K - k
Kà
tusschenw.
uitdrukking van verwondering.
Kà! jére tóri!
Alle menschen, hoor mij dat eens aan!
Kabà
ww.
uitscheiden, ophouden, eindigen, afloopen, afkrijgen, opteren, opmaken, vegaan.
Kabà dan!
schei toch uit!
A kabà
het is uit; het is op; het is afgeloopen.
Kabà jére!
Houd op met schreijen, mijn kind!
Dà djógo kabà
die pul is leeg.
San joe njam´, a no kabà?
(sprw.) Hebt gij dat eten nu al op?
Bere hátti de kabà mi
ik verga van buikpijn.
Joe no hábi kabà
gij weet van geen uitscheiden.
Dápe sóema kabà, dágoe de njam´ na fó préti.
(sprw.) Waar geen menschen meer zijn, eet de hond uit vier borden.
Etym.:
Sp. , Port.
.
Kabà
bijw.
reeds alreede.
Son ópo kabà
de zon is al op.
Kabà
voegw.
echter nogtans, evenwel, terwijl.
Krabíta fréde kóekroe, kalà na kóekroe dem´ de go bóli hem.
(sprw.) De zin is: Gij vreest het gevaar, en echter is het onvermijdelijk.
Joe hábi tíli na joe han, kabà joe méki dágoe béti joe.
(sprw.) Gij hebt een stok in de hand, en evenwel laat gij u door een hond bijten.
Ouroe Níngre kóti wan ódo, taki: té wan sóema skóppoe joe, kaba joe no skóppoe hem bákka, a táki joe fóeloe no lánga.
(sprw.) De oude Negers hadden een spreekwoord, dat wanneer iemand u schopt, en gij hem niet terug schopt, gij den naam krijgt, dat uwe beenen tekort zijn.
Sóema sa hóli toetóe, kabà tráwan kóti méti?
Wie zal de horens (van het beest) houden, terwijl een ander van het vleesch snijdt?
Kabálki
znw.
kabaaitje, rond huis, baaitje.
Etym.:
ND.
.
Kabóegroe
znw.
karboeger, zoon of dochter van een mulat en eene Negrin, of van een Neger en eene mullatin.
Jéngi-kabóegroe
zoon of dochter van een Indiaan en eene Negerin, of van een Neger en eene Indiaansche vrouw; Indiaansche karboeger.
Kádami
tusschenw.
vloekende uitroep.
Fa joe de méki so wan kádami so dan?
Waartoe toch al dat getier?
Etym.:
Eng.
.
Kadíri
znw.
quadrille, zekere dans.
Etym.:
Fr.
.
Káiman
znw.
guyaansche krokodil, kaiman.
Etym.:
Afrik.
.
Kajákaja
bijv. nw.
ruig verward.
Kajakája-fówloe
eene soort van kippen, wier veeren verkeerd staan.
Kakà
ww.
zijn gevoeg doen; 2 znw. uitwerpsel, drek, droesem, mest.
Kaká-físi
eene soort van visch.
Fowloe-kaká
vogeldrek,-mest; 2 onkruid op de boomen, behoorende tot de Loranthaceën. (Loranthus viscum.)
Kaká foe hai
vuil, eter, door zeere oogen uitgeworpen.
Seebien tárra-kaká
een glibberige uitslag op den grond, in den regentijd.
Smítti-kaká
uitgebrande steenkolen.
Lólokisi-kaká
gom uit den Lokust-boom.
Koffí-kaká
koffidik.
Kaka-hólo
achterste, aars.
Honi-kaká
was.
2)
Etym.:
Port.
.
Kákka
znw.
haan; 2 haan van een geweer.
Kákka de bári
de haan kraait.
2)
Etym.:
Eng.
.
Kákka
ww.
zich schrap zetten.
A kákka dhem´ sréfi de lóekoe mi
hij ging daar pal staan, mij aan te kijken.
Kakoebén
znw.
kakebeen, kin, kinnebak.
Etym.:
ND.
.
Káli, (kári)
ww.
roepen, aanroepen, noemen, uitnoodigen, lokken.
Káli Mássra kom´ njam´
roep Mijnheer om te komen eten.
Go káli bassía
ga den bastiaan zeggen, dat hij hier kome.
Fa joe káli dísi?
Hoe noemt gij dit?
Sóema káli mi nem´?
Wie heeft mijn naam genoemd?
Káli kómoe
gasten noodigen.
Iffi joe líbi dà károe, de, da foe káli arátta
als gij dat koren laat liggen, zult gij de ratten lokken.
Etym.:
Eng.
.
Kaliko
znw.
gedrukt katoen, calico.
Kamawári
znw.
eene soort van groote vogels.
Kami-kami
znw.
vogel van dien naam. (Psophia erepituus L.).
Etym.:
Arr.
.
Kamína
znw.
een gewas, dat tegen de boomen klimt, en waarvan de stengel in 't bosch als touw wordt gebruikt bij de Saramaccaansche Boschnegers Sipó.
Kamina-tetéi
bosch-touw.
Kamísa
znw.
smalle, langwerpige doek, dien de mannegers dragen.
Etym.:
Sp., Port.
.
Kam´-kám´
znw.
kam voor het haar; kam van een haan. enz.
Bóesi kan-kám´
de stekelige vrucht eener slingerplant.
Kankám´-hoedoe
eene soort van hout.
Etym.:
ND.
.
Kámpoe
znw.
kamp, kampement, hut.
kióri-kámpoe
kamp van schuilers. weggeloopen slaven.
Etym.:
ND.
.
Kámra
znw.
kamer, vertrek.
Fisíti-kamra
zaal, vertrek, om gezelschap te ontvangen.
kamra-wén'tje
kamermeisje, kamenier; 2 eene soort van timmerhout; 3 eene soort van kleine hagedis.
3)
Etym.:
ND., Port.
.
Kan
ww.
kan, kruik.
Watra-kán
waterkan; waterkruik.
Melki kan
melkkan.
Etym.:
ND.
.
Kan
ww.
kunnen, vermogen.
Mi no kan
ik kan niet.
So hési léki di mi sa kan
zoo spoedig het mij doenlijk zal zijn.
Etym.:
ND.
.
Kanáli
znw.
knaal, gegraven vaart.
Etym.:
ND.
.
Kanárri
znw.
fielt, guit, schurk; 2 bijv. nw. scheimsch.
Wan kanárri-boi
een ondeugende jongen, gaauw dief, schavuit.
Etym.:
Fr.
.
Kándra
znw.
kaars.
Fattoe-kándra
smeerkaars.
Kandra-fáttoe
kaarsvet, kaarssmeer.
Kandra-tíki
kandelaar.
Léti wan kándra
eene kaars opsteken, aansteken.
Kóti kándra
de kaars snuiten.
Kíli kandra
de kaars uitdoen.
Boesiníngre-kandra
hars van een boom uit de orde der Terebinhaceeën.
Kandra-hóedoe
heester uit de binnenlanden.
Soekroe-kándra
kandij.
Kanéri
znw.
kaneel.
Etym.:
ND.
.
Kanífro
znw.
jobstranen, een gewas uit de orde der Gramineën, waarvan de pitten als kralen worden gedragen.
Kánkan
hulw.
een onbewegelijken toestand aanduidende.
A tanápoe de kánkan de loekoe mi
hij bleef daat stokstijf staan, mij aan zien.
Kánkantri
znw.
een groote boom van dien naam: een der afgoden der Heidensche negers. (Bombax Ceiba?).
Etym.:
Eng., Arr.
.
Kánniki
znw.
kannetje, kruikje kruik.
Wan kánniki bíri
een kruik bier.
Etym.:
ND.
.
Kanón
znw.
kanon, geschut.
Kanón sóetoe kabà
het kanonschot is reeds gevallen.
Etym.:
ND.
.
Kánti
ww.
omgooijen, omhalen, op zijde hoeden, inschenken; 2 onz. ww. op zijde vallen, overhellen, op zijde liggen; 3 een boom vierkant disselen.
Kánti wátra
water inschenken.
Dà bom´ kánti, ma a no fadón jéte
die boom helt omver, maar is nog niet gevallen.
Kánti wan pikíen
een kind, op de wijze, als bij de Negerinnen in gebruik, op den schoot houden met het hoofd van zich af, op zijde liggende, en het met de eene hand den neus digt houden, enmet de andere hetzij pap, hetzij medicijnen, in den mond gieten.
3)
Kánti
znw.
kant; 2 bijv. nw. kanten; van kant vervaardigd.
Wan kánti dóekoe
een kanten doek.
2)
Etym.:
ND.
.
Kantóro
znw.
kantoor, schrijfvertrek, bureau.
Etym.:
ND.
.
kapàdoe
ww.
snijden of onmannen van varkens, schapen enz.
Kapádoe-hágoe
gesneden of mestvarken.
Etym.:
Port.
.
Kapasi
znw.
schildvarken, armadil. (Dasypus.).
Kapasì-marabónsoe
eene soort van groote, zwarte wespen, wier steek hoogst pijnlijk en zelfs gevaarlijk moet zijn.
Kappasì-snéki
eene soort van slangen.
Etym.:
Arr.
.
Kapoewà
znw.
watervarken.
Etym.:
Arr.
.
Kapoewéri, (kapoewíri)
znw.
struikgewas, ruigte, verwilderd kreupelhout.
Kapoewéri-markoesà
eene vrucht van dien naam.
Dà sabàna de gro na kapoewéri
die savane (weide) groeit in 't wild'schiet in ruigte op.
Etym.:
Brazil.
.
Káppa
anw.
suikerketel.
Etym.:
Eng.
.
Káppoe
ww.
kappen, hakken, houwen.
Káppoe hóedoe
hout hakken.
Káppoe kin
suikerriet kappen.
Dem´ káppoe dà kan
men heeft die koe een' houw toegebragt.
Károe
znw.
Indiaansch of turksch koren.
Njoen károe
jonge versche mais.
karoe-ton'óm
podding van 't meel daarvan.
Karoe-gríen
mais, meel.
Karoe-tiki
de stok, de spil, waarvan de mais-korrels vastzitten.
Wan hai károe
een mais-korrel.
Etym.:
Eng.
.
Kàrta
1)
znw.
speelkaart.
2)
twee gulden tien stuivers, oud Surinaamsch kaartengeld.
Prei-kaarta
kaart spelen.
Drie kaarta
zeven gulden tien stuivers, oud sur., d.i. 2,40 Ned.
Drie bigi kaarta
dertig gulden, oud sur., d.i. f 9, 60 Ned.
Gebruik: Men kan niet zeggen wan, toe, fo, aiti of meer kaarta; wel féifi, siéksi, séibien kaarta. (Zie op: Sren) Voor wan bigi kaarta zegt men tien pisi fo: zoo ook voor toe b. k. twinti pisi fo. Daarentegen zigt men fo, féifi, siéksi, séibien, áiti, néigien bigi kaarta. Voor tien bigi kaarta, zegt men wan hóndro Sranám.
2)
Van: Port.
Etym.:
carta
.
Karwíroe
znw.
roode verw, die door de indianen wordt vervaardigd.
Etym.:
Brazil., Arr.
.
Kasába
znw.
kassave, zoowel zoete (Jaripka) als bittere (jatropba.) Manihol, maniok;2 kassave-brood.
Kasába-watra
het uitgeperste sap van de bittere kassave, dat, gekookt zijnde, kassrípo heet.
2)
Kassrípo
znw.
het gekookt sap van de bittere kassave.
Kastísi
znw.
kasties, zoon of dochter van een blanke en eene mestiezin, of van eenen mesties en eene blanke.
Etym.:
Sp.
.
Katasóe
znw.
deksel of hoes, van leder of van eene onglooide dierenhuid vervaardigd, ter beveiliging van het slot van een jagtgeweer, (bij de boschnegers of bovenlandsche slaven in gebruik.).
Katíbo
znw.
slaaf; slavernij (verouderd).
A déde na katíbo
hij (zij) is in slavernij gestorven.
2)
Etym.:
Port.
.
Kátti
znw.
eene soort van visch zonder schubben.
Spriki-kátti
spiegelkat, een visch van dien naam, eigenlijk spikkelkat.
Kau
znw.
koe, rund, os rundvee.
Pikien-káu
kalf.
Mán-kau, bóeroe-kau
stier, bul.
Kau-méti
ossenvleesch, rundvleesch.
Kau-bére
pens.
kau-káka
koemest.
Kau-máka
eene soort van dwergpalm met stekels.
Kau-fréi
koevlieg, horzel.
Kau bóekoe hem´
hij is beschonken.
Kau- foetoebói
een zwarte, ook smon`e vogel geheeten.
Etym.:
Eng.
.
Kau
ww.
kaauwen, herkaauwen.
A kau dà wátra
hij is beschonken.
Kau tifi
op de tanden knarsen.
Etym.:
ND. Arr.
.
Kawína
nw.
de rivier Commewijne.
Pikíen Kawína
de Commewijne-kreek, klein Commewijne.
Ké
tusschenw.
Och! (uitroep van medelijden, om medelijden te verwekken.).
Ké! póti, Mofína!
Och! arme ziel!
Ké! hm! íffi mi ben sábi so!
Helaas! als dat geweten had!
Ké Mássra! mi bégi joe.
Och! Meester! ik bid ik smeek u!
Ké
ww.
om iets geven, zich om iets bekrennen.
Mi no ke
het kan mij niet schelen: 't is mij onverschillig.
San mi ke?
Wat geef ik er om? Wat gaat het mij aan?
A no ke foe fonfom´
hij (zij) geeft niets om slaag.
Etym.:
Eng.
.
Kédre
znw.
kelder, keldertje.
Sopi-kédre
zoopjes-keldertje, drank-kistje.
Keké
znw.
spintuig der negerinnen en indiaansche vrouwen.
Drai-keké
spinnen.
Kékreke
hulpw.
stijfheid aanduiidende.
A steifi kékreke
hij (zij, het) is zoo stijf als een hout.
Ken, (kin)
znw.
suikerriet.
Ken-péili
de bloemstengel van het suikerriet.
Etym.:
Eng.
.
Kerki
znw.
kerk, bedehuis, tempel.
Go na kérki
ter kerke gaan; 2 Christen worden.
Kérki sidón kabà
de kerk is al aan.
A no de na kérki jéte
hij (zij) is nog niet tot het Christengeloof overgegaan.
Djóe-kerki
synagoge, jodenkerk.
Kerki-séi
plein rondom de Hervormde kerk te paramaribo, kerkplein, vroeger het Oranje-kerkhof.
Etym.:
ND.
.
Kétlen, (Keti)
znw.
ketting, keten.
Wan góutoe kétien
een gouden ketting.
Etym.:
ND.
.
Kíbri
znw.
bewaren, behoeden, bergen, wegbergen, verbergen, verschuilen, verstoppen, schuilen, zich schuil houden.
Mi sa kíbr' hem´ gi joe
ik zal 't voor u bewaren.
Gádo kíbri mi!
God behoede mij!
Pe joe kíbri dem´ sanì?
Waar hebt gij die dingen geborgen?
Lon, go kíbri!
loop heen en verschuil u!
Kíbri arén
voor den regen schuilen.
Wan kíbri-fasi
heimelijk, verscholen, in 't verbolgen.
Kibri-kámpoe
ligt opgeslagen hutten van ijdelijke wegloopers, of van slaven, die zich voor eenigen tijd schuill houden.
Snéki-kíbri hem´ sréfi, tron abóma
(sprw.) De zin is: Wanneer men kwaad verbergt, wordt het erger.
Joe kan kíbri óuroe-mamà, ma joe no kan kíbri hem´ froekóutoe.
(sprw.) Gij kunt een oud wijf verstoppen, maar haar hoesten zal haar verraden.
Kíki
ww.
stooten, duwen.
kíki lákka
zich achteruit rukken, zich terug trekken.
Etym.:
Eng.
.
kíli, (kíri)
ww.
dooden, vermoorden, ter dood brengen, slagten, uitblusschen, uitwisschen, dood doen, overtreffen, iemand ongeluk of aangenaamheid op den hals halen.
Kíli hágoe - dóksi
een varken, eene eend enz. slagten.
Króetoe táki, dem moe kili hem´
het hof heeft beslist, dat hij (zij) zal worden ter dood gebragt.
kíli kándra, - fája
de kaars uitdoen, het vuur, het licht uitdoven.
Dà wiwíri boen foe kíli lotà
dat kruid bezit de kracht om lotà-vlekken uit te wisschen, te verdrijven.
Hángri, slíbi de kíli mi
ik heb grooten honger, groote vaak.
A kíli boekóe
hij (zij) is zoo lelijk als de nacht.
Mássra-níngre! ó! dà pikíen kíli mi!
Hemelse goedheid! dat kind heeft mij in 't ongeluk gebragt!
Etym.:
Eng.
.
Kinì
znw.
knie.
Pótti kinì na gron
knielen, nederknielen.
Kau-kinì, Bem´-kinì
achterbuurten van paramaribo.
Etym.:
ND.
.
Kínki
ww.
ruilen, verruilen, wisselen, verwisselen, veranderen.
kínki bóeba
vervellen, van huid verwisselen (van eene slang.)
kínki wiwíri
ruijen (van gevogelte.)
Kínki spéri
beurt houden.
Kísi
znw.
kist, kistje.
dede-kísi
doodkist.
Skrifi-kísi
schrijf- kistje.
Etym.:
ND.
.
Kísi
ww.
krijgen, ontvangen, vatten, vangen, grijpen, bereiken, inhalen, toereikend zijn.
Kísi wátra
water scheppen.
Kísi físi
visch vangen.
Kísi kóuroe
koude vatten.
Kísi kóorsoe
de koorts krijgen.
Sáfri kísi mónki
(sprw.) Met zachtheid, met behoedzaamheid vangt men apen.
A no sa kísi
het zal niet toereiken.
Da baäna no kísi
er is geene genoegzame hoeveelheid banannen.
Joe tem´ no kísi jéte
uw tijd is nog niet daar.
Té wi kísi jánna, wi sa bro
als wij ginder komen, zullen wij uitrusten.
Mi no kan kísi hem móro
ik kan hem niet meer inhalen.
No wan sóema ógri kísi joe
niemand is zoo ondeugend als gij.
Etym.:
Eng.
.
Kisikissi
znw.
aap in 't algemeen; 2 eene soort, onderscheiden van monki-mónki, mekóe, wanakóe,sagoewínki, enz.
kisikíssi-makà
een sterk gedorende, lage palmsoort.
kiskíssi taki: dà sanì, dísi de na hem´ bére, da foe hem´, mára dísi na hem´ sei-mófo, da foe hóntiman.
(sprw.) De aap zegt: slechts dat gene, wat in zijn maag is, kan hij het zijne noemen; doch wat hij nog in den mond verborgen houdt, kan den jager ten deel vallen.
2)
Kíti-kíti
hulpw.
om een versnelden loop uit te drukken.
A lon kíti-kiti
hij liep met eene drift.
Kjà
tusschenw.
uitroep van ongeduld, ontevredenheid, afkeuring.
Kjà! kabà dan!
Ach hemel! schei toch uit!
Kjà! nóno, ba'!
Neen! dat kan er niet door!
Kjábisi
znw.
kabes, palmkool, meest van de koembóe- en marípa-palmen.
Kjábisi-hoedoe
soort van timmerhout.
Blakka kjábisi (Audira retusa H.B.K.)
Kjábisi-worom´
het masker van Cureulio palmarm, kabbesworm.
Etym.:
Arr.
.
Klári
klaar, gereed.
Mi kom´ klári
ik ben gereed, ik heb het af.
Pótti klári
gereed zetten.
Méki klári
gereed maken.
Tan klári
zich gereed houden.
Etym.:
ND.
.
Kódja
znw.
kneppel, knuppel, knods, stok, (verouderd.).
Tángi foe boen da kódja.
(sprw.) De zin is: stank voor dank.
Etym.:
Eng.
.
Kódo
bijw.
alleen.
Mi wawán kódo-kodo
ik moederziel alleen.
Kodokóe
znw.
naam eener soort van visch.
Koe
biv. nw.
alleen gebruikelijk in:.
Koe mára
goeden morgen.
Koe néti
goeden nacht.
Kóebi
znw.
naam van een visch, hier wel eens schelvisch genoemd.
Etym.:
Arr.
.
Koejaké
znw.
naam van een' vogel, Toucan.
Koejaké-hoedoe
naam van een boom.
Etym.:
Arr.
.
Kóekoe
ww.
koken.
Da wátra no de kóekoe jéte
het water kookt nog niet.
Aréen de kóekoe de kom´
ik hoor een zware regenbui aankomen.
Etym.:
ND.
.
Kóekoe
znw.
koek, taart, gebak; 2 miltziekte, in Suriname de koek genoemd.
2)
Koema-kóema
znw.
eene soort van visch, gelijkende naar de Passísí, doch donkerder.
Koemawàri
znw.
een vogel uit de steltloopers.
koembà
znw.
navel, navelstreng.
Baäna-koembà
het onder den banannentrots hangende overschot van den tot vrucht geworden bloesem.
kóemboe
znw.
eene palmsoort, waarvan de vrucht een aangenamen drank oplevert.
Etym.:
Arr.
.
Koenà
znw.
naam van eene soort van visch.
Koenamì
znw.
benaming, aan sommige planten gegeven, waarmede men den visch bedwelmt, onder anderen Tephrosis toxicaria pers.
koenatépi
znw.
naam van een soort van hooge boomen, die een voortreffelijk hout, vooral voor schrijnwerkers, opleveren.
Koendóe
znw.
knobbel, knoest, dikte.
A hábi koendóe-koendóe
het is met knobbels bezet.
Kóensoe
znw.
kussen, pellow.
Etym.:
ND.
.
Kóepa
ww.
kuipen, kuiper zijn.
Kóepa-man
kuiper.
A de na kóepa
hij leert kuipen..
Kóepa-hoedoe
kuiphout, vooral de Copaive-boom, die goede hoepels oplevert, en daarom ook Hoepelboom wordt genoemd.
Etym.:
Eng.
.
Koeparì
znw.
een inseckt van dien naam.
Etym.:
Arr.
.
Koeroe-kóeroe
znw.
korf, doorgaans van Waríembo-bast gevlochten.
Krába koeroe-kóeroe
krabbe-korf.
Koesà
znw.
een boom van dien naam.
Koesoewé
znw.
de Roucou-of Arnotta-heester (bixa orellana L.).
Etym.:
Arr.
.
Koetái
znw.
een visch van dien naam. (Anabelps tetrohthalmus Bl.).
Etym.:
Arr.
.
Kofi
znw.
koffij, zoowel de plant als de drank.
koffi-grón
koffij-plantaadje.
Koffi-lóesoe
koffij-loots.
Bóesi-koffi
een wilde heester.
Baäna no de kíli koffi no de kíli baäna.
(sprw.) De zin is: Goede vrienden doen elkander geen kwaad, verraden elkander niet.
Koffiì-mátta
koffij-stampmat.
Koffí-sanì
koffij-goed, ontbijt-servies.
Mísi de na koffì-táfra
Mevrouw zit aan het ontbijt.
Koffì-mamà
een hooge boom van dien naam, die, vooral aan den zeekant, in de koffijstukken geplant wordt, om den koffij-heester tegen zware winden te beschermen.
Kófoe
znw.
vuist;2 vuistslag; 3 ww. vuistslagen geven.
Sóri kófoe
dreigen met de vuist.
Tai kófoe
eene vuist maken, de hand tot eene vuist ballen.
Nómo wántem´ a gi mi wan kófoe.
en met één gaf hij mij een' vuistslag.
Joe no ha fíenga, joe no kan fai kófoe
(sprw.) die geene vingers heeft, kan geen vuist maken.
3)
Etym.:
Eng.
.
Koi
znw.
kooi, kevie.
Etym.:
ND.
.
Koiri
ww.
knijeren, wandelen, slenteren, drentelen.
Etym.:
ND.
.
Kóki
znw.
kok, keukenmeid;2 ww. kok of keukenmeid zijn.
Etym.:
ND.
.
kóko
znw.
pit of steen eener vrucht.
mánja-kóko
manja-pit.
Awarà-kóko
awarà-noot.
Etym.:
Fr.
.
Kokobé
znw.
melaatsheid, eigenlijk de zoogenaamde drooge lepra, waarbij de leden trapsgewijze afvallen. (Elephantiasis mutikans fuchs.).
Etym.:
Eng.
.
Kokórode
znw.
eene plant van dien naam. (Heliophytum in dicum. D.C.).
Kókriki
znw.
eene peulvrucht van dien naam, weesboontje. (Abrus precatorius. L.).
Kókro
znw.
koker, in alle beteekenissen.
Nandi-kókro
naaldenkoker.
Etym.:
ND.
.
Kóli, (kóri)
ww.
misleiden, foppen, om den tuin leiden, paaijen.
Koli-kóli
met een zoet lijntje tot iets brengen.
Koli-kóle
(bij plei pléi)
mi da joe mísi
laat ons spelen dat ik uwe Mevrouw ben.
Anansì kóli mi
ik heb bij ongeluk in 't bed gewaterd.
Kóli héde
het hoofd kittelen, zachtelijk met de toppen der vingers het hoofd bevoelen.
Joe moe kóli héde, foe kísi lóso.
(sprw.) De zin is: Men moet iemand in zijne zwakke zijde tasten, om van hem gedaan te krijgen hetgeen men verlangt.
Kom´
znw.
komen, aankomen;2 worden.
Da kom´ mi de kom´ de
ik kom zóó even eerst aan.
Kom mi si
laat mij eens zien.
Kom mi sóri joe
laat ik 't u wijzen.
Kom´(als bijw.)
hier.
Tjári kom´
breng hier.
Wakka kom´
kom herwaarts.
Fríengi kom´ gi mi
werp het mij toe.
Kom´ táki
laat staan. gezwegen.
Gránwe tiengi-fowloe ben de tiéngi, kom´ táki té a déde.
(sprw.) De stinkvogel riekt bij zijn leven reeds ongenaam, wat zal het dan zijn als hij dood is?
Kom-ópo, kom-óto
ergens uitkomen, van eene plaats weggaan.
Dà frákka no kan komópo
die vlek kan er niet uitgewischt, uitgemaakt worden.
Komóto drápe
ga daar van daan.
Kírki, skólo komópo
de kerk, de school is uit.
A fadón komópo na mi hánoe
het is mij uit de hand gevallen, het is mij ontvallen.
Kom´go (kóngo)
ga mede.
Kóngo, méki wi go
kom, laat ons gaan.
Té joe de kom´, tjári dà pikíen kóngo nánga joe
als gij komt, neem dan dat kind mede.
Róbi hem´ (lób'em) té a kom´ krien
schuur het, tot dat het schoon wordt.
Kom´ boen
goed worden, herstellen.
Kom´ bígi
groot worden, opgroeijen, toenemen.
Kom´ kóuroe
bekoelen, koud worden.
Toe joe ben hábi, en wan mi gi joe de, a kom´ dri
Twee had gij er reeds, nu geef ik u er een bij,- dat maakt drie.
Kombé
znw.
Kombé, de voorstad Zeelandia; 2 een tuin of verbblijf aldaar.
A bai wan kombé
hij (zij) heeft een erf op Kombé gekocht.
2)
Kométoe
znw.
indiaansche naam van een boom, van welks bost de indanen eene zwarte verf maken, waarmede zij hunne aarden vaten beschilderen.
Kómiki
znw.
kom, kommetje.
Wassi-hán-kómiki
handenwaschkom, lampet-kom.
Etym.:
ND.
.
Kómpe
znw.
gast, vriend, goede kennis, kameraad.
Káltí kómpe
gasten noodigen.
móni kabà, kómpe kabà.
(sprw.) Als het geld op is, is 't met de vrienden ook gedaan.2 (als ww.) goede vrienden met elkander zijn.
Da Mísi, dísi de kómpe nánga joe
die Juffrouw, welke vriendschap met u houdt.
Kómpe-fási
familiaar, op eene vrienschappelijke wijze.
Dem méki kómpe-bákka
zij zijn verzoend, zij hebben den vrede gesloten, zij zijn weer vrienden geworden.
2)
Etym.:
Fr.
.
Kóndre
znw.
land, landstreek, gewest, stad, dorp; 2 de wereld; 3 volk.
Bakrà-kóndre
Holland, Europa.
Ningre-kóndre
Afrika, de kust van Guinea.
Sranám-kóndre
de kolonie Suriname.
Jéngrisi-, Fránsi-kóndre
Engeland, Frankrijk.
Kondre-mán
landsman, landgenoot. (ook verkort: mi kóndre.)
Gádo-kóndre
de hemel, de staat na dit leven.
Mi swéri foe mi Mamà, dísi de na Gádo-kóndre
ik zweer bij mijne zalige moeder, - bij mijne moeder die bij God is.
So lánga kóndre ben de
zoolang de wereld bestaan heeft.
Jéngi da wan boen kóndre
de Indianen zijn een goed volk.
3)
Etym.:
Eng.
.
Kóngo
znw.
naam van een Afrikaanschen volkstam.
Kóngo-tetéi
een rank gewas van dien naam.
Kóni
bijv. nw.
slim schrander, fijn, ervaren, wijs, verstandig; 2 znw. slimheid, geslepenheid, kennis, behendigheid, list.
Ai Ba'! joe kóni móro mi!
Waarachtig, maat! gij zijt mij de baas.
Wan kóni fási
op eene behendige wijze.
Mi sa léri joe wan kóni
ik zal u een kunstje, een behendigeheid leeren.
Nanga kóni joe sa kísi hem´
met overleg, met list zult gij hem (haar, het) wel krijgen, vangen.
2)
Etym.:
Eng.
.
Konikóni
znw.
konijn. (Cavia Agoute.).
konikoni-bíta
een rank gewas van dien naam.
Etym.:
Arr.
.
Kónkroe
ww.
konkelen, knoeijen;2 znw. gekonkel, valschheid, streken. 3 bijv. nw. onopregt, listig, slinksch.
Wan kónkro fási
op eene slinksche wijze.
Wan kónkroe maníri
een valsch karakter.
Joe dà pikjóeman dísi, joe kónkroe reti-réti
Meisje! gij houdt u met dranijerijen op.
3)
Etym.:
ND.
.
Konsákka
znw.
eene kwaal aan de voeten, waarmede vooral de Negers behebt zijn; het smarten der teenen. (Amorpha.).
konsakka-wiwíri
eene plant van dien naam, soldaten-salade.
Kóorsoe
znw.
koorts.
Mi de féli nánga koorsoe
ik heb een hevige koorts.
Koorsoe-wiwiri
een heester van dien naam, koorts-kruid. (Lantana Camara.L.)
Etym.:
ND.
.
Kopì
znw.
kopie, een boon die voortreffelijk timmerhout oplevert.
Wattra-kopì
eene verwante soort.
Etym.:
Arr.
.
Koppì
znw.
kop, kopje, om uit te drinken.
Etym.:
ND.
.
Kóppoe
znw.
koppen der heelkundigen; 2 ww. het aanwenden van koppen, het koppen.
Sétti kóppoe
koppen zetten.
2)
Etym.:
ND.
.
Kópro
znw.
koper; 2 bijv. nw. koperen.
Kopro sénsi
kopergeld, koperen centen.
2)
Etym.:
ND.
.
Korantèn
nw.
de rivier Korantijn;2 Quarantaine-drank.
2)
Etym.:
Arr.
.
Kórkoe
znw.
kurk.
Korkoetrékki
kurketrekker.
Etym.:
ND.
.
Kósi
ww.
schelden, uitschelden, schimpen, verwijten, beledigen, smalen.
Kosi-kósi
znw. scheldwoorden, schimpredenen.
Kosikósi no de bróko sóro
(sprw.) Scheldwoorden maken geen wonden.
Etym.:
Eng.
.
Kósi
znw.
neiging, buiging der knieën.
Méki kósi
neigen, eene dienaresse maken.
Etym.:
Eng.
.
Kosò
ww.
hoesten, kugehen.
kosò-kosò
znw. het hoesten, de hoest, de kuch.
Kotì
znw.
buisje, rokje, jagthuis.
Etym.:
Eng.
.
Kóti
ww.
snijden, afsnijden, knippen, snoeijen, kerven, hakken.
Koti-kóti
znw. kerven, die de negers zich met een scheermes in regelmatige figuren op de huid geven. 2 een insekt van dien naam, soort van veeumol.
Koti-kándra
de kaars snuiten.
Kóti- hóedoe
hout hakken.
Kóti fája
vuur slaan; 2 flikkeren, schitteren.
Tápoe de kóti fája
het bliksemt.
Hem´ hai de kóti fája
zijne oogen schitteren.
Dà pikjóeman de kóti pángi gi dà massra
dat meisje, die meid tracht zich door dien Heer te doen opmerken.
Kóti ábra
oversteken.
Kóti ódo
spreekwoorden bezigen, opsnijden.
Arén-kóti
de regen heeft opgehouden.
Wátra kóti kabà
het water is al begonnen te vallen.
Mi krála kóti
mijne snoer kralen is gebroken.
kóti fóetoe
ophouden ergens te komen, zijne bezoeken staken.
Di mi kom´ na íni nómo, a kóti dà táki
zoodra ik binnen kwam, brak hij (zij) het gesprek af.
Kóti wan tróbi
een geschil beslechten, doen eindigen, uit de wereld maken.
Obia boen, joe sa si na kóti
(sprw.) Gij kunt aan de insnijding zien, of de Obia goed is. d.i. Aan de vrucht zal men den boom kennen.
kóto
znw.
vrouwen-rok.
Etym.:
Eng. Port.
.
Kóttika
nw.
de rivier Kottika; 2 de landstreek daaromtrent.
2)
Kóuroe
bijv. nw.
koud, koel, kil: 2 znw. koude, koelte.
Kísi kóuroe
koude vatten.
Kom´ kóuroe
koud worden.
Mi skien de gro kóuroe
ik gevoel eene huivering, ik krijg kippevel.
Kóuroe prési
schaduw, belommerde plaats.
Komópo na son, kom´ d'ía na kóuroe prési
kom uit den zonneschijn, kom hier in de schaduw.
Bróko kóuroe
laauw maken, even warmen.
Méki joe hátti kóuroe
laat uwe drift bekoelen.
Nou joe hátti sa kóuroe, no?
Zijt gij nu tevreden?
2)
Etym.:
Eng.
.
Kóusoe
znw.
kous, kousen.
Etym.:
ND.
.
Krabássi
znw.
kalebas, vrucht van Creseentia cajete L.) 2 eet-en drinkgereedschap, daarvan vervaardigd.
krabássi-bom´
kalebas-boom.
Pakì-krabássi
deksel-,kalebas.
Boesì-krabássi
een boom van dien naam, bosch-kalebas.
2)
Etym.:
Sp.
.
Krabíta
znw.
geit, karbiet.
Mi kísi krabíta skien
ik ben huiverig.
Krabíta-ókro
znw. een wilde plant van dien naam.
Krabita-kakà
een boom, waarvan de Indianen hunne hengelstokken vervaardigen. (Anaxagoroa.)
Etym.:
Port.
.
Kráboe
krabbe.
jajò-kráboe
eene soort van krabben.
kraboe-hóso
krabbe-schaal;2 het ingewand, dat zich daarin bevindt.
2)
Etym.:
Arr.
.
Kráboe
ww.
krabben, krabbelen, schrappen, krassen.
kraboe-kráboe
een hurk.
Kraboe-páttoe
het onderste uit den pot of de pan.
Etym.:
ND.
.
kraboe-dagoe
znw.
wilde hond, krabbehond. (Proeyon cancrivorus vuv.).
Etym.:
Eng.
.
Kraboe-jássi
znw.
eene zieke aan de voeten, een eigenaardige vorm van yaws, klaver-jas geheeten.
Krafángo
znw.
kuip, van dunnetakjes of stokjes gemaakt, om vogels te vangen.
krafátta
ww.
lappen, bij elkander knutselen, kalefateren.
krapà
znw.
een insekt van dien naam, dat zich op de huid zet. 2 iemand, die een ander tot last is.
krapà-hóedoe
een boom, die zeer goed timmerhout oplevert.
2)
Etym.:
Arr.
.
Krapátta
een heester van dien naam. (Ricinus communis L.).
krapátta-olie
olie uit de pitten dezer plant, kastor-olie.
Krapè
znw.
zeeschildpad, kalpee.
Etym.:
Arr.
.
Krapéri
ww.
kreperen, sterven (van dieren.).
kraróe
znw.
kalaloe, eene plant die eene goede groente oplevert.
Papà-kraróe
hetzelfde als Agoewema.
Krássi
ww.
jeuken, branden; 2 bedr. ww. krabben.
Mi bákka de krássi mi
mijn rug jeukt mij.
krassi-krássi
schurft, uitslag, brand. (Scabies.)
krassi-wiwíri
brandnetel. (Urtica Latifolia rick.)
Krassi-tája
wilde, ontelbare taijer (Arum), die jeuking verwekt.
krássi-míra
brand-mieren.
Krassi-bónki
krieuwelboon.
krássi mi bákka gi mi
krab mij mijn rug eens.
2)
krássi
ww.
knorren, bekijven.
Joe moe krássi dà pikién
gij moet dat kind beknorren.
krassi
bijv. nw. vinnig, kwaadaardig, grinnig.
Wan krassi-dágoe
een kwade, nijdige hond.
Krassi-káu
een kwaadaardige stier of koe.
krassi-wátra
onstuimig water.
Etym.:
Eng.
.
Krassi-kríki
znw.
kraskreek, doorsteek, gedolven vaart, om twee nabijzijnde rivieren te vereenigen, als de doorsteek tusschen de Commewijne en Cottica, en die tusschen Suriname en Para.
Krássi-passi
dwarspad, tusschen twee stukken riet, koffij, katoen, enz.
Krébi
ww.
schrapen, kaal scheren; 2 bijv. nw. kaal.
Krebi-héde
kaalkop.
Héde krébi, a jerépi seséi
(sprw.) Als het hoofd kaal is, heeft de schaar geen werk.
2)
Kréeti
znw.
kleed, dameskleed, japon, vrouwenjas.
Etym.:
ND.
.
Krei
ww.
weenen, schreijen, huilen;2 om iets zuchten, om iets bidden.
A krei watra-hái
hij (zij) schreide tranen.
A krei títiti
hij (zij) weende bitter.
Spanjójo-fówloe táki: krei líbi, ma no krei wiwíri.
(sprw.) De vederlooze vogel zegt: bid om uw leven, maar niet om veeren, d.i. Dank God, dat gij 't leven hebt.
Mi de krei, mi komópo mara
mijn eenige wensch is maar, om er uit te geraken; het overige zal zich wel vinden.
2)
Etym.:
Eng.
.
Kréiti
znw.
krijt.
Etym.:
ND.
.
Krere-krére
znw.
een heester (Poinciana puleherrima L.), waarvan de peul, als zij droog is, dergelijk geluid maakt; 2 ratel.
2)
Kriá
ww.
opvoeden, opkweeken (verouderd).
Etym.:
Port.
.
kríbisi
znw.
Caraibe, naam van een Indiaanschen volksstam.
Etym.:
Arr.
.
Krien
bijv. nw.
schoon, zuiver, rein, helder, duidelijk.
krien krósi
schoone kleederen.
Pássi krien
de weg is schoon.
A kabà kríen-krien
het is schoon op.
Moen krien léki dei
het is heldere maneschijn.
Dà sanì dísi de na dóengro, a sa kom´ na krien.
(sprw.) Wat in het duister verborgen ligt, zal eens aan het licht komen.
iffi néti ben krien léki dei, wi ben sa si, joe Granman de kísi kráboe na mángro.
(sprw.) Als de nacht helder was als de dag, zouden wij de groote heeren welligt krabben zien vangen in het voorland.
Dà boi jési krien
die jongen is oplettend, vlug van begrip.
Ho fási? Joe hai no krien jéte?
Hoe is 't ? Slaapt gij nog? 2 ww. schoom maken, reinigen, zuiveren.
Joe moe krien dà djári
gij moet den tuin wieden.
Joe de krien joe bére joe sóso
gij spitst er u vruchteloos op, gij bouwt kateelen in de lucht.
2)
Etym.:
Eng.
.
kríki
znw.
kreek, beek, kleine stroom.
Etym.:
Fr.
.
krí-kri
hulp- en geluidw.
dat loopen uitdrukt.(Zie grigi.).
Krini
bijv. nw.
Zie krien.
Krinn
ww.
(klim`) klimmen, klauteren.
Etym.:
ND.
.
Krióro
znw.
kreool, inboorling; 2 bijv. nw. inheemsch;3 de kinderen onze slaven.
Krióro-drom´
een kleine trommel, bij de negerdansen in gebruik.
Krióro-pransóen
inheemsch zaad van uitheemsche groente of dergelijke.
krióro-mamà
oude meid, die op de slavenkinderen past op de plantaadjen.
3)
Krobói
bijv.nw.
de laatste. (Ook kriboi.).
krobói sódro
(ook alleen krobói) de vliering, zolder.
Dà krobói-wan
de laatste.
Kroibói di foe jári
de laatste dag van het jaar, ouderjaarsdag.
Krobói
vaarwel (verouderd.)
Krodón
znw.
cordon, de lijn van buitenposten. Krodón, nw. Corydon.
Kroejára
znw.
korjaal, een lang, ligt vaartuig, algmeen bij de Negers en Indianen in gebruik.
Etym.:
Arr.
.
Króetoe
znw.
gergtshof, regtbank, vierschaar, regtcollegie.
Pikíen króetoe
regtbank van kleine zaken.
Hóli, sétti króetoe
over iets beraadslagen.
Dem mássra foe króetoe
de regters, de leden van het hof, van de regtbank.
Kóti króetoe
een twist beslechten, beslissen; 2 ww. beknorren.
Mi de go króetoe nánga joe
ik zal u moeten bekijven.
Króetoe, (króekoetoe)
bijv. nw.
verkeerd, linksch, krom, scheef, onregt.
Króetoe wínti
verkeerde wind, landwind.
Króetoe néki
verkeerde keel, luchtpijp.
Króetoe han
lnkerhand.
Kroetoe-tére
schorpioen.
Króetoe-tatà, - mamà
stiefvader, - stiefmoeder, tweede vader, - moeder.
Joe hábi króetoe
gij hebt ongelijk.
Doe wan sóema króetoe
(of als ww.
Króetoe wan sóema,)
iemand onregt doen, iemand verongelijken.
Joe no moe króetoe no wan soema
gij moogt tegen niemand onregtvaardig zijn, tegen niemand onregt plegen.
Etym.:
Eng.
.
Kroewá
bijv. nw.
halfgaar, halfrijp.
Etym.:
Port.
.
Krofája
znw.
vuurkool, gloeijende als uitgedoofde houtskool.
króipi
ww.
kruipen.
Dà pikién de króipi kabà
dat kind kruipt reeds.
Etym.:
ND.
.
Króiti
znw.
buskruid.
Etym.:
ND.
.
Krom´
bijv. nw.
krom, verdraaid; 2 ww. krommen, verbuigen.
Dà krom´-fóetoe boi
die jongen met kromme benen.
Joe moe krom´ joe hánoe móro na so
gij moet uwe hand nog meer buigen.
2)
Kromanti
znw.
naamvan een Afrikaansche volkstam, Korantijnsche neger.
Kromanti-wiwíri
een kruid, aldus genoemd. (Justicia pectoralis JACQ.)
Krósi, (klósi)
znw.
kleed, kleederen, linnengoed, laken, doek.
Krien krósi
schoon goed.
Wéri krósi
zich kleeden, zich aan kleeden.
Póeloe krósi
zich ontkleeden, zich uitkleeden.
Wássi krósi
wasschen, de wasch hebben, waschvrouw zijn.
Bróko krósi
oude lappen, gescheurde kleederen, vodden, lompen.
Sribi-krósi
beddelaken, slaaplaken.
Etym.:
Eng.
.
Krosón
nw.
Curacao.
Krosóu-appla
eene vrucht, in Berbice schildappel genoemd, chambo. (Jambosa Malacensis D.)
Krosóu-aránja
eene soort van oranje-appel, in Suriname Mandaraine genoemd. (Citrus deliciosa ten?)
Kwakwà
znw.
eend, de Europesche soort, (Anas Boschas); 2 muziekinstrument of liever maat-slag der Negers, zijnde een harde plank, waarop met twee stokjes of ijzeren staafjes geslagen wordt.
Kwakwà snéki
eene gevaarlijke soort van hagedis. (Gecko lavis?) 2
Kwári
ww.
krakeelen, kibbelen;2 znw. twist, gekijf, krakeel.
2)
Etym.:
Eng.
.
Kwári
znw.
een boom, aldus genoemd, die goed timmerhout oplevert; ook wassi-wássi geheeten.
Wátra-kwári
eene andere soort, (Vochysia tetraphylla. DC.)
Kwári
znw.
een boom, adus genoemd, die goed timmerhout oplevert; ook wassi-wássi geheeten.
Wátra-kwári
een ander soort. (Vochysia tetraphylla.DC.)
kwassi-kwássi
znw.
naam van een viervoetig dier, tot de zooltreders behoorende.
Etym.:
Arr.
.
kwassímamà
znw.
naam van een visch, ook Keentras geheeten.
Kwátta
znw.
eene soort van apen. 2 naam van eene plaats in de omstreken van Paramaribo.
Kwatta-pattoe
naam eener houtachtige vrucht.
Kwatta-passi
de rijweg naar Kwatta.
2)
Etym.:
Arr.
.
Kwejóe
znw.
schortje der Arrowaksche vrouwen.
Etym.:
Arr.
.
Kwéki
ww.
kweeken, opwkweeken, opvoeden, aankweeken, toenemen, vermenigvuldigen.
Dem´ fówloe no wanni kwéki
die kippen telen maar niet voort.
Mi no tron Tjotjo-fówloe, foe kwéki tra sóema pikíen.
(sprw.) Ik ben geen Tjotjo-vogeltje geworden, om een andermans kinderen op te voeden. 2 znw. kweek, pluimvee.
Go lóekoe, iffi joe kan kísi kwéki foe bai
ga eens zien, of gij pluimvee te koop kunt krijgen.
Etym.:
ND.
.
Kwéri, (kwéli)
ww.
disselen.
So langa joe no kwéri hóedoe, spandra no sa fadón
(sprw.) Zoolang gij geen hout disselt, zullen er geen spaanders vallen.
Etym.:
Eng.
.
Kwériman
znw.
naam van een visch, ook Harder genoemd.
Etym.:
Arr.
.
Kwéti
bijw.
juist, net, volstrekt.
kwéti léki
alsof, juist, of.
A tan kwéti léki...
het schijnt alsof...
Kwéti-kweti
volstrekt.
A kabà kwéti-kweti
het is geheel op, schoon op.
Nó-no! Kwéeti-kweti
neen, volstrekt niet.
Etym.:
Eng.
.
Kwíensi
ww.
drukken, persen, wringen, klemmen.
Etym.:
Eng.
.
Kwi-kwì
znw.
een kleine, geharnaste visch van dien naam.
Etym.:
Arr.
.
Kwíri
ww.
kwijlen; 2 znw. de kwijlkuur.
Dríengi kwéri
de kwijlkuur ondergaan.
Copyright © 2000