L - l

L.
Lábraka ww. radbraken; 2 afmatten.
2) Etym.: ND. .
Láfoe ww. lagchen, uitlagchen, glimlagchen; 2 znw. de lach, het gelach. A no mi lafoe koni-kóni, di a no ha tére. (sprw.) Ik ben 't niet, 't konijn heeft uitgelagchen, dat het geen start heeft.
Lafroe znw. raaf (West-Indische.) Psittacus Macoa L.). Etym.: ND. .
Lagadísja, (lagadísa) znw. hagedis.
Lai ww. laden, inladen, opladen; 2 znw. lading. Dà póndo no kan téki dà lai die pont kan die geheele vracht niet nemen. Hem´ héli skien lai nanga kraskrassi zijn (haar) gansche ligchaam vol met uitslag, is overdekt met brand. Etym.: ND. .
Lai znw. lade, schuiflade. Etym.: ND. .
Lai, (rai) ww. raden, een raadsel oplossen. Lai-tóri raadsel. Etym.: ND. .
Lakasíri znw. een boom van dien naam, die een heilzamen balsem oplevert; 2 de balsem zelf.
2)
Lalla bijv. nw. raauw, ongaar, groen. So lalla-lalla zoo maar raauw. Lalla bréde deeg van brood, ongebakken brood. Lalla hóedoe groen hout, te versch om te branden.
Lamóen znw. eene soort van oranje- of chinaasappel, gideonsappel genoemd. (Citrus buxifolia Poir.).
Lámpoe znw. lamp. Lampoe-katóen lampepit, lampekousje. Etym.: ND. .
Lánga bijv. nw. lang; 2 znw. lengte. So men' langa mi no si joe ik heb u in langen tijd niet gezien. Adjósi sranga voor só langa tot strakjes! tot weerziens! Langa wípi de gewone zweep, waarmee de slaven gekastijd worden. Passi langa, ókro drei na bom´. (sprw.) Als uw grond op een verren afstand ligt, verdorren u de vruchten op het veld.
2) Etym.: ND. .
Lánga ww. langen, reikenl aanreiken, uitstrekken. Langa joe han strek uwe hand uit. Etym.: ND. .
Lánga voegw. Zie Nánga.
Lan-prési znw. landingsplaats. b.v. van een plantaadje.
Lánsri znw. lans, jagtspriet. Joe lási lánsri, joe lási sapakára. (sprw.) Wanneer gij uw jagtgereedschap kwijt zijt, kunt gij geen wild meer vangen. Etym.: ND. .
Lantéri znw. lantaren. Etym.: ND. .
Lánti znw. het land, het landsbestuur, de regering, de staat. Níngre foe lánti landsslaven, gouvernements-arbeiders. Lánti-móni belasting. Lánti-pássi openbare weg, 's Heeren wegen. Etym.: ND. .
Laoe bijv. nw. (twee lettergrepen, de klemtoon op de laatste. bijv. nw. gek, onzinnig, tot, dwaas; 2 ww. gek zijn, raaskallen. Joe laoé ana? zijt gij tot? Ben je gek? Joe no kom´ laoé nánga mi, bási gij moet niet den gek met mij scheren, mij niet voor 't lapje houden, kameraad! Mi bri' (voor mi bríbi) joe de laoé nánga mi ik geloof, dat het u schemert, dat gij niet wijs zijt. No tjári joe laoé (znw.) kom´ na mi blijf met uw gekheid t' huis . Laoéman (znw.) gek, tot, dwaas, nar, krankzinnige. Apprisína laoé na bom´ de boom is overladen met chinaasappelen. Apprisína de laoé, fa mi sa go déde foe soéwa aránja hédde? (sprw.) Chinaasappelen zijn er bij de vleet, zal ik bij mij nu om zure oranjes gaan afsloven? Baäna kom´ laoé na kóndre er is thans overvloed van banannen.
2)
Lási znw. het achterdeel, achterste, aars; ook het onderste of achterste van eenig levenloos voorwerp. Lási foe páttoe de onderzijde van den pot; ook het roet, dat zich daar aanzet. Wan lási sedrí een stoel selderij. Dà sípi nánga dà róntoe lási het schip met dien ronden achtersteven, de hoeker, kof, rondgat. Joe lási no brádi, no swári awará-makà. (sprw.) De zin is: Neem niet te veel hooi op de vork. Etym.: Eng. .
Lási ww. verliezen, kwijt raken, schade lijden, verloren gaan. Lási pási verdwalen, het spoor bijster worden. Grán-misi lási de oude mevrouw (Meesteres) is overleden. Mi kom´ lási dátti na mi héde het is mij onschoten, ik heb er niet meer om gedacht. Etym.: Eng. .
Lasrà ww. swerven, schooijen, slenteren; 2 znw. zwerver. Etym.: Sp. Port. .
Làti bijv. nw. laat. Ho làti wi de? Hoe laat is het? A ben kom´ làti kabà foe go 't was reeds te laat geworden om te gaan. Etym.: ND. .
Léba znw. oorspronkelijk een booze geest, die ons vervolgt. 2 lastig mensch. A kom´ tron wan léba na mi tápoe hij laat niet af mij tevervolgen; hij hecht zich aan mij als een klis; hij volgt mij als mijne schim.
2)
Lédi bijv. nw. Zie Rídi.
Léesi ww. lezen, voorleezen. Etym.: ND. .
Léfre znw. lever. Etym.: ND. .
Legoeána, (legwana) znw. leguaan, een dier uit het hagedissengeslcht. Etym.: Arr. .
Lei ww. liegen, onwaarheid spreken; 2 znw. een logen, leugen. A lei gi mi hij heeft mij belogen. Léiman logenaar. Joe kali mi léiman? zegt gij dat ik lieg? Léi-tóri logentaal.
2) Etym.: Eng. .
Lei ww. rijden. Zie rei. Etym.: ND. Eng. .
Lei znw. rij, timmermansmaat. (Zie Rei,). Etym.: ND. .
Lei znw. lei, om te schrijven. Etym.: ND. .
Léki voegw. als, gelijk, pan. A tan léki... het schijnt dat..., hij gelijkt naar... Léki mi de taki joe de in een omzien, oogenblikkelijk. So léki mi dóro zoodra ik gekomen was. Léki foe di djósnode voor alsnog, voor het tegenwoordige. Léki fa joe de dapè zoo als gij daar zijt. Bétre mi déde na íni bígi líba, léki mi déde na íni pikíen gótro. (sprw.) Liever sterf ik in eene groote rivier dan in eene kleine sloot. Zie: aléki. Etym.: Eng. .
Lemiki znw. lemmetjes, eene kleine soort van citroenen. Lémiki-wisi een onkruid, dat tot verderf der lemmetjes-heggen strekt. Dem´ fówloe de dóro na lémiki die kippen komen door de lemmetjes-haag.
Léni ww. leenen. Etym.: ND. .
Lépi bijv. nw. rijp; 2 ww. rijp worden. Lépi baäna rijpe bananne. Ai ba'! Nu, vriend! ge zijt gaar, hoor!
2) Etym.: ND. Eng. .
Léri ww. leeren, onderwijzen: onderwijs genieten, ter catheehisatie gaan. Lériman onderwijzer (vooral in de Godsdienst). A de na léri hij (zij) is in de leer, gaat ter catheehisatie. Etym.: ND. .
Léri znw. leder, leer. Etym.: ND. .
Lési bijv. nw. lui, traag, loom, vadzig. Lésiman luiaard. Lési watra dood tij (als 't geen springtij is.) Etym.: Eng. .
Léti ww. lichten, toelichten, aansteken; 2 bijv. nw. licht. Léti kandra, lampoe, faja de kaars, de lamp, het licht opsteken. Léti, pípa de pijp aansteken. Faja no de, joe téki dósoe léti pípa. (sprw.) Als er geen vuur is, steekt men de pijp aan de tonteldoos aan.
2) Etym.: Eng. .
Líba, (ríba) znw. rivier. Etym.: Eng. .
Líbi ww. leven, wonen, woonachtig zijn; 2 znw. het leven; 3 bijv. nw. levend. So líbi-libi zoo levend, bij levenden lijve. Wan líbi sóema een levend mensch, (ook eenvoudig) een mensch). A de na líbi jéte hij is nog in leven. A de líbi na watraséi hij woont aan den waterkant.
3)
Líbi ww. laten, laten blijven, overlaten, achterlaten, verlaten. Líbi mi laat mij met vrede. Líbi hem dè laat het daar blijven, raak het niet aan. A líbi mi hij heeft mij verlaten. Líbi hem gi mi laat hem (haar, het) aan mij over. Di a déde, san a líbi gi joe? Wat heeft hij u, bij zijn overlijden, achtergelaten? Wat heeft hij u vermaakt? Etym.: Eng. .
Líenga Zie Rienga. Etym.: ND. .
Lífi bijv. nw. lief, geliefd, dierbaar. Mi lífi Mísi! mijn lieve Jufrouw of Mwvrouw! Etym.: ND. .
Lika znw. likker, suikerstroop, de gekookte suiker, eer zij tot korrel overgaat; 2 het sap van 't suikerriet.
2) Etym.: Eng. .
Likéte znw. Zie Rekéte.
Líkki ww. likken, aflikken, uitlikken. Likki-han naam van een viervoetig dier, kleine miereneter. Etym.: ND. .
Línti znw. lint. Etym.: ND. .
Lo Zie Ro.
Loängoe znw. naam van een Afrikaanschen volkstam. Loängoe-tetéi (ook Para-tetéi), naam van een rankgewas, dat sterk naar knoflook riekt, waarschijnlijk eene Aristolochia.
Lóbbi ww. wrijven. Zie Robbi. Etym.: Eng. .
Lóbi ww. beminnen, liefhebben, veel van iets houden, gewoon zijn. Mi Lóbi joe te na íni mi hatti ik bemin u in het diepst van mijn hart. Mi no lóbi datti ik houd daar niet van. Mi hátti-lóbi mijn geliefde, liefse, hartvriendin. Mi lóbi so het is mij aangenaam, het doet mij genoegen, het is maar mijn zin. Dà massera, dísi lóbi kom día die heer, die hier veel aan huis komt. A lóbi siki-síki hij sukkelt gedurig. Dá dréssi no lóbi kíli mi skien dat geneesmiddel komt niet met mijn ligchaamsgestel overeen. Dà soéma, dísi lóbi kíli tráwan, a no lóbi si tráwan tjári néfi. Een moordenaar ziet niet gaarne, dat een ander een mes heeft. Etym.: Eng. .
Lobosò ww. een hooge schouder, hooge zijde, heup; 2 bijv. nw. traag. Fa jóe tan so loboso? Hoe zit gij zoo in malkaar?
2) Etym.: ND. .
Lóekoe ww. kijken, turen, staren; oppassen, opletten; wachten, bezoeken. Lóekoe d'ía kijk eens hier. A no de lóekoe fíni hij ziet zoo naauw niet. A de lóekoe foe gówe, foe frau, foe krei hij is op het punt van heen te gaan, van flaauw te worden, van te schreijen. Lóekoe-man een arts onder de Negers, die tevens profeet, droomuitlegger enz. is. Lóekoe boen pas op. Lóekoe boen nánga mi (bedreiging) neem u in acht voor mij. Mi no lóekoe mélki ik ga eens of ik melk kan krijgen. Joe moe lóekoe joe pikíen boen gij moet goed voor uw kind zorgen. Tan lóekoe mi! Wacht mij! Ho tem´ ji sa kom´ lóekoe mi? Wanneer zult gij mij eens komen bezoeken? Wan sóema ben kom´ lóekoe joe iemand is naar u komen vragen. Etym.: Eng. .
Lóesoe ww. loslaten, losmaken, bevrijden; 2 bijv. nw. los. Lóesoe hem´ laat hem los. Kau lóesoe de koe is los. Dem´ álla lóesoe na mi tápoe zij vielen allen op mij aan. So loesoe-lóesoe zoo losjes, niet stevig.
2) Etym.: Eng. .
Lóetoe znw. wortel;2 afkomst, oorsprong. Zie roetoe. 3 ww. met wortel en al uit den grond halen, uitroeijen. Lóetoe dem´ wiwíri poeloe roei dat gras, dat onkruid uit.
3) Etym.: Eng. .
Logo-lógo znw. eene soort van paling; 2 slijm.
2)
Lóiri znw. het viervoetig dieer luiaard genoemd. Etym.: ND. Arr. .
Lókisi znw. lokus-boom. Lókisi-kakà gom van den lokusboom, (ook wel Jéngi-kandra.)
Lolì znw. slijm; 2 bijv. nw. slijmerig; 3 zwak, droomerig, hangerig.
3)
Lómpoe znw. lomp, naam van een soort van visch.
Lon, (ron) ww. loopen, draven. Lon-wé wegloopen. Lonwé-man weglooper. Lon hési, joe kom´ bákka loop spoedig heen, opdat gij gaauw terug kunt zijn. A lon krí-kri, a kom´ bákka in een ommezien was hij terug. Hési-hesi wákka, tjári lon (sprw.) van hard loopen komt draven. Mi hai de lon wátra mijne oogen tranen. A kóti hem´ fiénga, a de lon bróedoe hij heeft zich in den vinger gesneden, dat het bloedt. Etym.: Eng. .
Lónkríki znw. lonkertje, kolibri. Etym.: Arr. .
Lóntoe bijv. nw. Zie rontoe.
Lósi ww. roosten, roosteren, braden, bakken. Losi-baána geroosterde bananne. Losi-fówloe gebraden kip. Da bréde lósi tránga dat brood is hard gebakken. Etym.: Eng. ND. .
Lóso znw. luis. Patátta-lóso kleine grasluis, patatteluis. Hoedoe-lóso houtluis, witte mier. Dágoe-lóso vloo, hondevloo. Etym.: Arr. .
Lósoe znw. Zie Rósoe.
Lóta znw. huidvlekken, die bij de Negers en kleurlingen opkomen en verdwijnen, en bij sommigen voor eene schoonheid worden gehouden. Lotà-wiwíri naam eener plant uit de orde Compositae, welke gebruikt wordt om de Lotà weg te maken.
Lóto znw. lood. Etym.: ND. .
Lotóntoe roodhond, de tropische spring-uitslag. Etym.: ND. .
Copyright © 2000