O - o
O
vragend vnw.
voor ho.
O dísi?
Welke? Zie op Ho.
O
tusschenw.
uitroep van verwondering, (zeer kort van klank.).
O! Néne sréfi toe!
Hé! Moeder! is't mogelijk?
Mi háksi hem´, mi táki: O! fa joe kan doe so sannì?
ik gaf hem (haar) mijne verwondering te kennen, hoe hij (zij) zoo iets kon doen.
O
tusschenw.
O! meestal als uitroep achteraan gevoegd.
Basi ó! jéi d'ía
o baas! zeg eens, hoor eens hier!
Mi Mamà ó! mi dede!
Ach hemel! ik ben verloren!
Obè-makkà
znw.
naam eener Afrikaansche palmsoort, welke de palm-olie (ningre kóndre-fáttoe) voortbrengt.
Obia
znw.
toovermiddel, hetwelk de Negers in hun bijgeloof in den grond graven of ergens plaatsen, om eenen vijand te schaden of een oneluk af te weren.2 ook soms insnijdingen in de huid, aan welke eene bepaalde tooverkracht wordt toegeschreven.
Obia-man
toovernaar, hekse; iemand, die Obia's vervaardigt of daarmede omgaat, zich daarvan bedient.
Obia-tetéi
betooverde snoer of draad, talisman, amulet.
Obia boen, ji sa si na kóti.
(sprw.) De zin is: Men kent den vogel aan zijne veeren.
2)
Obónoe
znw.
tooverij, afgoderij der Negers; 2 priester of priesters de afgodendienst.
2)
Etym.:
Afrik.
.
Odi
tusschenw.
goeden dag! 2 znw. groet.
Odi-ódi ó!
(gemeenzaame en vriendschappelijke uitroep.) Salut! goeden dag!
Odi-ódi no jerépi sikimán, ma pikién páppa.
(sprw.) Een bloote groet baat den zieke niet, maar wel een weinig pap.
Táki ódi
groeten.
Táki Máss'ra bígi ódi
mijne hartelijke groeten, - vele complimenten aan Mijnheer.
Odi-ódi boto-mán
eene soort van krabben, die hare scharen in de hoogte dragen.
2)
Etym.:
Eng.
.
Odo
znw.
spreekwoord, spreuk, puntige of beeldsprakige zegswijze, schampscheut.
Kóti ódo
zich in spreekwoorden uitdrukken, een spreekwoord bezigen.
Mófo sekiséki, ódo komópo.
(sprw.) Als men regt aan 't praten gemaakt wordt, komen de spreekwoorden, de schampschoten los.
Oénoe
pers. vnw.
gijlieden; ulieden, 2 bezitt. vnw. uw, uwe, (verkort Oen.).
Oen lóekoe boen
past op! wees voorzigtig!
Oen póeloe oen sanì d'iá so
neemt uwe dingen van hier weg.
Kà! óenoe!...
een uitroep van uitkeuring, zooveel zeggende als: O gij ongezeggelijk, onverbeterlijk geslacht!
2)
Oeroekóekoe
znw.
uil, nachtuil.
oeroekóekoe-snéki
naam van een vergiftige slang.
Alla fówloe de bári, ma te oeroekóekoe de bári, da ógri fówloe.
(sprw.) Alle vogels geven geluid, maar als de nachtuil zich laat hooren, heet het een onheilspellende vogel.
Etym.:
Arr.
.
Ogri, (hógri)
bijv. nw.
kwaad, ondeugend, slecht, erg, streng. 2 znw. het kwaad, ondeugd, slechtheid, strengheid, ongeluk, verderf.
Da wann ógri boi foe troe
dat is met regt, in waarheid, een kwade jongen.
Dà bakrà ógri, ba'!
die man is streng, hoor!
Fa dà sikimán tan? A ógri-réti-réti.
Hoe vaart de zieke? Hij (zij) is heel erg.
Ogri héde
ongeluk, tegenspoed.
Mi hábi ogri hede
het loopt mij niet mede.
Ogri hái
wangunst, nijd.
Ma da ógri foe joe no ha kabà dan?
Zult gij uwe ondeugenheid dan nooit afleeren?
Ogri hátti
kwaadwilligheid, kwaadaardigheid, baldadigheid. (Ook als bijv. nw.)
Loekoe so wan ógri-hatti arén gi mi!
Zie mij nu zulk een verradelijke regen aan!
Ogri bróedoe
huiduitslag, vliegende roodheid.
No doe datti; da wan bígi ógri
doe dat niet, het is een groot kwaad:
Lóekoe boen, joe no kísi ógri
pas op, dat gij geen ongeluk krijgt.
Ogri no ha mássra.
(sprw.) Het ongeluk heeft geen meester, - ligt in een hoekje.
Ogri-héde foe máka-físi, dem´ nánga bére.
(sprw.) De zin is: Een ongeluksvogel loopt het altijd tegen.
2)
Etym.:
Eng.
.
Ogroe
bijv. nw.
alleen gebruikelijk beij den uitroep:.
Ogroe Gádo!
Groote God! God almagtig!
Etym.:
Eng.
.
Ohien
znw.
(verouderd) ezel.
Okó
znw.
drank van cassavebrood of rijpe banannen vervaardigd.
Okro
znw.
naam eener vrucht, okrum, okro.
Okro-brafóe
okrum-soep of braf.
Wan fiénga no kan driéngi ókro.
(sprw.) Men kan één vinger geen okro-braf eten.
Joe lóbi ókro, joe moe lóbi hem´ síri toe.
(sprw.) Houdt gij van de okro, dan moet gij van de pitten ook houden.
Oli, (óri)
znw.
olie.
Switi-óli
traan, lampolie.
Etym.:
ND.
.
Ondro
voorz.en bijw.
onder.
Na óndro
onder.
Lóekoe na óndro táfra
kijk onder de tafel.
Ondro-séi
het onderste.
Na ondro-séi
van onderen.
Ondro-hóso
kelder, onderhuis.
Onder-fóetoe
de voetzool.
Ondro-hánnoe
de oksel, onder de armen.
A téki dà Mísi na ondro hánnoe, foe go kóiri.
Hij bood zijn arm aan die dame, om met haar te gaan wandelen.
Joe pótti mi na sódro, joe póeloe fráppoe na mi óndro.
(sprw.) Gij hebt mij op zolder gebragt, en den trap onder mij weggenomen; d.i. Gij hebt mij in een toestand geplaatst, waaruit ik mij niet kan redden.
Joe ds azegè, joe de njam´ na óndro.
(sprw.) Gij zijt als een kever, gij knaauwt in het duister; d.i. Gij verkropt de beleediging, maar vergeeft die niet.
Etym.:
ND.
.
Opéte, (opítte)
znw.
stinkvogel, soort van gier, (poëtisch, weinig in gebruik.
Opo
bijw.
boven (van eene rivier of stroomend water sprekende).
Mi de go na ópo, na ópo-séi
ik vaar naar boven, ik ga de rivier op.
Etym.:
ND. Eng.
.
Opo, (hópo)
bijv. nw.
open. 2 ww. openen, openmaken, opendoen.
Dóro ópo nó
de deur is nagenoeg open.
Opo dà fénsre
doe dat venster open.
Opo dóro
open deur.
Opo wan siéngi
een lied aanheffen.
2)
Etym.:
ND.
.
Opo, (hópo)
ww.
opnemen, opbeuren, oprapen, optellen. 2 onz. ww. opstaan.
Opo dà pikíen
neem da kind op.
Bifó son ópo
vóór zonsopgang.
Opo tanápoe
sta op, ga overeind staan.
Mássra no ópo jéte
Mijnheer is nog niet op.
2)
Etym.:
ND.
.
Osí-osí
znw.
kleine schurft, knopjesschurft, de schurft tusschen vel en vleesch.
Oto
bijw.
uit (meest in zamenstelling.).
Soékoe óto
zoek uit.
kom-óto
kom daar van daan.
Kom-óto
uitkomen.
Mi no kan kom-óto
ik kan er niet uit wijsworden, - niet uitkomen.
Etym.:
Eng.
.
Ouwroe
bijv. nw.
oud, bejaard, verouderd, oudbakken.
Wan óuwroe mamà
een oude bes.
ouwroe-tem´
de oude tijd, voorheen.
Ouwroe-pái
een oud, afgeleefd man, grijsaard.
Ouwroe-wefi
een zoetwater-visch van dien naam.
Ouwroe-síki foe tódo da kraskrássi.
(sprw.) De oude ziekte der padde is de schurft.
Etym.:
Eng.
.
Ovroesánsi
bijw.
over 's hands.
Joe moe nai hem´ ovroesánsi
gij moet het over 's hands naaijen. 2 ww. over 's hands naaijen.
Copyright © 2000