S - s

S.
Sa ww. verkort voor Sabi. (Zie aldaar.).
Sa hulpww. zullen. Mi sa go ik zal gaan. Joe sa kom´ gij zult lomen. A sa doe hij zal doen. Wi sa si wij zullen zien. Etym.: Eng. .
’Sa znw. verkort voor Sisa. (Zie aldaar.).
znw. zaag; 2 ww. zagen. Sa-sá tífi spitse en, als ware't, gezaagde of zaagtanden.
2) Etym.: Eng. .
Sába znw. sabbat. (ook sabà.). Njam´ sába den sabbat vieren. Sába-tem´ beter Sáppa tem´. (Zie aldaar.)
Sabakóe znw. eene soort van vogels, tot de familie der steltloopers behoorende. A no sabakóe wawán hábi lánga fóetoe: (sprw.) De Sabakoe's zijn niet de eenigen, die lange pooten hebben. Etym.: Arr. .
Sabána znw. weide, savane, opene vlakte; 2 begraafplaats voor slaven; 3 vrouwennaam. A tjári kau go na sabána hij (zij) is gegaan, om de koiejen naar de weide te brengen. Sabána-sei de Savane-kant, eene buitenbuurt van Paramaribo. Sabána sméri-wiwíri naam ener plant.
3)
Sàbi ww. weten, verstaan, beseffen, kunnen, kennen, bewust zijn. Mi no sàbi ik weet niet, ik weet het niet. A sàbi hem´ wróko hij verstaat zijn werk. Sàbi bóesi het bosch kennen, in het bosch den weg weten. Sàbi pampíra in zaken ervaren zijn. (verkort: Sa) A no sa' foe doe datti hij kan dat niet doen, hij weet niet hoe hij dat doen moet. Mi ben sa' so, mi no ben sa kom´ had ik dat geweten, ik ware niet gekomen. Sábi-sò kom´ na bákka of ook: Sábi-sò da bákka pikíen. (sprw.) Berouw komt achteraan. Joe sábi dà áss'ra? Kent gij den Heer? Sábi boen dankbaar, erkentelijk zijn, weldaden erkennen. Dà pikíen sábi sanì kabà dat kind heeft reeds begrip. Kráboe sabi foe komóto na gódo, ma a na sábi foe go bakka. (sprw.) De krab weet wel uit de godo te geraken, maar zij weet er niet weder in te komen. Dà sanì, dí joe sábi, no sa kíli joe; ma dà sanì, di joe no sábi, da hem´ sa kíli joe. (sprw.) Hetgene gij weet, zul u niet in het verderf brengen, maar wel hetgene gij niet weet. Etym.: Port. .
Sáffoe bijv. nw. zacht, week, murw, teeder. Saffoe-sáffoe week, dun (van lepelspijzen.) Gránwe ouwroe-mamà, tífi ben de seki-séki; di a lóesoe, saffoe-tája ba'. nem´. (sprw.) Sedert lang schudden de tanden van het oude besje; nu zij los raken, krijgt een zacht gekookte tayer de schuld. D.i. Men vindt ligt een stok, om een hond te slaan. Etym.: Eng. .
Sáfri bijv. nw. stil, zacht, langzaa,; 2 bijw. zoetjes, stilletjes. Wákka sáfri langzaam, ook zoetjes loopen. Táki sáfri spreek zacht. Sáfri kísi mónki. (sprw.) De zin is Door beleid overwint men de grootste zwarugheden. Sáfri-sáfri allengskens, bedaardheid. Agamà táki: hési-hesi boen, safri-sáfri boen toe. (sprw.) Haast u langzaam.
2) Etym.: Eng. .
Sagoewínki znw. eene soort van kleine apen, sagouin, sagwijntje. Etym.: Arr. .
Sakkà znw. speeltuig bij de negerdansen, zijnde een kalebas mer koralen of pitten gevuld.
Sákka znw. zak, zakje, beurs, baal. Sákka pikíen kind met een helm geboren. Koffi-sákka koffij - baal. Etym.: ND. .
Sákka ww. zakken, nederdalen, afkomen, nederlaten, nederzetten; - verminderen, slinken. Sákka na gron kom beneden. Jerépi mi, sákka dà sanì help mij dit nederzetten, (ook) naar beneden brengen. Máss'ra moe sákka dà wróko gi wi Mijnheer moet het werk, den arbeid, de taak voor ons verminderen, verligten. Dà fóetoe sákka pikíenso die voet, dat been is een weinig geslonken. Sakka-sákka bezinksel, draf, droesem, uitschot. Sóema njam´ jen, trowè dà sakka-sákka d'ia so? Wie heeft er suikerriet gekaauwd, en het uitgekaauwde hier neergegooid? Oen sakka-sákka níngre! Gij schuim van negers! gij uitschot! Etym.: ND. .
Sakkà-síri naam eener plant, waarvan de pitten in de sakkà gebruikt worden. Sakkà-snéki ratelslang. Etym.: Arr. .
Sakoerà znw. een drank van kassave gemaakt, bij de Indianen in ge gebruikt.
Sáma Zie Sóema.
Sangrafóe znw. naam van eene plant. (Costusuireus, G.F.W. MEIJER.).
Sángri znw. drank van wijn, water, suiker en specerijen zamengesteld. Etym.: Eng. .
Sanì znw. ding, zaak, waar, goed, voorwerp, iets. Alla sanì alles. Wan bígi sanì eene zaak van gewigt. Dem´ sanì dísi, ía deze dingen. A no wan sanì het iets niets. Ho sóortoe sani dátti? Welke dingen zijn dat? Wat is dat? So sanì? Wat? Ho san'? Korter (san? Wat? San' joe wáni? Wat wilt gij? San' doe joe? Wat scheelt u? San' datti? Sánati dátti? Wat is dat? San' héde? (ook San'? Waarom? San' joe de tróbi mi? Waarom plaagt gij mij? Wan sóso sanì eene nietigheid. San' kom´? Welke nieuwigheid? Koffi-sanì koffijgoed, ontbijt. Njanjam´-sanì eetwaren. Séri san goederen verkoopen. Mi no sábi so sanì zoo iets versta ik niet. Sábi sanì kennis, verstand hebben. Da wan sanì datti, a kom´ méki gi mi! Kwam hij mij daar niet eene beweging maken!... Sanì móro mi, mi líbi hem´ de toen ik 't niet langer kon uithouden, liet ik hem (haar, het) daar. Sanì móro tígri, a njam´ klei-dotti. (sprw.) Als de tijger het te kwaad krijgt, als de honger hem overmeestert, eet hij klei. D.i. Nood breekt wet. Sanì móro kiskíssi, brassa makkà. (sprw.) Als de nood aan den man komt, omarmt de aap den doornstruik. Etym.: Eng. .
Sáni znw. zand. Etym.: ND. .
Sápa znw. avondeten. Njam´ sápa het avondmaal nuttigen, avondmalen, souperen. Sápa-tem´ avond. Tidè sápatem´ heden avond. Etym.: Eng. .
Sapakára znw. een dier uit de orde der hagedis-achtigen. Sapakára-snéki eene soort van slangen.
Saprapì znw. een visch uit de familie der aalachtigen.
Sarasára znw. garnaal. Sarasára-wiwíri een soort van waterplanten.
Sàri ww. treuren, kwijnen, deernis hebben, zich erbarmen. 2 znw. treurigheid, droefenis, medelijden. Gádo sa sàri mi God zal deernis met mij hebben, zich over mij ontfermen. A de na sári hij (zij) is in de droefheid, is aan het treuren. A hábbi wan sári hátti hij (zij) heeft een medelijdend hart.
2) Etym.: Eng. .
Sàri ww. toereikend, genoegzaam zijn. A no sári joe gij zult er niet genoeg aan hebben. Njam, méki a sári joe eet uw bekomst, uw genoegen. Wan sníppi no sári préti. (sprw.) Een snip is niet genoeg voor een' schotel.
Sárki znw. haai. Etym.: Arr.`Eng. .
Sátra znw. Zaterdag. Etym.: ND. Eng. .
Sautoe Zie soutoe.
Sawawà znw. een huidziekte, eene soort jaws, na-yaws.
Sébi ww. scheren, snoeijen. Sebi-néfi scheermes. Etym.: Eng. .
Sédre znw. eederboom, eederhout. Etym.: ND. .
Sedri znw. selderij. Etym.: ND. .
See znw. beschemgeest; ziel.
Seebien, (Seibien seibie.) getalw. Zeven. Seebien tem´ tien zeventig. Tien na seebien zeventig. Seebintárra-kakà een plantaardig slijm, dat bij zware en aanhoudende regens, uit den grond opslaat, en zich daarover uitspreidt. Etym.: ND. .
Séki ww. schudden, bewegen, schommelen, waggelen. Séki sikíen, méki wi go rept uwe leden, dat wij er spoedig komen! (eene aanmoediging der roeijers.) Séki han de hand geven. Séki han, nánga dà wróko werk wat aan! Grón seki aardbeving. Séki-wátra ontstuimig water. Kóndre séki het gansche land is in rep en roer. Mi káli hem´, ma a no 'séki sréfi ik heb hem geroepen, maar hij heeft zich niet eens verroerd. Seki-séki (frequentatief) herhaaldelijk schudden, waggelen. Mófo seki-séki, ódo komópo. (sprw.) Wanneer de mond zich veel beweegt (d.i. wanneer het gesprek levendig, warm, driftig wordt) komen er kernspreuken of schampere zetten voor den dag. Gránwe ouwroe-mamà tífi de seki-séki, di a loésoe safroe tája ha nem´. (sprw.) Het besje had sinds lang een schudden tand, nu die geheel losraakt, krijgt de zachte tayer de schuld. Etym.: Eng. .
Sekrepáttoe znw. schildpad; eigenlijk de landschidpad. Etym.: Arr.`ND. .
Semprefíti znw. (ook wel Semprefísi) eene soort van aloé.
Séndi, (Sénni) ww. zenden, afzenden, toezenden, uitzenden. Sen' hem´ (sendi hem´) gi mi zend hem (haar het,) mij toe. Mi sa sénni ta'i gi joe ik zal u laten weten. Mísi sénni táki joe ódi Mevrouw laat u groeten. Mi sénni káli Dátra ik heb om den docter gezonden, ik heb den docter laten halen. Mássra sénni dágoe, dágoe senn' hem´ tére. (sprw.) De meester zendt zijn hond uit, de hond zendt zijn staart. Etym.: ND. Eng. .
Seréfi Zie Sréfi.
Séri ww. verkoopen, te koop aanbieden, uitventen. Wákka séri sanì met waren langs de straat te koop loopen. A de foe séri het is te koop. Sériman no ben séri, báiman no sa bai. (sprw.) Had de verkooper niet verkocht, de kooper zou niet gekocht hebben. Mi séri mi héde ti-dè ik zet alles op het spel. Etym.: Eng. .
Seséi znw. schaar; 2 scharen eener krabbe enz.
2) Etym.: Eng. .
Sétti ww. beginnen, opzetten, inzetten, aanvangen. A sétti lon hij zette het io een loopen. Nómo di a táki so, a séti krei naauwelijks had hij (zij) dat gezegd, of hij (zij) begon te schreijen, sloeg aan 't weenen. Sétti króetoe de vierschaar spannen. Sétti wan wróko (wan brei) een werk, b.v. breiwerk, opzetten. Sétti tráppoe een val op knip zetten, eens strik spannen. Etym.: ND. .
Si znw. kant, zijde, oever, buurt. Wátra-séi de waterkant, de kade langs het water. doro-séi van buiten. Na abra sei aan den overkant, aan de overzijde. Na opo-sei de rivier opwaarts. Bakka-séi de achterzijde. D'ía na sei hier naast bij onzen buurman. Wákka na séi-sei langs den kant houden. Bóto wákka na séi-sei, te a kotti ábra (sprw.) De zin is: Geduld en beleid bouwen huizen als paleizen. Mi sei de hátti mí ik heb pijn in de zijde. Kom´ na mi sei kom bij mij. Tj5ri pikíen na sei een kind dragen, 't welk meest op de heup gegschiedt. A sidon na sei fénsre hij (zij) zit aan het venster. Na sei fája bij het vuur. Sei-plánga de wand, het beschot. Sabána-sei de Savane-kant, buitenbuurt van Paramaribo. Kerkí-séi het Kerkpkein, van ouds de Oranjetuin te Paramaribo. Sei-fóetoe de lies; 2 de opzetting der klieren aldaar, die van koorts vergezeld gaat.
2) Etym.: ND. .
Si ww. zien, kijken, bemerken. Joe si? Ziet gij wel? Zie dat eens aan! Mi sa probéri si ik zal het eens beproeven, proberen. Kom´ lóekoe si kom maar eens kijken of het zoo is. Kom´ mi si laat eens kijken. A no kan si mi na hai hij kan mij niet luchten of zien. Si boen brooddronken zijn. Dem´ si-boen ningre die bedorven, brooddronken slaven. Si boen nánga fri a no wan. (sprw.) Buitensporiheid of genomen vrijheid en verkregen vrijheid is niet één, is niet één.
Síbi ww. vegen, stoffen, aanvegen. Síbi joe hóso, bifó joe síbi joe dóro (sprw.) Veeg uw huis eerst, en dan de straat vóór uw huis. Sisíbi (verkort voo sibi-síbi stoffer, bezem. Sisíbi-wiwíri een kruid van dien naam.
Sidòn ww. zitten, nederzitten; 2 bezinken. Go sidòn pikíenso ga een oogenblik zitten. Te joe si dà dréssi sidòn, joe moe dek'séki hem´ zoo gij merkt dat het drankje bezonken is, moet gij het schudden. Sidòn-pattáta eene soort van patatten, die niet ranksgewijze voortkruipen. Mi hátti sidòn. ik ben gerust.
2) Etym.: Eng. .
Síeksi getalw. Zes. Sieksi-tem´-tien zestig. Tien na síeksi zestien. Etym.: Eng. .
Síengi ww. zingen; 2 znw. zang; gezang, lied, deun. Siengi-lóekoe muzijkboek, gezangboek, liederbundel. Dem´ pótti mi na síengi zij hebben een liedje op mij gemaakt.
2) Etym.: ND. Eng. .
Siengrássi znw. zeilgras, de vezelen uit de bladeren eener Bromeliasoort. Etym.: Arr. Eng. .
Síengri znw. singels, houten leijen of plankjes, waarmede de huizen gedekt worden. Etym.: Eng. .
Síka znw. aardvloo; een klein insect, dat zich onder de huid zet, en daar een eijerzak vormt. Sika-pépre een kleine, ronde soort van peper. Sika-fáttoe sika-balsem; 2 ook de houtsoort, waarvan de boom dezen balsem oplevert. Síka táki, hem´ lóbi sóema, ma sóema no lóbi hem´ (sprw.) De sika zegt: hij houdt van de menschen, maar de menschen niet van hem.
2) Etym.: Arr. Fr. Sp. .
Síki bijv. nw. ziek, krank, ongesteld, onpasselijk. 2 znw. ziekte, kwaal, ongesteldheid, onpasselijkheid, krankheid. 3 ww. ziek zijn,ziek liggen,sukkelen. A de síki hij is ziek. A de síki na hai, na bére hij heeft het op de oogen, het schoot hem in den buik, in het lijf. Wan síkiman een zieke. A de siki-síki dóro hij (zij) sukkelt gestadig. Hátti-siki aamborstigheid, kortademigheid. Snéki-siki gordelroos. Slíbi-siki slaapzucht. Síki lánga, ódi kabà. (sprw.) Als de ziekte lang duurt, houdt de belangstelling op.
3) Etym.: ND. Eng. .
Singrebére znw. oud mes zonder hecht.
Sínsi bijw. sints, sinds, sedert, zoo langs als. Sínsi mi de, mi no si so dat heb ik in mijn leven lang niet gezien. Sínsi kóndre ben de zoolang de wereld bestaat. Etym.: Eng. .
Siparì znw. eene soort van visch, rogge. Etym.: Arr. .
Sípi znw. schip. Feti-sipi oorlogschip. Wan feti-sípi bakrà een officier, onderofficier of kadet der Marine. Smoko-sípi stoomboot. Etym.: Eng. .
Síri znw. zaad, zaadkorrel, pit, steen van eene vrucht. Redi-síri de boonen van een hoogen boom. Sakkà-síri de pitten van Canna indien. Sopo-síri de poeder, die voorkomt uit hout, dat door insecten vervreten wordt. Joe lóbi ókro, joe moe lóbi hem´ síri toe. (sprw.) De zin is:Zoo gij van mij houdt, houdt gij ook van mijne kinderen. Etym.: Eng. .
Sísa znw. zuster; 2 jonge vrouw, meisje, vrijster. Sísa! ódi ó! Dag, meisjesmaat! Sísa wéntje, jeéri d'ia! Vrijster! hoor eens hier. Mi sísa pikién mijn neef of nicht. (Verkort 'Sa, 'Sa Anna (Het is een titel voor vrouwen uit den slaven- of gemanumitteerdenstand, van jonge en middelbare jaren, zoo als Mamà voor oudere vrouwen, en Bási en Talà voor mannen van dezelfe klasse.)
2) Etym.: Eng. .
Sisí znw. titel of benaming, die de jonge Kreolen aan hunne meesteres geven; 2 beschermvrouw van een Doe. (Waarschijnlijk verkort van Signora.
2)
Sísi woordje, dat tot aanhalin en overbrenging van het door een ander gesprokene dient. A táki sísi, hem´ no wáni, bikà... Hij heeft gezegd, hij wilde niet, want... (Zie op Aí.) Etym.: Eng. .
Síssi znw. sits, chits; 2 bijv. nw. van sits, sitsen. Wan síssi pángi een sitsen paantje.
2) Etym.: ND. .
Sitróen, (stroen) znq. citroen. Sitróengrassi citroengras.
Sja, (siä) tusschenw. uitroep van afkeuring. Foei! Ajakkes! Sià! lóekoe fési foe hem´! Zie dat leelijke gezigt eens aan!
Sjátoe, (siättoe,) bijv. nw. kort, klein van gestalt. Wan sjátoe bakrà een korte blanke, een kort heer. Dà tíki sjátoe tóemoesi die stok is te kort. Etym.: Eng. .
Sjem´, (síém´) znw. schaamte, beschaamdheid, schande. Joe no hábi sjem´? Schaamt gij u niet? Joe gi mi sjem´ na fési foe álla sóema gij hebt mij voor aller oogen beschaamd doen staan. Joe no tíki sjem´ njam´ wísi. (sprw.) Gij moet niet uit schaamte vergif gebruiken. Sjem´-sjem´ het kruidje-roer-mij-niet. Etym.: Eng. .
Sjóeroen, (Siöcroen) znw. roode zuring. Etym.: ND. .
Sjóro znw. oever, wal, strand. Go na sjóro aan wal stappen, aanleggen, landen. Etym.: Eng. .
Skáfoe znw. schaaf; 2 ww. schaven.
2) Etym.: ND. .
Skápoe, (Sikápoe) znw. schaap. Mán-skapoe ram. oman-skapoe ooi. Pikíen skapoe lam. Skápoe déde, a líbi pinà gi hem bóeba. (sprw.) Bij den dood van het schaap, krijgt zijn vacht het lijden tot een legaat. Mi hópo dóro gi skápoe, mi no kan jerépi ku komóto. (sprw.) Ik heb de deur voor de schapen opengedaan, ik kan niet helpen dat er ook de koeijen uitgekomen zijn. Etym.: ND. .
Skedréi znw. schilderij, plaat of prent in lijst, portret, afbeelding. Fési ben de bifó skedréi. (sprw.) Het gezigt was er vóór het portret. De zin is: die het eerst komt, die het eerst maalt. Etym.: ND. .
Skeín znw. schaduw, schaduwbeeld. Etym.: ND. .
Skien, (sikién) znw. ligchaam, lijf, huid, de leden; de buitenzijde van eenig onbezield voorwerp. Sóso skien naakt, het bloote lijf. Mi skien hébi ik ben traag, ik er tegen op. Mi skien bróko ik ben mat, loom. Mi skien de hátti mi ik heb pijn in de leden. Mi skien de gro kóuroe (ook mi skien de gro) ik huiver, ik krijg kippnvel. A de boen na skien hij ziet er gezond, stevig uit. Téki skien bákka na eene ziekte of vermagering weer op zijn verhaal komen, weer bijkomen. Séki skien, méki wi go rept uwe leden, dat wij vooruitkomen. Krabíta-skien huiverigheid, trilling door de leden. Da so a de na mi skien dóro nómo hij vervolgt mij bestendig. Dem´ wassiwássi de na dà sóekroe skien nómo die wespen laten die suiker maar niet met rust. Skien foe hóso de buitenmuur van het huis. Etym.: Eng. .
Skíkki ww. schikken, opschikken, in orde schikken. Etym.: ND. .
skóema znw. schuin. Etym.: Eng. .
Skóena znw. schoener. Etym.: Eng. .
Skóerki, (soekróeki) znw. een zwemvogel van dien naam, skroertje. Etym.: Fr. .
skóeroe ww. schuren. Etym.: ND. .
Skólo znw. school. Go na skólo naar shool gaan, te school gaan, school gaan. Skóko komópo de school is uit. Etym.: ND. .
Skóppoe (sikópoe) ww. schoppen; 2 znw. schop, spade. Dem´ pótti hem´ na skóppoe men heeft hem aan de schop gezet.
2) Etym.: ND. .
Skóuroe znw. schouder. Etym.: ND. .
Skrífi ww. schrijven, opteekenen, opschrijven; 2 znw. schrift. Skrífiman schrijver, blankofficier, klerk, koijist. Dà skrífi komópo kríen-krien het schrift is geheel uitgewischt.
2) Etym.: ND. .
Skríkki, (sikríkki) ww. schrikken, ontstellen; 2 znw. schrik. Joe méki mi skríkki gij doet mij schrikken, gij jaagt mij schrik aan.
2) Etym.: ND. .
Skrópoe, (skórpoe, sikrópoe) znw. schulpen, schelp. Etym.: ND. .
Slaaffoe, (sráfoe) znw. slaaf, slavernij. A de na sráfoe jéte hij (zij) is nog in slavernij. Etym.: ND. .
Slábbiki, (srábiki) znw. slabbetje, eene plant van dien naam. Mán-slábbiki. (Cassia braceteata L. F. C. alata.L.) Hóeman-slábbiki. (Cassia humilis Coll.)
Slákti (srákti) ww. slagten; 2 znw. slagter, slager, vleeschhouwer. A slákti mi nánga kosi kósi hij heeft mij met scheldwoorden overladen. A go téki méti na slákti hij (zij) is vleesch gaan halen bij den slager.
2) Etym.: ND. .
Slíbi Zie Sribi.
Slóepoe znw. sloep, vlet. Etym.: ND. .
Slópoe znw. sloop. Koesoen-slópoe kussensloop. Etym.: ND. .
S’ma Zie Soema.
Smálla bijv. nw. smal, eng, dun, tenger, klein. Dà móro smálla wan de kleinste. Etym.: ND. .
Sméri ww. ruiken; - ook: eene lucht van zich geven. Sméri, ji sa si ruik maar eens, zoo gij niet gelooven wilt. A de sméri kabà er is reeds eene lucht bij. 2 znw. reuk, geur, lucht. Sméri-wiwíri een geurig kruid van dien naam.
2) Etym.: Eng. .
Sméri, (smértri) ww. smelten, oplossen. Sméri bótro gesmolten boter. Etym.: ND. .
Smítti znw. smid. Smítti-kakà uitgebrande steenkolen. Etym.: ND. .
Smóklari znw. winkelier, die in 't klein, tegen contant geld, vooral eetwaren verkoopt, te Parmaribo wel in de wandeling smokkelaar genoemd; vettewariër, (victualier), kommenij.
Smóko znw. rook, smook, damp; 2 ww. roken. Smóko pípa eene pijp rooken. Dapè smóko de, fája sa de toe (sprw.) Waar rook is, is ook vuur. Smoko-sípi stoomboot, stoomschip.
2) Etym.: Eng. .
Snéiri znw. kleedermaker, snijder. Etym.: ND. .
Snéki znw. slang. Sneki-físi eene soort van paling. (Arr. Woeradíroe.) Sneki-síki eene huidziekte, gordelroos. (Zoster.) Sneki-wiwíri een kruid als kruisdistel. snéki-konkómro eene soort van kleine, wilde konkommers. snéki béti joe, joe si woróm´, joe fréde (sprw.) Als eene slang u gebeten heeft, schrikt gij op het zien van een worm. Papà-sneki eene soort van groote, schoongevlekte slangen, waaraan door de Negers wel eens afgods-eer wordt bewezen. Tóehede-snéki eene soort van slangen met stompen staart. Snéki kíbri hem´ sréfi, a tron Abóma. Als het kwaad verborgen blijft, neemt het toe. Etym.: Eng. .
Sníppi znw. snip. Wan sníppi no fóeloe préti. (sprw.) ééne snip is niet genoeg voor een schotel. Etym.: ND. .
Snóekoe znw. snoek, eene soort van visch, te Paramaribo dus genoemd. Etym.: ND. Arr. .
Snoifi znw. snuif; 2 ww. snuiven. Snoifi-dósoe snuifdoos. Etym.: ND. .
snóitri znw. snuiter. Etym.: ND. .
So bijw. zoo, aldus, in dier voege, op deze wijze. Da so de Zoo is het. So nmo zoo maar, altijd zoo. So? Ei! So nó? Zoo! Ei! ei! hebt gij dat voor? Dátti so, ai! Dat lijkt u, niet waar? Alla dem´ so sannì al dergelijke dingen. So wan so omstreeks dit uur, om deze tijd. Tamárra so tem´ so da foe go we morgen om deze tijd gaan wij (gaat gij ) heen. Lóekoe so wan pikíen! zie mij dat kind nu eens aan. Fa joe tan? Mi de so, of háfoe so. Hoe vaart gij? - Zoo, redelijk wel. No so anders. Kabà! no so mi de go ta'i gi joe papà. Schei uit! anders zal ik het aan uwen vader zeggen. So sáni? Wat? Wat meent gij? (hier is so verkort voor ho sortoe sanì?) so langa bij voorraad, zoo lang. So langa, joe no kóti ábra líba, joe no moe kósi káiman. (sprw.) Zoo lang gij de rivier niet over zijt, moet gij den kaiman niet uitschelden. Somtijds zaamgetrokken tot sranga inmiddels. Zie aldaar. So fa in zoo verre, dewijl, vermits. So fa mi da wan katíbo, mi no kan doe san wi wanni. Vermits ik slaaf ben, kan ik niet doen wat ik wil. Etym.: ND. .
Sódro znw. zolder, de bovenverdieping, de eerste verdieping van het huis. Na sódro boven. Mísi de na tápoe sódro Mevrouw is boven. Krobói-sódro de vliering, de zolder onder dak. Etym.: ND. .
Soekà ww. opproppen, het voedsel instoppen. (Vooral in gebruik voor het mesten van kapoenen enz.).
Sóekoe ww. zoeken, opzoeken, vervolgen. Sóekoe óto, di joe wáni zoek uit, kies, welke gij wilt. Ba' sóekoe, ba' fínni, va' tjári. (sprw.) Gij hebt het gezocht, gij hebt het gevonden, gij moet het dus dragen. Fa joe de sóekoe mi! Waarom zoekt gij, tart gij, vervolgt gij mij zoo? Etym.: ND. .
Sóekroe znw. suiker. Soekroe-kándra kandij-suiker. Soekroe-fíenga suiker-snoeperij. Soekroe-míra eene kleine soort van roode mieren. Etym.: ND. Eng. .
Sóema, (S’ma,) znw. -oudtijds, ook Sáma) znw. mensch, persoon, iemand. Wan mán-soema een manspersoons, iemand van het mannelijk geslacht. Pikíen soema kinderen, die jeugd. Líbi soema menschen. Líbi soema de méki bárki, ma Gádo de méki sípi. (sprw.) De zin is: De mensch wikt, maar God beschikt. Wan déde soema een lijk. Soema sanì eens anderen goed. Sóema bére da líba. (sprw.) De zin is: 's menschen hart is diep en ondoorgrondelijk. Da wan sóema foe mi het is een bloedverwant, eene naaste betrekking van mij; hij is van mijne familie. Di soema diegene. Di sóema pótti gongoté na son, da hem´ moe wákki arén. (sprw.) diegene, die de banannen te droogen gelegd heeft, moet op den regen passen. Sóema? (voor ho sóema?) Wie? Sóema de? Wie is daar? Foe sóema dátti? Voor wie is dat? Wien behoort dat?
Sóengoe onz. ww. zinken, verzinken; 2 bedr. ww. indompelen, onder water houden. Joe si bóenboen kroejári sóengoe, kabà joe áksi, iffi mi fóetoe nátti (sprw.) Gij ziet, dat mijn korjaal gezonken is, en nu vraagt gij, of mijne voeten nat zijn.
2)
Sóepoe znw. soep. Driengi sóepoe soep eten. Soepoe-méti soepvleesch. Etym.: ND. .
soepóen Zie spoen.
Soerdáti, (Sroedáti) znw. soldaat, militair in 't algemeen.
Soerdéki, (Sroedéki) znw. zuurdeeg. Etym.: ND. .
Soersákka, (Sroesákka) znw. zuurzak. Bóesi soersákka bosch-zuurzak (eene wilde soorten van Anona.) Etym.: Arr. ND. .
Soesá znw. een zekere dans of spel met de voeten, waarmede mannen of jongens zich vermaken. Plei soesá soesa, spelen of dansen.
Sóesoe znw. schoen, schoenen. Wéri sóesoe schoenen dragen. Krien sóesoe schoenen poetsen. Etym.: Eng. .
Sóeta znw. (verouderd) liefste, vrijster,maistres. Sóeta-doe ongebonden leefwijze. Etym.: Eng. .
Sóetoe ww. schieten, afschieten, steken, afsteken, prikken, insteken. Kanón sóetoe tikíen, nómo mi wéki zoodra het schot gevalleen was, ben ik wakker geworden. Sóetoe gon een geweer afschieten. Sóetoe firipéri vuurwerk afsteken. Makkà sóetoe mi een doorn heeft mij gestoken. Sóetoe fája vuur stoken, brand stichten; twist stoken. Kanón sóetoe mi na hóso ik was nog thuis, toen het nachtschot viel. Kóniman sóetoe han na dómman sákka. (sprw.) De slimme steekt zijne hand ongemerkt in den zak van den domme. Etym.: Eng. .
Sóewa bijv. nw. zuur; 2 znw. het zuur. Mi fóetoe kom´ sóewa ik voel eene verdooving in de beenen. A sóewa hem´ fési hij zet een zuur, knorrig gezigt.
2) Etym.: Eng. .
Sóke znw. eene soort van een geharnaste visch.
Sóko znw. naam van een Afrikaansche Neger-volstam.
Sólfroe, (sórfroe) znw. zilver; 2 bijv. nw. van zilver, zilveren. Wan sórfroe spoen een zilveren lepel. Etym.: ND. .
Sóm´ onbep. voornw. sommige, eenige, ettelijke. Som´ soema sommige menschen. Som foe dem´ eenige hunner. Som´ tem´ bijw. miscchien, welligt. Som´ tron enkele malen. Etym.: Eng. .
Sómbra znw. schaduw. (verouderd.). Etym.: Port. .
Son znw. de zon; 2 zonneschijn, zonnegloed. Son hátti de zon brandt, is heet. Tan té son kóuroe wacht tot dat het koel wordt. Son de go na bóessi de zon gaat onder. Komópo na son kom uit de zonneschijn. Dà sóema, dísi pótti gongoté na son, da hem´ moe wákki arén. (sprw.) Die de banannen droogen heeft gelegd, moet op den regen passen. Són físi eene soort van visch, zonnevisch. Són-fowloe een vogel uit de orde der steltloopers, zonnervogel.
2) Etym.: Arr. .
Sónde znw. Zondag. Njam´ sónde den zondag vieren, rustdag houden. Etym.: Eng. .
Sóndro voorz. zonder. Sóndro mankéri zonder mankeren, stellig, vast. Mi no kan tan sóndro joe ik kan niet buiten u. Etym.: ND. .
Sóortoe znw. soort. Ho sóortoe sáni dátti? Wat is dat? Wat moet dat beduiden? No wan sóortoe sóema niemand hoegenaamd. Etym.: ND. .
Sópi znw. zoopje, borrel, slok. Swíti-sópi likeur. Sopi-kédre likeurkelder. Sopi-grási likeur-glaasje. Sópi-man liefhebber van sterken drank, dronkaard. Etym.: ND. .
Sópo znw. zeep. Sopo -wátra zeepsop. Sopo-síri zeeppitten, ( de vrucht van Sapindus Surinamenbis.) Sopo-tíki de takjes van den haag-marmerldoos, (Randia Mussaendae) welke, even als die van de oranje-soorten, gekaauwd worden, om de tanden mede schoon te maken. Jengisópo naam eener Agave-soort, (Foureroga gigantea vent.) waarvan de bladen, die tot schuren gebruikt worden, een zeepachtig schuin afgeven. Etym.: Eng. .
Sopropò znw. een rank gewas van dien naam, uit de orde der Cucurbitaceën.
Sórfroe Zie sólfroe.
Sórgoe znw. zorg, hoofdbreken; 2 ww. zorgen, zorg dragen.
2) Etym.: ND. .
Sóri ww. wijzen, aanwijzen, toonen, vertoonen, laten zien, leeren, onderrigten. A de sóri hem´ tífi hij laat zijne tanden zien. Tan, mi sa sóri joe Wacht! ik zal u leeren. Sóri fája bijlichten. Mi sa sóri joe pássi ik zal u den weg wijzen. sóri mi, fa mi moe doe onderrigt mij hoe ik dat doen moet. Dà bom´ sóri léki a de go dde die boom ziet er uit, alsof hij dood gaat.
Sóro znw. zeer, zweer, etterende wond; 2 bijv.nw. zeer, onstoken. Soro hái zeere oogen, oogonsteking, oogziekte. Soro nékki zeere keel. Ditò-sóro kwaadaardige zweertjes, verspreide puistvlecht. Wakka-wákka sóro ineenvloeijende puistvlecht. Kosikósi no de bróko sóro (sprw.) Scheldwoorden doen geene zweren ontstaan, slaan geene wonden. Etym.: Eng. .
Soro-sóro znw. kleine visch in 't algemeen, atvisch, overblijfsel van eene zoo visch.
Soso bijw. en bijv. nw. nietig, voor niet, zonder reden; ledig, bloot, enkel. Wan sóso sanì eene nietsbeduidende zaak, van geen belang. Ji mémbre mi kom´ foe sóso? Denkt gij, dat ik zonder reden, zonder doel gekomen ben? Wróko foe soso voor niet werken. Soso hábi nem´ hij heeft er ten onregte den naam van. Mi da gongoté-godo: mi no de njam´, da soso mi mofo de wítti. (sprw.)Ik ben als een godo met meel: ik eet er niet van, en aan het witte om mijn mond te zien, zoudt gij 't evenwel denken. Ik heb den schijn tegen mij. Basi Djaktì taki: worom´ no wákka foe soso. (sprw.) De zin is: Alles heeft eene oorzaak. Elk zijn waarom. Bígi soso groot van ligechaam, maar klein van verstand. Táki da soso, ma doe da sanì. (sprw.) Zeggen is niets, maar doen. Praatjes vullen geen gaatjes. Da wan soso bom´ het is een wilde boom; onbekend ,van geene waarde. Foe soso soso a kom´ nákki mi zonder de minste aanleiding, heeft hij mij geslagen. A lóekoe mi sósi, a no píki mi, a go we bákka hij keek mij slechts aan, zeide niets en ging weer heen. Soso wátra enkel water, zonder iets daarbij. Sóso skien naakt, zonder kleederen, met het bloote lijf. Bakrà kóti wan ódo, táki: bétre wan háfoe éksi, léki wan sóso bóeba. (sprw.) De blanken bedienen zich van een spreekwoord, dat een half ei beter is dan een leege dop. Da bonjò nánga bóeba sóso hij (zij) is enkel vel en been.
Sóso Zie So.
Sóutoe, (sáutoe) znw. zout; 2 bijv. nw. zout, gezouten. Wan hai sóutoe een korrel zout. Hem´ skien lai nánga sóutoe zijn (haar ligchaam is vol wratten. Soutoe-wátra zout water, de zee. Soutoe-wátra níngre. Afrikaansche Neger, in onderscheiding van een kreool. Soutoe-méti pekelvleesch, zout vleesch. Pótti na sóutoe inzouten, pekelen.
2) Etym.: ND. .
Spándra znw. spaanders. Etym.: ND. .
Spanjòlo znw. Spanjaard; 2 bijv. nw. Spaansch. Spanjólo-fówloe eene soort van vogels met weinig veeren. Spanjólo-fowloe táki: krei líbi, ma no krei wiwíri. (sprw.) De zin is: Dank God, dat gij het leven hebt. Etym.: Port. .
Spansifròu znw. een insect van dien naam, spaansche juffer, wandelend blad. (Mantis.). Etym.: ND. .
Spárra znw. spar, dikke, ronde staak. Etym.: ND. .
Spéiti ww. tarten, sarren, tergen, spijt of afgunst verwekken. Da mi joe de kom´ spéiti, nánga dátti? Zoekt gij daarmede bij mij spijt te verwekken? Komt gij mij daarmede plagen? Etym.: ND. .
Spéki znw. spek. Etym.: ND. .
Spéri znw. wachtbeurt, waakbeurt; 2 speel, spel, dansfeest van de slaven; 3 gelijke, wederpaar; 4 soort, aard. Soema hábi spéri? Wie heeft de beurt? Wie moet wcht houden? Dem´gi spéri na dà pranási er wordt op die plantaadje een feest aan de slaven gegeven. Mi a no joe spéri ik ben uw gelijke niet. Lóekoe wan trá spéri gi mi zoek mij een andere soort. Da wan spéri míra de drápe! Het krioelt daar van mieren.
4) Etym.: Eng. .
Spígri, (spríkri) znw. spiegel. Etym.: ND. .
Spigrikátti, (spikrikátti) naam van een visch, spiegelkat, waarschijnlijk verbasterd van spikkelkat. Etym.: ND. .
Spíkri znw. spiker, nagel. Fom´ wan spíkri d'ia so sla hier een spijker in. Etym.: ND. .
Spíti ww. spuwen, spugen; 2 znw. spog, speeksel. Spíti na tápoe, a fadon na joe fési. (sprw.) Zoo gij ij de hooge spuwt, valt u het spog in het aangezigt. Spíti wítti, ma broedoe sidón na hátti (sprw.) Het speeksel is wit, maar in het hart zit bloed. Arén de spíti het begint te regenen.
2) Etym.: Eng. .
Spóekoe znw. spook. Etym.: ND. .
Spóeloe ww. spoeen, uitspoelen, uitwasschen. Spóeloe klosi kleeren spoeen. Etym.: ND. .
Spoen, (soepoen) znw. lepel. Pikíen spoen thee-of suikerlepeltje. San ben de na páttoe, di spoen no ben si? (sprw.) Wat was er in den pot, dat de lepel niet gezien heeft? Iffi da déde soema spoen joe de loekoe, joe no sa dríengi brafoe. (sprw.) Zoo gij wacht, tot dat gij een lepel erft, zult gij geen braf eten. Etym.: Eng. .
Spóiti ww. spuiten; 2 znw. spuit.
2) Etym.: ND. .
Spóttoe znw. scherts, jok, kortswijl. Da spottoe mi de méki ik scherts maar; het is mij geen ernst. Etym.: ND. .
Spríengi znw. spring-, hoogwatergetij. Spríengi koti de spring is reeds geëindigd. Etym.: ND. .
Sra znw. salade, sla. Etym.: ND. .
Srábiki znw. Zie slábiki.
Sráfoe znw. Zie slaaffoe.
Srákti ww. en znw. Zie Slakti.
Sranám znw. Suriname; 2 de rivier van dien naam. Sranám´ líba de rivier Suriname. sranám-kondre da hási-tére: tide a wai so, tamara a wai so. (sprw.) De Kolonie Suriname is als een paardestaart: heden waait zij dus, morgen zoo.
2) Etym.: Arr. .
Sránga bijw. zoolang, intusschen, inmiddels, middelerwijl. Adjosi sránga ik groet u intusschen, tot weerziens. Tan sránga wacht zoolang, wacht een oogenblik. Tan sranga méki todo no ha tére (sprw.) De zin is: Men moet niet uitstellen. Etym.: ND. .
Srápoe bijv. nw. scherp; 2 ww. scherpen, slijpen, wetten. Srápoe néfi de messen slijpen. Etym.: Eng. .
Sréfi vnw. zelf, zelve; dezelfde, hetzelfde; 2 bijw. zelfs. A no joe sréfi pótti hem´ de? Gij zelf hebt het immers daar geplaatst, gelegd. Alla toe da dà sréfi beide is hetzelfde, het is om het even welke. Wan so sréfi wan so een even gelijke. Tidé so sréfi wan so heden nog, van dezen dag. A! Mísi sréfi toe! (een uitroep van afkeuring) Foei! Mevrouw! hoe kunt gij dat zeggen, - doen? Kau mémbre foe doti Granmán djári, a doti hem´ tére sréfi. (sprw.) De zin is: die een kuil voor een ander graaft, valt er zelf in. Joe sréfi de prei drom´, joe sréfi de dánsi. (sprw.) Gij zelf slaat de trom, en danst tegelijk. Alla físi de séki hem´ tére, té ouwroe wéfi sréfi. (sprw.) Alle visschen bewegen hunnen staart, zelfs het oud wijfje... Pikíen fowloe de na kánkantri tapoe, a táki, hem´ de mándi; kabà kankantri no fíri, íffi a de na hem´ tápoe sréfi. (sprw.) Het vogeltje zit op de kankantri, en zegt boos te zijn; maar de kankantri voelt niet eens, dat er een vogeltje op zit. Etym.: ND. Eng. .
Sren, (sring) znw. schelling, d.i. 5 stuivers oud Surinaamsch geld, thans 8 centen. Wan sren na (d.i. nanga) dri tibri anderhalve schelling, thans 12 centen.
Sribà, (siribà) znw. naam van een visch.
Sríbi ww. slapen, overnachten;2 znw. slaap, vaak. Koe néti! sríbi boen! Goeden nacht! Slaap wel! Sríbi na hángri zonder eten naar bed gaan. Tan sríbi d'ia blijf hier overnachten. Sríbi-krosi beddelaken. Njanjam´ di sríbi eten dat een nacht over gestaan heeft. Dà sousoe de sríbi kabà die saus is al gestold. Sríbi de kíri mi ik heb vaak, ik ben slaperig. Sríbi-síki slaapzucht. (Lethargus.)
2) Etym.: Eng. .
Srikà, (sirikà) znw. eene soort van rivier-krabbe met twee zwempooten. (Portunus.). Etym.: Port. .
Sroedati znw. Zie Soerdati.
Sroedéki znw. Zie Soerdéki.
Sroesakka znw. Zie Soersakka.
Sroki znw. slotje of slootje aan een halsnoer. Wan goutoe sroki een gouden slootje. Etym.: ND. .
Sroto znw. slot, sleutel; 2 ww. sluiten, opsluiten. Mamà-sloteo slot. Pikíen foe dà sroto sleutel (in tegenoverstelling met het slot.) Go sroto ningredoro ga de negerpoort sluiten.
2) Etym.: ND. .
Sroto znw. sleutel. Etym.: ND. .
Stanfasti znw. naam eener bloem: "gestadige liefde.".
Starri znw. star, ster. Etym.: ND. .
Stéifi bijv. nw. stijf, strak, gespannen, stram. A stéifi kékreke hij (zij het) is zoo stijf als een plank, - als een hark. Dem´ de holi stéifi máti, - kompe het zijn dikke vrienden. Etym.: ND. .
Stoeloe, (stoeroe) znw. stoel, zetel; 2 ww. afgang, stoelgang hebben (van zieken sprekende.). Stoeroe broedoe den bloedloop, rooden loop hebben. Stoeroe-pé aars. Etym.: ND. .
Stoipi znw. stuip, stuipen. Stoipi-wiwíri wijnruit. Etym.: ND. .
Ston, (sitón) znw. steen, klip, rots; 2 groote harde pit eener vrucht. Ston-doifi steenduifje, eene soort van kleine, wilde duiven. Marípa-ston Maripa-klip, eene plaats aan de rivier boven-Saramacca. Tigri-ston eene soort van gras.
2) Etym.: Eng. .
Stráfoe ww. straffen; 2 znw. straf. Kísi stráfoe gestraft worden.
2) Etym.: ND. .
Stráti znw. straat, steeg, publieke weg in de stad. Lánti-stráti 's Heeren wegen.
Strei ww. wedijveren; 2 opstrijden, tegenspreken. Méki wi strei, soema sa doro fósi (of moro hési). Laten wij om 't hardst loopen; laten wij zien, wie er het eerst zal zijn. Joe lóbi strei toemoesi gij houdt ontzettend veel van tegenspreken.
2) Etym.: ND. .
Swàgri znw. zwager, schoonbroeder. Etym.: ND. .
Swákki bijv. nw. zwak, verzwakt, krachteloos. A kom´ bétre, ma a swákki jéte hij (zij) is hersteld, maar nog zwak; - is nog niet bij krachten.
Swámpoe znw. moeras, poel, zwamp. 2 ww. door en door nat maken. Loekoe, fa dà pikíen swámpoe mi zie eens, hoe mij dat kind heeft nat gemaakt.
2) Etym.: Eng. .
Swàri ww. slikken, opslikken, verzwelgen, opslokken. Azáu sábi fa hem´ lási brádi, a swári kokronoto. (sprw.) De olifant slikt wel kokosnoot door, maar hij weet te voren, dat hij ze weer kan kwijt raken. Etym.: Eng. .
Swè tusschenw. st, stil, zwijg! Swè! oen tan tíri drápe! Houdt u stil daar! Etym.: ND. .
Swem´ ww. zwemmen. Joe sábi foe swm´, joe moe sábi foe kíbri drei krosi. (sprw.) Zoo gij zegt te kunnen zwemmen, moet gij ook uwe kleederen droog weten te houden. Etym.: ND. .
Swéri ww. zweren, met eede bevestigen; 2 znw. eed, gelofte. A moi! mi swéri! (bestraffend) 't is fraai waarachtig! Mi swéri foe Gádo! Zoo waar God leeft! Driéngi swéri zich, naar Afrikaansche wijze , plegtig bij eede verbinden. Fowloe táki hem´ kan swéri foe dem´ éksi, dísi de na hem´ bére, ma foe dem´ di a bróko kabà, hem´ no kan swéri (sprw.) De kip zegt, dat zij kan instaan voor de eijeren, die zij nog niet gelegd heeft, maar niet voor die, welke zij reeds uitgebroeid heeft.
2) Etym.: ND. Eng. .
Swéri ww. zwellen, opstellen, uitzetten. Mi bére swéri mijn lijf is opgebazen, opgezet. Etym.: ND. .
Swéti ww. zweten; 2 znw. zweet.
2) Etym.: ND. .
Swíti bijv. nw. zoet, lekker, aangenaam, smakelijk, liefelijk. znw. zoet, stroop, suiker. Swíti wátra water met suiker of stroop. Joe pótti swíti kabà? Hebt gij er al suiker (stroop) bij gedaan? Swíti kassába zoete kassave, in onderscheidjing van de bittere. Swíti tíki zoethout. Swíti bóonki zoete peulvrucht. Switi patatta patatten, in onderscheiding van aardappelen. Hem mófo kom´ swíti (van een ziek) hij krijgt trek in het eten. Mi mófo tan so switi-swíti ik heb een wonderlijken smaak in den mond. Swíti mófo hartige spijs, als vleesch, zoutevisch, spek, enz. Wan swíti tóri een mooije vertelling, een aangenaam onderhoud. Swíti tódri, bróko jónkoeman kni. (sprw.) De aangename kout was oorzaak, dat de jongeling zijne knie brak. Wínti de wai swíti er waait een aangenaam, liefelijk windje. Odi! mi swíti! Goeden dag! mijne lieve! Njoen károe swíti (sprw.) De zin is: Nieuwe bezems vegen schoon.
2) Etym.: Eng. .
Copyright © 2000