M - m

M.
Ma’ voegw. verkort voor mara. Etym.: ND. .
’Ma znw. verkort voor Mamà. ’Ma Bessì moeder Betsy.
Madóengoe znw. eene kwaal, die het mannelijk geslacht alleen is, vleesch- of waterbreuk.
Mahò znw. naam van eene plant uit de orde der malvaceën. Mahò-tetéi touw, uit den bast dezer plant gedraaid.
Makándra voornw. elkander, malkander. Etym.: ND. .
Makkà znw. doren, doorn, stekel, prikkel, splinter, vischgraat; 2 Osnabrugsch of grof linnen; 3 pit of steen eener palmvrucht. Bóesi-makkà bosch-doorn, stekelpalm. Pára-makkà stekelpalm van dien naam.; de vrucht van deze palm. Bámba-makkà andere stekelpalm van dien naam. Brantì-makkà naam eener plant uit de orde der Leguminosne. Adjidjà-makkà stekel van een stekelvarken. Makkà-arátta boschrat. Makkà soétoe fríman, a poéloe hem na sláfoe. (sprw.) Wanneer een doorn den vrijman gestoken heeft, wreekt hij zich op den slaaf; d.i. de zwakke moet het ontgelden. Dem´ bróko makkà na hem´ hai (letterlijk), een doorn wordt op zijn oog gebroken. De zin is: Hij is onverwaard, vrijpostig, door de wol ververwd; hij heeft een koperen voorhoofd.2) Makkà-pángi 2) Makkà-pángi een paantje van Osnabrugsch linnen. Brakka- makkà blaauw linnen; 2 naam van eener palmsoort. Makkà primo nachtspook; scheldnaam voor een zeer leelijk mensch. 3) Awarà-makkà pit der awarà. Makkà-riénga ring, van die pit vervaardigd.
3)
Makkóe znw. groote soort van muggen. Etym.: Arr. .
Makréde znw. makreel. Etym.: ND. .
Maksién znw. magazijn, voorraadkamer. Etym.: Eng. .
Mála ww. malen. Etym.: ND. .
Malán znw. de suiker, die uit de melasse onder in den bak bezou.
Malássi znw. melasse, stroop, die uit de versch gekkokte suiker. Etym.: Fr. .
Malíngri bijv. nw. gebrekkig, invalide, sukkelend, malinker. Etym.: Fr. .
Mamà znw. moeder; 2) het wijfje van een dier; 3) iets dat buitengewoon groot is. Wan ouroe mamà eene oude bes. Wan mamà-fowloe eene eijerleggende hen, klokhen. Watra-mamà meermin, watergodin. Mamà-foe gron beschermgodin, der plaats, der plantaadje, van het erf of der plek gronds. Pikién mamà stiefmoeder.- als titel verkort: 'Ma Kéa, moeder Kea. Wan mamà arén de go kom daar komt een zware regenbui op. Mama-slóto het slot. (In onderscheiding van: Pikién foe dà slóto de sleutel.) Blakka mamà (ook Boenhátti mamà,) naam van een struik, waarvan de bladen tot kruidbaden gebruikt worden.
3)
Mamantem´ znw. de morgen, morgenstond, ochtend. Tamárra-mámantem´ fróekoe-froekoe morgen ochtend in de vroegte. Etym.: Eng. .
Mambiára, (Mamiára) znw. naam van een boom uit de bovenlanden, welke eene eetbare vrucht draagt; 2 de vrucht zelve.
2)
Mamì znw. een vruchtboom van dien naam; 2 de vrucht. Etym.: Arr. .
Mamió znw. verschillende lapjes aan elkander gezet, als een bedelaarsdeken of arlekijnspak.
Mampíra znw. een klein insekt uit de orde der tweevleugeligen, mampier of mompier. Etym.: Fr. .
Mán znw. man; 2 het mannetje van een dier. 2 bijv. nw. mans, voor iets berekend, bekwaam. Mán-soema manspersoon. Mán-ningre een Neger, (in tegenoverstelling van Ningr'oeman, eene Negerin.) Mán-pikién kind van 't mannelijk geslacht. A méki wan mán-pikién zij heeft een zoon ter wereld gebragt. Timmre-mán timmerman. Djarimán tuiner. Torimán verklikker, aanbrenger 2; klis, welke aan de kleederen blijft zitten. Naimán naaister. botrí-man bottelarij-meid. Beremán zwangere vrouw. Mi no man móro ik kan niet meer. Ai ba! Joe man! Nu, maat! gij zijt bij de hand.
2) Etym.: ND. .
Manári znw. een zeef uit den bast van den Waríembo gevlochten. Etym.: Arr. .
Mándi, (máni) ww. boos worden, verstoord zijn, kwalijk nemen, kwade vrienden zijn. Joe mandi nanga mi? Zijt gij boos op mij? Te woróm mandi nanga gron, pe a sa wakka? (sprw.) Als de pier met de aarde twist, waar zal hij dan heen? Etym.: Eng. .
Mángri bijv. nw. mager, schraal; 2 ww. vermageren, mager worden. Etym.: ND. .
Mángro znw. duizendbeenboom. worden ook Mangro genoemd); 2 het land buiten de bedamming, dat men die heesters en boomen begroeid is; voorland, uiterwaarde. Iffi néti ben kríen léki dei, wi ben sa de si, Granmán de kísi kráboe na nángro. (sprw.) Als de nacht zoo helder was als de dag, zouden wij de groote heeren wwelligt krabben zien vangen in het voorland. Etym.: Eng. .
Maníri znw. manier, gewoonte, karakter, gedrag, zeden. Ho sóortoe tákroe maníri dátti? Welke leelijke manieren zijn dat? Mi no kan go nánga dà maníri foe joe ik kan met uw karakter niet overweg. Etym.: ND. .
Mankéri ww. missen, schelen, schorten, ontbreken; mankeren; 2 znw. letsel, gebrek. San mankéri joe? Wat deert u? Sóndro mankéri stellig, zonder fout, zonder mankeren. Lóekoe boen, dà pikién no kísi wan mankéri pas op, dat dat kind geen letsel bekome.
2) Etym.: ND. .
Mánki znw. mand, mandje; 2 bijv. nw. van mandewerk. Wan manki-hátti een strooijen- of spanen hoed.
2) Etym.: ND. .
Mannoewári znw. oorlogschip; 2 matroos van een oorlogschip.
2) Etym.: Eng. .
Mapókro znw. schimpnaam van de afgoderij der Negers.
Mára voegw. (verkort Ma') maar, echter, slechts. Tán mára wacht maar, wachts slechts. A kanti aì, ma a no fadón hij (de boom) hangt wel over, maar is nogtans niet gevallen. Tódo táki: íffi joe de táki foe gogò, mi no kan píki, mára íffi joe de táki foe hai, mi kan píki. (sprw.) De pad zegt: zoo gij van billen spreekt, kan ik niet meepraten, maar zoo gij van oogen spreekt, sta ik u te woord.
Márabónsoe znw. marabons, naam van eener bruine wesp. Marabónsoe-hoso het nest dezer wespen.
marái znw. boschkalkoen, een vogel tot de faisanten behoorende. Etym.: Fr. .
Marátta, (malátta,) znw., bijv. nw. mulat, mulattin, kroost van een blanke bij een zwart;. Dà marátta sísa die mulattin.
Marípa znw. vrucht van een palmsoort; 2 de boom zelf. Etym.: Arr. .
Márki ww. werken, meten, afmeten,teeken, zegelen.2 znw. merkteeken, teeken, maat, maatstok, grens, grensteeken, zegel, taak. Mi sa márki óenoe ik zal u in 't oog houden. Márki dà klósi, ho méni jári a hábi meet dat goed eens, (en zie) hoe veel ellen het heeft. A passà márki het loopt er over heen, het kan er niet door. A fréde passà márki hij is bovenmate vreesachtig. Gado-márki moedervlak, doodvlak. Marki-tíki maatstok, el. Dà hangísa no hábi márki die zakdoek is niet gemerkt. Mi kabà mi márki ik heb mijne taak af.
2) Etym.: Eng. .
Markoesà znw. naam van eene plant uit het geslacht der passiebloemen. Djári-markoesà tuinmarkusa. Pára-markoesà met gele vrucht als een ganzen-ei. Kappoewéri-markoesà met geele vrucht als een hoender-ei. Snéki-markoesà slangenmarkusà, met zeer kleine vrucht. Etym.: Arr. .
Marmaradósi znw. marmeldoosjes, eene vrucht uit de orde der Rubiaceën. Bóesi-mamaradósi bosch-marmeldoosjes. Etym.: Arr. .
Maskíta znw. moskiet, soort van mug. Etym.: Sp. Arr. .
Maskrádoe znw. masker, mom, grijns. Etym.: Fr. .
Masò znw. ongerezen of ongezuurde koek, dien de Joden op hun Paasch feest bakken.
Masoesà znw. naam eener plant uit de orde der Amomein. Masoesà-brafoè soep of braf, uit het omkleedsel der pitten toebereid.
Masóewa znw. fuik, van teenen of gespleten riet vervaardigd. Físi passà masóewa, ma nou joe sétti hem (sprw.) De zin is: den put dempen, als het kalf verdronken is.
Massánga znw. loofhut, hut van pina-bladeren. Bakrà-massánga negernaam van het militair piket de Goede Verwachting, aan de Wanica-kreek. Gangóe-massánga een ander piket van dien naam aldaar. Etym.: Afrik. .
Massári nw. de Marcehals-kreek.
Mássi znw. mast van een schip. Etym.: ND. .
Mássi, Massì ww. knellen, kreukelen, kneuzen, vermorzelen, fijn maken, fijn wrijven. Mi mássi mi fiénga ik mijn vinger gekneld. Massì pépre peper fijn wrijven. Lóekoe boen nánga mi! mi de go méki dem mássi joe nánga fom´fom´ pas op! ik zal u tot moes laten slaan. No mássi mi hangísa kreukel mijn doek niet. Etym.: Port. .
Máss’ra znw. meester, heer; 2 titel voor vrije personen. Mi máss’ra foe mi mijn goede meester, mijn goede heer! Dà máss’ra dís’ia deze heer. Grán máss’ra, Máss’ra-Gádo God de Heer. Pikién máss’ra jonge heer. Máss’ra driektóro de heer Directeur. Etym.: Eng. .
Matákki znw. zeker houtgewas.
Matapì znw. lngwerpige zak van den Wariembo-bast vervaardigd, om het sap van den geraspten Cassave-wortel te persen.
Matéri znw. etter, vuile stof, materie.
Máti znw. vriendin; ook vriend; kameraad; 2 ww. in naauwe vriendschap leven. Mi nánga joe no máti wij zijn niet zoo familiaar. A de máti nánga dà Mísi zij is op zeer vertrouwelijken voet met die jufrouw. Etym.: ND. .
Matoenì znw. alikruikjes.
Matoerì znw. kleine zwamp of zoetwater-visch, uit de orde der weekvinnigen.
Matoetóe znw. een mand of korf, van palmbladeren gevlochten.
Matoewári znw. naam van een kleinen visch.
Matrósi znw. matroos, zeeman, schepeling. Matrósi-pondo matrozen-pont; groot overdekt en platboomd vaartuig, waarmede de producten van de plantaadjen worden afgehaald. Etym.: ND. .
Mátta znw. vijzel van hout, stampmat. Koffi-tontom´-matta koffij-, tomtom-mat. Matta-tíki houten stamper.
Matta-mátta znw. vloermat.
Mau-pakadóroe znw. bedekte uitdrukking, om een bedrieger te kennen te geven; slechte betaler. Etym.: Port. .
Méestri znw. schoolmeester, onderwijzer. Etym.: ND. .
Méki ww. maken, doen, veroorzaken, voortbrengen, baren, toelaten. San joe de méki nánga hemmófo kijk, welke figuren hij met zijn mond maakt. Méki pikién (ook enkel méki mi! (uitroep van verbazing.) Mijn vader! mijn hemel! Dà kau méki die koe heeft gekalfd. Dà fówloe méki wan éksi die hen heeft een ei gelegd. Mékiman njanjám´ vrucht dragen (van planten, boomen enz.) Dá bom´, dísi de go méki deze boom begint vrucht te krijgen. Da joe méki a fadón gij zijt oorzaak dat hij gevallen is. Méki mi si laat mij zien. Mek'a tán laat het blijven. Etym.: Eng. .
Méki voorz. dat, opdat.. Hési! méki wi go. Rep u, dat wij heengaan. Joe no sábi, san Azáu ben njam´, méki a kom bígi so. (sprw.) Gij weet niet wat de olifant gegeten heeft, dat hij zoo groot geworden is.
Mekóe znw. eene soort van apen. Etym.: Arr. .
Mekóenoe znw. ongeregtigheid, geheime zonde, ellende.
Mélki znw. melk; 2 ww. melken. Mi kom´ foe mélki, ma mi no kom´ foe télli, ho méni kau de na pen. (sprw.) Ik ben gekomen om te melken, maar niet om te tellen hoeveel koeijen er op stal zijn. Melki-hóedoe eem kleine boom uit de lage landen. Melki-wiwíri een kruid van dien naam.
2) Etym.: ND. .
Mémbre, Mémre ww. denken, herdenken, onthouden, zich voornemen, meenen, zich verbeelden; 2 znw. verbeelding, gedachte. Mi mémbre, táki... ik dacht, dat... Mémbre mi... help mij onthouden...;2 denk aan mij. Mi ben mémbre foe gi joe dátti ik had mij voorgenomen u dat te geven. Kau mémbre foe dótti Granman-djári, a dótti hem tére sréfi. (sprw.) De koe, meenende den tuin des Gouverneurs te bevuilen, bemorst zijn eigen staart. San joe mémre foe joe sréfi? Wat verbeeldt gij u wel? Bígi mémre hoogmoed, hoovaardij. Joe ha' wan bígi mémre foe joe sréfi gij hebt al een groote verbeelding, hoogen dunk van u zelven.
2) Etym.: Eng. .
Mendè znw. een Afrikaansche volkstam.
Méni bijv. nw. veel, menig, talrijk. Ho méni? Hoeveel? So méni tron Zoo dikwijls. so men' langa zoo langen tijd. Etym.: Eng. .
Ménti znw. kruizenmunt, zeker kruid. Tiengi-ménti zeker wormkruid.
Méri ww. aanraken, veronrusten. San joe de méri mi? Waarom verontrust gij mij? No méri mi laat mij met vrede! Di joe méri hem´ nómo, a bári zoodra gij hem hadt aangeraakt, schreeuwde hij. Etym.: Eng. .
Méslari. znw. metselaar. Etym.: ND. .
Mésre, (Míssre) ww. metselen. Mi pott' hem´ na mésre ik heb hem aan het metselen gezet. Etym.: ND. .
Méti znw. vleesch; 2 dier; 3 medevrijster. Wan písi hámmeti een stuk ham. Hagoeméti spek. Bóesi-méti wilde dieren. Dem´ kíli wan bígi méti zij hebben een groot dier gedood. Mi no wánni méti nanga joe ik verlies u niet tot medevrijster te hebben. Sóema sa njam méti, sóema sa njam bon? (sprw.) Wie zal het vleesch eten, en wie de beenen kluiven?
3) Etym.: Eng. .
Métja znw. zetpil, van suiker of zeep vervaardigd, om den stoelgang te verwekken. Etym.: Port. .
Mi pers. voornw. ik, mij; 2 beztt. vnw. mijn mijne. Mi hábi ik heb. Libi mi laat mij met vrede. Mi mássra mijn meester. Mi néne mijne moeder. Iffi da ben mi... indien ik het ware geweest....
2) Etym.: Eng. .
Mien znw. aandacht, oplettenheid (verouderd.). Joe moe pótti mien na dátti gij moet daarop acht geven. Etym.: Eng. .
Míendri znw. midden. Dà míendri-wan de middelste. Réti míendri de helft; 2 bijw. midden door. A dríengi réti míendri hij (zij) heeft er de helft van uitgedronken. A pratì hem´ réti míendri hij heeft het in twee gelijke deelen verdeeld. Míendri néti middernacht. Na wi míendri in ons midden.
2)
Mien-éri znw. Mijnheer, (een titel, die iets meer zegt dan massra.).
Mindè Zie Mendè,.
Míndri ww. minderen, verminderen. Etym.: ND. .
Mínna znw. min, zoogster; 2 ww. als min dienen. Dà sísa, dísi ben de mínna gi Mísi die meid, welke bij Mevrouw als min gediend heeft.
2) Etym.: ND. .
Míra znw. mier. Wakkawákka-míra kleine, vlugge huismier. krassi-míra bijtende mier (in tegenoverstelling van de bovenstaande soort.) Papà-míra eene groote soort van mieren. Míra-hoso mierennest. Míra-hoedoe mierenhout, mierenboom. Joe ha pasénsie, joe sa so míra bére (sprw.) Indien gij geduld hebt, zult gij de ingewanden van eene mier zien. Te joe tráppoe na míra hóso, joe sábi ho dísi béti joe? (sprw.) Wanneer gij in een mierenest trapt, weet gij dan welke mier u gebeten heeft? Etym.: ND. .
Míri znw. molen. Etym.: Eng. .
Mísi znw. dame, jufrouw, mevrouw, vrouw des huizes, meesteres. Pikíen mísi de jong vrouw. Gran mísi de oude mevrouw. de vrouw des huizes. Mi mísi foe mi! mijne beste mevrouw! Dísi da mi mísi dit is mijne meesteres. Etym.: Eng. .
Mísi ww. missen, niet treffen, falen, zich vergissen. Etym.: ND. Eng. .
Misídoe, (Misjoédoe) znw. poeder-suiker, uit ruwe suiker bereid. Etym.: Sp. .
Míti ww. ontmoeten, te gemoet komen, aantreffen. Mi míti hem´ na pássi ik heb hem op de weg of onder weg ontmoet. Mi no míti hem´ na hóso ik heb hem niet te huis getroffen. Bérgi nánga bérgi no de míti, ma sóema nánga sóema sa míti. (sprw.) Bergen en dalen ontmoeten elkander niet, maar menschen zullen elkaar wel eens weer ontmoeten. Tési míti mi ik ben op de proef gesteld, in verzoeking geraakt. Etym.: Eng. .
Miti-míti znw. mijt. Etym.: ND. .
Módo znw. mode.
Modríri znw. soort van kleine visch, modderieltjes.
Moe (verkort, voor moesoe. Zie aldaar.).
Moedéri znw. (verouderd) zwang, trek. Mi no de na moedéri móro ik ben niet meer in tel. Etym.: ND. .
Móedroe znw. hoofd of voorzitster van een zang-, of dansgezelschap. Etym.: ND. .
Moei znw. moei, tante, (titel voor bejaarde vrouwen uit den stand der vrije lieden.).
Moelóko znw. een visch van dien naam.
Móemoe znw. eene plant van dien naam.
Moen znw. de maan; 2 eene maand. Fóeloe moen volle maan. Móen-kinki manneschijn. Moen krien léki dei de maan schijnt zoo helder, alsof het dag ware. Moen no hópo jéte de maan is nog niet op. Móende Maandag. Wan moen passà njoen jári eene maand na nieuwjaar.
2) Etym.: Eng. .
Móesoe (alleen met dei samengesteld in gebruik.). Móesoe-dei de morgenschemering, de dageraad, het aanbreken van den dag.
Móesoe ww. moeten, (verkort moe.). Joe moe tan d'ía gij moet hier blijven. A no foe tákki mi wánni, mi móesoe 't is niet dat ik wil, maar ik moet. A ben móesoe foe fadón hij (zij, het) heeft noodwendig moeten vallen. Mísi moe wákka boen! Ik wensch Mevrouw eene goede reis. Etym.: Eng. .
Móesoe znw. muts, mutsje, pet. Sribi-móesoe slaapmuts. Redi-móesoe neger-soldaten der kolonie Suriname. Etym.: ND. .
Moetíinde znw. een boom van dien naam.
Moetítti znw. een korf of zak, van pina of ander palm-loof gevlochten, waarin de Indianen vruchten enz. dragen.
Mofína znw. bijnaam van medelijden. Kè! póti Mofína! Och! de arme ziel! Etym.: Port. .
Mófo znw. mond, bek, snuit, snavel, snebbe, snoet, tuit, opening,begin. 2 mondvol; 3 gezegde; 4 stem. San oen de méki mi de bróko mi mófo foe sóso? Waarom gehoorzaamt gij niet? Waarom hoort gij niet naat hetgene ik zeg? Píkro! mófo go na bére! Stil! mondje toe! laat niets van ons gesprek merken. Bobì-mófo tepel. Doro-mófo aan de voordeur, aan de straat. Pára-mófo mond der Para-kreek. Tóe-mofo-gon tweeloopsgeweer. Watra-mófo speeksel. Njam mófo pochen, zwetsen. switi-mófo hartige toespijs, als vleesch, visch, spek enz. Mófo-néti het begin van den avond. Mofo-jári kort voor nieuwjaar. Joe mófo wakka-wákka tóemoesi gij zijt al te praatachtig, gij zijt een langtong. Njam´ wan mófo eet een mondvol. San joe de pótti joe mófo na íni? Waarom bemoeit gij u daarmede? Ogri mófo kwade voorspelling. Póeloe mófo gedane verwenschingen herroepen. Fósi mófo a tákki... eerst, te voren, bij de eerste afspraak zeide hij... Da so wi pótti mófo makándra zoo zijn wij afgesproken. Joe pássa mi mófo gij hebt mijn bevel overtreden. Mi wan tákki wan mófo nánga joe ik heb u een woordje te zeggen. Joe kotti mi mofo gij valt mij in de rede. Da wan mófo dátti a gi mi! Welk eene bitse, lompe, beleedigende drukking heeft hij (zij) tegen mij gebezigd! No háli mi mófo! Breng mij niet aan het praten; tart mij niet,of zal klappen. mófo-písi (foe klósi b.v.) het begin of het eind van een stuk goed (linnen b.v.) Mi de na gron, mi jéri hem mófo beneden zijnde, heb ik zijne (hare) stem gehoord. Kakaráka no ha' réti na fówloe mófo. (sprw.) De kakkerlak door de kip opgepikt, kan geen gelijk krijgen.
4) Etym.: Eng. .
Moi bijv. nw. mooi, schoon, fraai; 2 znw. schoonheid. Moi-mói mooijigheid, sieraden, versiersels, opschrik. Sosó dem´ de bári moi foe hem´ het is te onregt, dat men zoo over hare schoonheid roept. Etym.: ND. .
Moisi-móisi znw. muis. Etym.: ND. .
Moko-móko znw. eene soort plant uit de orde der Aroideën, die veel aan de oevers der rivieren groeit. Etym.: Arr. .
Móksi ww. vermengen, dooréén mengen. Téki píekienso sánti pótti móksi meng er een weinig zand door heen. Etym.: Eng. .
Mómbi ww. misgunnen, sparen, weigeren. (verouderd.). Joe no moe mómbi wátra gij moet geen water intzien (bij't wasschen).
Momò, (momóu) znw. bosch-cacao. (Carolinea princeps. D.C.).
Momói znw. een boom van dien naam met fijn loof; (waarschijnlijk Jacaranda filicifolia Don).
Moní znw. de hars uit een wilden boom. (Amyris misschien, welke door de boschnegers als licht gebrand wordt.).
Móni znw. geld. Wan goutoe-móni eens tuk goudgeld, een gouden penning. Papà-móni schelpjes (witte katjes), die eenige negerstammen in Afrika als geld gebruiken. Móni kabà, kómpe kabà (sprw.) Als 't geld op is, blijven de vrienden weg. Etym.: Eng. .
Monki-mónki znw. een kleine soort van apen. Etym.: Eng. .
Mopé znw. naam van eene vruchtsoort. Fránsi-mopé Pomme de Cythère. Etym.: Fr. .
Morímo znw. knikker. Plei morímo knikkeren. Etym.: Eng. .
Morísi znw. cde mauritia-palm.2 de vrucht daarvan. Mórisi-tóngo jonge bladen van dien palm, waarmede mandjes, hoeden enz. vervaardigd worden. Etym.: Arr. .
Móro bijw. meer. Móro bétre beter. Móro fára verder. Móro ógri erger. Dà móro bígi wan de grootste. Móro na so meer dan dat. Móro-móro meer en meer, hoe langer hoe meer. Móro mi de táki, móro joe de doe hoe meer ik 't u zeg, des te meer doet gij 't. Mi no kan tan móro lánga ik kan niet langer blijven. No móro léki toe slechts twee. No móro verkort nómo Zie aldaar. Etym.: Eng. .
Móro ww. overmeesteren, overweldigen. Slíbi de móro mi ik kan niet zien van de vaak. Pinà móro hem het verdriet, het lijden heeft hem (haara0 geheel ter neer geslagen; hij gaat onder den last zijner rampen gebukt. Sanì móro tígi, a njam´ klei-dótti. (sprw.) Als de tijger geen raad meer weet, eet hij klei; d.i. Honger is scherp zwaard. Sanì móro kiskíssi, a brassà makà. (sprw.) Als de aap in nood is, omvat hij den doornstruik. Nood leert bidden.
Mórsóe ww. morsen; 2 bijv. nw. morsig, smerig, bemorst, bevuild; 3 znw. ,orserij, drek, vuilnis. Lóekoe boen, no tráppoe na íni dà mósoe! Kijk voor u, trap niet in dien drek.
3) Etym.: ND. .
Mórtiri znw. mortier, vijzel.
Mosonjò znw. soort van gras.2 kunstgreep, om een beschuldigde tot betekenis te krijgen. Dem´ de go sétti mosonjò, foe kísi dà foefóeroeman men zal de mosonjò gebruiken, on den dief uit te vinden.
2)
Mostísi znw. mesties, kroost van een' blanke met eene mulattin. Etym.: Port. .
Moto-móto znw. modder, slijk, klei. 2 bijv. nw. slijkerig, modderig. Dà pássi moto-móto tóemoesi die weg is zeer morsig.
2) Etym.: Eng. .
Copyright © 2000