N - n
Na
tegenwoordige tijd van 't ww. zijn;.
ik ben, gij zijt, hij, zij, het is.
Na mi
ik ben het.
Joe na dà móro ógriwan
gij zijt de ergste.
Dísi na mi máss'ra
deze is mijn meester.
Na kíbri ji de kíbri ana?
Hoe is't, verbergt gij u?
Mi na mopè; joe sméri mi, mi swíti; joe béti mi, mi sóewa.
(sprw.) de zin is: Ik ben wel goed, maar die mij beleedigt, moge vreezen.
Na
voorz.
io op, naar, te, aan, uit, van, bij; 2 voegw. dan.
Na íni
binnen.
Kom´ na íni
kom binnen.
Na óndro
onder.
Na táppoe
boven.
Na míendri
tusschen.
Na fési
voor, te voren.
Na bákka
achter.
Na néti
s' nachts.
na dei
bij dag.
Na mamantem´
s' morgens.
Pótti na táppoe táfra
zet het op de tafel.
Iffi mi ben sábi na fési
als ik 't vooruit geweten had.
Na bákka hóso
achter het huis.
Na bákka dóro
achter de deur.
A de na mi bákka nómo
hij zit mij bestendig achterna; hij vervolgt mij steeds.
Pótti kíni na gron
knielen..
Mísi go na dóro
Mevrouw is uitgegaan.
A de na Anítri-kerki
hij behoort tot de Moravische broeder-gemeente.
So boen na boen so
zonder eenige reden, goedsmoeds.
Póeloe dà néfi na hem´ han,,,
neem hem dat mes uit de hand.
Dà jássi go na bére
de jaws is naar binnen geslagen.
Táki na Mássra, mi sa kom´
zeg aam Mijnheer, dat ik komen zal.
Dà hóso, di mi jóeroe na joe
dat huis, dat ik van u in huur heb.
A no de séri dà klósi na jári, ma na písi
hij verkoopt dat goed niet bij de el, maar bij het stuk.
Adám´ móro lánga na mi (voor léki)
Adam is langer dan ik.
2)
Etym.:
Port.
.
Na
voegw.
soms verkort voor nanga.
Tien-na-drie
dertien.
Twinti-na-toe
twee-en-twintig.
Wan sren na drietíbri
anderhalve schelling, 12 cent.
Wan jári na hafoe
anderhalf el.
Nai
ww. naaijen.
naaijen.
Naiman
naaister.
Nai-nái (nanái)
naald.
Nai jési
het met elkander eens zijn.
Mi no kan nai jési makándra
zij zijn niet met elkander op een goeden voet.
Etym.:
ND.
.
Nákka
ww.
slaan, kloppen, stooten.
Nákki dóro
aankloppen, aan de deur kloppen.
A nákki mi
hij heeft mij geslagen.
Nákki drom´
de trom slaan.
Nákki héde nánga wan sóema
met iemand verschil krijgen.
Nákki fóeloe
den foet stooten, struikelen.
Joe no lóekoe, pe joe nákki fóetoe, joe go lóekoe, pe joe fadón
(sprw.) Gij kijkt niet waar gij struikeld, maar wel waar gij gevallen zijt; d.i. Gij zijt niet achter de ware oorzaak.
Etym.:
Eng.
.
Nanái
znw.
naald.
Nanái-fisi
naaldvisch.
Nánga, (nánka, nákka
voorz.
ook soms vekort Na met benevens, bij. 2 voegw. en, ook.
Nánga álla dátti
met dat al.
Mi no ha' wróko nánga joe
ik heb niets met u uitstaan, met u te maken.
Sóema de nánga Mássra
er zijn menschen bij Mijnheer.
Wan Mísi nánga wan Mássra de kom´
daar komt een Heer en eene Dame aan.
Njanjám´ nánga driengi
eten en drinken.
Sóema fési nánga sóema bákka a no wan.
(sprw.) Het is niet om het even, of gij iemand in 't aangezigt of op den rug ziet.
Joe de laöe nánga mi
Zijt gij dol of razend?
Dem´ de líbi ábra nánga ábra
zij wonen tegen elkander over.
2)
Etym.:
Eng.
.
Nángra
znw.
nagel aan hand of voet.
Etym.:
ND.
.
Nánki
znw.
nankings, nanking.
Wan nánki bróekoe
een nankingsche broek.
Nánki-kátoen
Nankinsche- of geel katoen.
Napì
znw.
een klimmend aardgewas als de yams.
Etym.:
Arr.
.
Nássi
bijv. nw.
vuil, morsig, begroeid (verouderd).
Da gróto nássi toémoesi
die sloot is te zeer met waterplanten begroeid, om et door te komen.
Etym.:
Eng.
.
Nátti
bijv. nw.
nat, vochtig, klam; 2 ww. nat maken, bevochtigen.
Go nátti djári
ga den tuin begieten.
2)
Etym.:
ND.
.
Nau
bijv. nw.
naauw, eng.
Etym.:
ND.
.
Nàvoen
znw.
(avondgroet) goeden avond.
Táki návoen
goeden avond wenschen.
Dram´ kabà, návoen kabà.
(sprw.) Als de drank op is, houdt het goeden avond zeggen ook op.
Etym.:
ND.
.
Néfi
znw.
mes, zakmes, tafelmes.
sébi-néfi
scheermes.
Babóen-néfi
eene plant uit de orde der Cyperaceën met lange, scherpsnijdende bladeren.
Etym.:
ND.
.
Néigien
getalw.
negen.
Néigien-tem´-tien
negentig.
Etym.:
ND.
.
Nékki
znw.
hals, keel; 2 halssnoer.
Soro-nékki
zeere keel.
Bakka-nékki
de nek.
Krára foe wéri na nékki
koralen om om den hals te dragen.
Wan nékki krára
eene snoer koralen, die eens den hals omvat.
2)
Etym.:
Eng.
.
Nekóe
znw.
een soort van hout, stinkhout.
Dátti da dà nekóe
dat is het juist.
Nem
znw.
naam, benaming; aanzien, achting.
Fa joe nem´?
Hoe heet gij?
Ho nem´ foe joe?
Hoe is uw naam?
Njóeman-nem´
bijnaam.
Dei-nem´
naam naar den dag der week.
Nem´-seki
naamgenoot, genant.
Habi nem´
de schuld van iets dragen.
Prakíki de njam, popokái ha' nem´.
(sprw.) De parkietjes vreten het koren, doch de papegaaijen krijgen de schuld.
Gránwe óuroe Mamà tífi de seki-séki; di a lóesoe, sáfoe tája habi nem´.
(sprw.) De zin is: Als men een hond wil slaan, kan men ligt een stok te vinden.
A póri hem´ nem´
hij heeft zijn goeden naam verspeelt, verbeurd.
A gi hoeman nem´
naam van eene soort van peper. (Capsicum), met groote, gele, sterk riekende vruchten; aldus genoemd, daar de vrouw, die deze peper in de braf kookt, eer van haren pot heeft.
Etym.:
Eng.
.
Néne, (ninne)
znw.
moeder, (kinderwoord); - titel voor oude vrouwen, vooral oude negerinnen.
Néne Grácia
moeder Gratia.
Mi néne!
moeder -lief!
Nési
znw.
nest, vogelnest.
Fówloe no sa táki, hem´ nési de tiéngi.
(sprw.) Een vogel zal niet vertellen, dat zijn nest stinkt.
Néti
znw.
nacht, avond.
Néti de kom´
het wordt nacht.
Miendri-néti
middernacht, in 't holle van den nacht.
Koe-néti
goeden nacht!
Na néti níngre de njam´ kau-bóeba.
(sprw.) De zin is: Des nachts zijn alle katten graauw.
N mofo-néti
in den vooravond.
Etym.:
Eng.
.
Nétti
znw.
net.
Srepi-nétti
Sleepnet, zegen.
Etym.:
ND.
.
Nímmre
bijw.
nooit, nimmer.(ook nébre.).
Nímmre-wantem´
nooit of ooit, nooit of nimmer.
Etym.:
ND.
.
Níngre
znw.
neger, slaaf in het algemeen; 2 slavernij.
Mi a no joe níngre
ik ben uw slaaf niet.
Brákka-brakka níngre
een gemeene, zwarte neger.
Ningróeman
negerin of negermeid.
Pikíen-níngre
negerkinderen, kreolen; 2 de jeugd.
Pikíen-ningre-sannì
kinderachtigheid, kinderstreken.
Ningre-hóso, ningre-kóekroe
negerhuis, negerkeuken.
Táki níngre
Neger-engelsch spreken.
Mássra-níngre
medeslaaf of slavin onder den zelfden meester; 2 uitroep van verbazing.
Mássera-níngre! jéri tóri!
Alle menschen! hoort dat eens aan.
Ningrekóndre
Afrika, de Guinesche kust.
Ningrekóndre-fáttoe
palm-olie, getrokken uit de vrucht van de Obémakkà.
Ningrekóndre-pépre
Malaguetsche peper, eene plant uit het geslacht der Amomum.
Bandíti-níngre
een tot de boeijen veroordeelde slaaf.
Níngre-sannì
neger-bijgeloof, heidensche tooverkunsten.
Níngre-dréssi
inlandsche geneesmiddelen, kruiden, waarin de geneeskracht bij sommige negers bekend is.
Ningre-kópoe
negerkop, een soort van vogels uit de orde der steltloopers.
Ningre-físi
negervisch, visch zonder schubben.
Joe sa póeloe mi na Ningre?
Zult gij mij uit de slavernij verlossen?
Níngre wánni fri joe sóesoe héde; a no sábi taki da likdóroen a de go kísi.
(sprw.) De neger wil vrij worden, om schoenen te kunnen dragen; hij berekent niet, dat hij likdorens zal krijgen.
Níngre finni boen, a frigíte Gádo.
(sprw.) Als de neger een goed leven krijgt, vergeet hij God..
2)
Etym.:
Port.
.
Njafaróe, (njavaróe)
ww.
een Afrikaansch woord, dat het aanbidden beduidt, en het begin is der Godsdienstplegtigheden; - ook (bij de Doe's) het zingen zonder trom.
Njàh
beschrijvend woord.
dienende om schittering of gloed aan te duiden.
Arédi njáh
het is rood als vuur.
Njam´
ww.
eten, opeten, vreten, verteren, genieten, doorbrengen.
Njanjam´
znw. het eten, de spijs, de vrucht van een gewas.
Njan-njam´-gron
kostgrond.
Njanjam´-báksi
etenbaskiet, mand of korf voor eetwaren.
Njanjam´-pássi no fárawe
(sprw.) De afstand is nooit ver, als 't het stillen van den honger geldt.
Njam´ dótti
grond, aarde, klei eten; - eene ziekte der Negers, vooral bij bleekzucht of wormziekte.
Méki dem póeloe njanjam´
laat het eten opbrengen, laat opdisschen.
Dà bom´ dísi no méki njanjam´ jeté
die boom heeft nog geen vrucht gedragen.
A njam´ dà móni
hij heeft dat geld verteerd, verbruikt, opgemaakt.
Mi skien de njam mi
ik heb pijn door al mijne leden.
Njam´ wan sóema bákka
achter iemands rug kwaad spreken.
Njam mófo
pochen, zwetsen.
Njam´ jári, njam´ sónde'
den nieuwjaarsdag, het nieuwjaarsfeest, den zondag vieren.
Njam´ wéntje
(van eene vrouw) den jeugdigen leeftijd, den kinderloozen staat genieten.
Boen njam´ kíli kaufléi
(sprw.) De zin is: Voorspoed baart zorgeloosheid.
Etym.:
Afrik.
.
Njámmisi
znw.
yams, een rank gewas, waaraan de wortel een zeer goed voedsel oplevert. (Dioscorea.).
Makka-njámmisi
een onkruid.
Njámmisi-físi
eene soort van visch.
Etym.:
Arr.
.
Njánja
znw.
een rank gewas van dien naam.
Njawarì
znw.
visscherspaard, een plank, waarmede de visschers over den modder glijden.
Njénjoe
bijv. nw.
bedorven kind, verwijfd, maltentig.
Etym.:
Port.
.
Njoen
bijv. nw.
nieuw, versch, jong, ongerept.
Njoen-jári
nieuwjaar.
Wan njoen sóema
een nieuw aangekomene.
Njoen Níngre
slaven, pas uit Afrika aangebragt.
Njoen wéntje
jonge maagd.
Njoen-man
jongeling.
Njoen károe
jonge, versche mais.
Wan njóen-njóen pikíen
een pas geboren kind.
So njóenjoen-njóenjoen
splinternieuw.
Etym.:
Eng.
.
Njóensoe, (njóesoe)
znw.
nieuws, berigt, tijding.
A tjári njóensoe kom´, táki...
hij heeft de tijding medegebragt dat...
Etym.:
Eng.
.
Njóesoe (njóensoe)
ww.
gewennen, gewoon zijn.
Sínsi a kom´ njóesoe nanga mi
sedert hij (zij) met mij gemeenzaam is geworden, gewend is geraakt.
Etym.:
Eng.
.
No
bijw.
neen, niet.
Nóno
neen.
Nóno nóno!
Neen! volstrekt niet.
Mi no kan
ik kan niet.
A no wan sannì
het is niets.
A no de
hij (zij, het) is er niet.
Joe mándi no?
gij zijt boos, niet waar?
Bája! joe no jerépi mi pikíenso?
Och, vriendlief! help mij eens even.
Di joe njam´ kabà, ji no si, joe de wákka de kóiri, na pe foe joe go na wróko
ik wist wel, dat gij, nu gij goed gegeten hebt, zoudt loopen slenteren, in plaats van aan uw werk te gaan.
Nóso
anders.
Kabà, nóso mi de go tóri joe
schei uit; of anders zal ik u verklappen.
Etym.:
Eng.
.
Nófo
bijw.
genoeg, toereikend, voldoende.
Kabà! a nófo
houd op, het is genoeg.
Joe mémre, ji no sa kísi nófo?
denkt gij niet genoeg zult krijgen.
Joe moe téki nófo wántem´
gij moet in eens een genoegzamen voorraad nemen.
Nófo tron
veelmalen, dikwijls.
Ho méni de dapé? Dem´ de nófo.
Hoeveel zijn er wel? Er is een tamelijk aantal.
Etym.:
Eng.
.
Nóitì
bijw.
nooit, nimmer.
Nóiti-wantem´
nooit vanmijn leven.
Etym.:
ND.
.
Nojà
znw.
eene soort van visch zonder schubben, uit de familie der Silurideën.
Nómo
bijw.
slechts, niet meer dan, steeds. (Verkort voor no moro.).
Tóe nomo
twee slechts, niet meer dan twee.
Da so dà han de njam dóro nomo
ik heb altijd dóór inwendig pijn aan die hand.
A de na mi bákka
hij is mij steeds op de hielen, hij vervolgt mij onophoudelijk.
Nómo, di a dóro so pràn...
op het oogenblik, dat hij daar aankwam.
Etym.:
Eng.
.
Nonì
bijv. nw.
heel klein.
Dà pikíen nonì-wan
die hele kleine.
Nóso
znw.
neus, snuit (van een dier.).
Bro nóso
zich snuiten, zich den neus snuiten.
Tobì-nóso
lange neus, mislukte verwachting.
Méki tobì-nóso gi wan sóema
iemand uitjouwen.
A kísi tobì-nóso
hij es er bekaaid afgekomen.
Etym.:
Eng.
.
Nóti
bijw.
niets, niet-met-al.
Tán mara! das nóti.
Wacht maar! het is niets, ik zal u wel vinden.
Das nóti
werd vroeger bij de hernhutters gebezigd voor vergiffenis, pardon.
Etym.:
Eng.
.
Notísi
znw.
notitie,kennis.
Mi no ben téki notísi foe datti
ik heb er geen acht op geslagen.
Nóto
znw.
noot neut.
Kokro-nóto
kokosnoot.
Noto-moeskáti
(ook wel enkel nóto) muskaat-noot, noten-muskaat.
Bóesi-nóto
een eetbare, wilde noot; hetzelfde als Babóen-noto.
Jengi-nóto
bokkenoot, Sawarì-noot.
Etym.:
ND.
.
Copyright © 2000