R - r
Ratíen
bijv. nw.
verrot, (thans verouderd.).
A ratíen kwéti-kweti
het is geheel vergaan.
Etym.:
Eng.
.
Rédi
bijv. nw.
rood.
A rédi njá
het is rood als vuur.
Redi-móesoe
negersoldaten, guides.
Redi-bórsoe
roodborstje.
Reditére-snéki
een soort van slangen.
Redi-rédi
bijv. nw. roodachtig; 2 znw. banknoot van 15 cent.
Wan redi-rédi nánga wan sénsi méki toe sren
eene bankhout van 15 cent en een cent daarbij is gelijk aan twee schellingen, oud Surinaamsch geld.2 de roode loop, persloop.
2)
Etym.:
Eng.
.
Rei
ww.
rijden.
Etym.:
ND.
.
Rei
znw.
rij, timmermans lengtemaat.
Etym.:
ND.
.
Rekéte, lekéti)
znw.
soort van kippen, welke zeer korte pooten hebben.
Etym.:
Eng.
.
Respéki
znw.
respect, achting, eerbied, ontzag, vereering.
A de gi hem Mamà respékki
hij vereert zijne moeder.
Respékki foe joe
om uwenwille, omdat gij het zijt.
Respékki foe wan swíti brafóe, joe sa njam´ wan sóewa tontóm´.
(sprw.) Om een lekkere braf moet gij u een zuur geworden tomtom laten wegvallen.
Etym.:
Fr.
.
Réti, (léti)
znw.
regt, waarheid.
Joe hábi réti
gij hebt gelijk.
Kakráka no ha' réti na fówloe mófo.
(sprw.) De kakkerlak in den bek van de kip heeft altijd ongelijk.
Babári krabíta no hábi réti.
(sprw.) De zin is: Hij die klaagt, krijgt zelden gelijk.
Foe táki réti
om de waarheid te zeggen.
Táki réti a no asránti.
(sprw.) Men mag de waarheid spreken, zonder zich aan oneerbiedigheid schuldig te maken. 2 bijv. nw. regt, waar, echt.
Réti ábra
regt, tegenover, vlak over.
Réti óto, réti ópoe
regt uit.
Dà réti pássi
de regte weg.
Réti han
regterhand.
Dà réti wan
de ware, de regte.
Réti granáki
echte granaten (koralen.)
Réti trou
de trouwdag, de voltrekking des huwelijks.
Réti-reti
zeer bovenmate; 2 in ernst, degelijk.
A tránga réti-reti
hij is ter dege sterk.
A no pléi-plei, dà réti-reti
't is geen gekscheren, het is ernst.
Ho réti pe' joe de líbi?
Waar woont gij eigenlijk? Waar is uwe juiste woonplaats?
2)
Etym.:
Eng.
.
Riénga
znw.
ring.
Rienga-woróm
ringworm, eene huidziekte. (Herpes)
Etym.:
ND.
.
Rígi
ww.
rijgen, aanrijgen, toerijgen.
Etym.:
ND.
.
Ro
znw.
rij, reeks, regel, regte lijn. (Ook Lo.).
Dem práni álla na wan ro
men heeft het alles op eene rij geplant. 2 roei-riem, roeispaan; 3 ww. roeijen.
Wan áiti-ro bóto
een achtriems-tentboot.
Ro bóto
de boot voortroeijen, op de boot roeijen, roeijer zijn.
3)
Róllo, (lóllo)
ww.
rollen, wentelen; 2 znw. rol.
Róllo dà barrì go na hóso
rol dat vat naar huis.
Krabíta-kakà nen wan' róllo gránwe, nou sisíbi tja'nem´
(sprw.) De zin is: Men vindt ligt een stok, om een hond te slaan.
Wan róllo pampíra
een rol papier.
2)
Etym.:
ND.
.
Rómoto, (rómboto, lómoto)
bijw.
rondom, van alle zijden.
Róbbi hem bóenboen rómoto
schuur het ter dege van alla kanten. 2 ww. omringen, omgeven.
Ji si fa dem´ rómoto hem´
zij stonden daar allen om hem heen.
Dem´ álla kom´ rómoto mi
zij omringden mij allen.
2)
Etym.:
Eng.
.
Róntoe, (lontoe)
bijv. nw.
rond; 2 bijw. rondom; 3 ww. omringen, rondom staan, rond gaan.
3)
Etym.:
ND.
.
Rósoe
znw.
roos;2 de roos, zekere kwaal.
Swíti rósoe
Europesche roos.
Rosoe-wátra
rozenwater.
Rosoe-fóetoe
roosbeen, het knobbelbeen.
Etym.:
ND. Eng.
.
Copyright © 2000