort, houd vol. Hóli blo den adem inhouden. Dà klósi no de go hóli dat goed is niet sterk: het zal niet duurzaam zijn. Datti no sa hóli mi bére het is niet genoegzaam voedsel voor mij. A no de go hóli te temárra. het zal niet goed blijven tot morgen.
Hólo znw. gat, opening, kuil, graf, scheur, reet, hol. Díki hólo een kuil graven. Méki hóli gaten maken. Watra-hólo watergat, wel, bron. Dà bróekoe de nanga holo-hólo die broek is vol gaten, scheuren. Planga-hólo reet tusschen de planken. Kakà-hólo nnrs; 2 het onderste of het achterste van eenig voorwerp. Etym.: Eng. .
Hóndro telw. honderd. Wán-hondro honderd. Tóe-hondro twee honderd. Wán-hondro sranàm-mónni honderd gulden Surinaamsch courant. Etym.: ND. .
Hóni znw. honig. Honi-kakà was. Etym.: Eng. .
Hónti ww. jagen, op de jagt gaan. A go hónti hij is gaan jagen, hij is op de jagt. Hóntiman jager. Hóntiman go na bóesi, álla sanní di a si, a no moe táki. (sprw.) Wanneer de jager in het bosch geweest is, moet hij niet alles vertellen, wat hij gezien heeft. Etym.: Eng. .
Hónwroe znw. houwer, sabel, jagtmes, hartsvanger.
Hópo ww.en bijw. nw. Zie Opo.
Hóso, (óso) znw. huis, woning, hut, nest, schaal van een dier. Bakrà-hóso woonhuis van den meester. Ningre-hóso negerwoningen. Pák-oso pakhuis, winkel. Pikíen-oso, (pikjónso) gemakhuis, sekreet. Pína-hoso hut van pina-bladeren. Marabónsoe-hoso wespen- (marabonzen) nest. Na hóso, te huis naar huis. Tan na hoso-séi. blijf bij huis. Opo hóso de gebindten van een huis oprigten. Sekrepáttoe no wanni tróbi, a tjari hem´ hóso na hem bákkae. (sprw.) De schilpad wil geene onaangenaamheden, en draagt daarom haar huis (hare schaal) met zich op den rug. Krabboe-hóso; schaal van den krabbe;2 het ingewand, dat in de schaal is vervat.
2) Etym.: Eng. .
Copyright © 2000