S - s
Sa
ww.
verkort voor Sabi. (Zie aldaar.).
Sa
hulpww.
zullen.
Mi sa go
ik zal gaan.
Joe sa kom´
gij zult lomen.
A sa doe
hij zal doen.
Wi sa si
wij zullen zien.
Etym.:
Eng.
.
Sa
znw.
verkort voor Sisa. (Zie aldaar.).
Sà
znw.
zaag; 2 ww. zagen.
Sa-sá tífi
spitse en, als ware't, gezaagde of zaagtanden.
2)
Etym.:
Eng.
.
Sába
znw.
sabbat. (ook sabà.).
Njam´ sába
den sabbat vieren.
Sába-tem´
beter
Sáppa tem´.
(Zie aldaar.)
Sabakóe
znw.
eene soort van vogels, tot de familie der steltloopers behoorende.
A no sabakóe wawán hábi lánga fóetoe:
(sprw.) De Sabakoe's zijn niet de eenigen, die lange pooten hebben.
Etym.:
Arr.
.
Sabána
znw.
weide, savane, opene vlakte; 2 begraafplaats voor slaven; 3 vrouwennaam.
A tjári kau go na sabána
hij (zij) is gegaan, om de koiejen naar de weide te brengen.
Sabána-sei
de Savane-kant, eene buitenbuurt van Paramaribo.
Sabána sméri-wiwíri
naam ener plant.
3)
Sàbi
ww.
weten, verstaan, beseffen, kunnen, kennen, bewust zijn.
Mi no sàbi
ik weet niet, ik weet het niet.
A sàbi hem´ wróko
hij verstaat zijn werk.
Sàbi bóesi
het bosch kennen, in het bosch den weg weten.
Sàbi pampíra
in zaken ervaren zijn. (verkort: Sa)
A no sa' foe doe datti
hij kan dat niet doen, hij weet niet hoe hij dat doen moet.
Mi ben sa' so, mi no ben sa kom´
had ik dat geweten, ik ware niet gekomen.
Sábi-sò kom´ na bákka
of ook:
Sábi-sò da bákka pikíen.
(sprw.) Berouw komt achteraan.
Joe sábi dà áss'ra?
Kent gij den Heer?
Sábi boen
dankbaar, erkentelijk zijn, weldaden erkennen.
Dà pikíen sábi sanì kabà
dat kind heeft reeds begrip.
Kráboe sabi foe komóto na gódo, ma a na sábi foe go bakka.
(sprw.) De krab weet wel uit de godo te geraken, maar zij weet er niet weder in te komen.
Dà sanì, dí joe sábi, no sa kíli joe; ma dà sanì, di joe no sábi, da hem´ sa kíli joe.
(sprw.) Hetgene gij weet, zul u niet in het verderf brengen, maar wel hetgene gij niet weet.
Etym.:
Port.
.
Sáffoe
bijv. nw.
zacht, week, murw, teeder.
Saffoe-sáffoe
week, dun (van lepelspijzen.)
Gránwe ouwroe-mamà, tífi ben de seki-séki; di a lóesoe, saffoe-tája ba'. nem´.
(sprw.) Sedert lang schudden de tanden van het oude besje; nu zij los raken, krijgt een zacht gekookte tayer de schuld. D.i. Men vindt ligt een stok, om een hond te slaan.
Etym.:
Eng.
.
Sáfri
bijv. nw.
stil, zacht, langzaa,; 2 bijw. zoetjes, stilletjes.
Wákka sáfri
langzaam, ook zoetjes loopen.
Táki sáfri
spreek zacht.
Sáfri kísi mónki.
(sprw.) De zin is Door beleid overwint men de grootste zwarugheden.
Sáfri-sáfri
allengskens, bedaardheid.
Agamà táki: hési-hesi boen, safri-sáfri boen toe.
(sprw.) Haast u langzaam.
2)
Etym.:
Eng.
.
Sagoewínki
znw.
eene soort van kleine apen, sagouin, sagwijntje.
Etym.:
Arr.
.
Sakkà
znw.
speeltuig bij de negerdansen, zijnde een kalebas mer koralen of pitten gevuld.
Sákka
znw.
zak, zakje, beurs, baal.
Sákka pikíen
kind met een helm geboren.
Koffi-sákka
koffij - baal.
Etym.:
ND.
.
Sákka
ww.
zakken, nederdalen, afkomen, nederlaten, nederzetten; - verminderen, slinken.
Sákka na gron
kom beneden.
Jerépi mi, sákka dà sanì
help mij dit nederzetten, (ook) naar beneden brengen.
Máss'ra moe sákka dà wróko gi wi
Mijnheer moet het werk, den arbeid, de taak voor ons verminderen, verligten.
Dà fóetoe sákka pikíenso
die voet, dat been is een weinig geslonken.
Sakka-sákka
bezinksel, draf, droesem, uitschot.
Sóema njam´ jen, trowè dà sakka-sákka d'ia so?
Wie heeft er suikerriet gekaauwd, en het uitgekaauwde hier neergegooid?
Oen sakka-sákka níngre!
Gij schuim van negers! gij uitschot!
Etym.:
ND.
.
Sakkà-síri
naam eener plant, waarvan de pitten in de sakkà gebruikt worden.
Sakkà-snéki
ratelslang.
Etym.:
Arr.
.
Sakoerà
znw.
een drank van kassave gemaakt, bij de Indianen in ge gebruikt.
Sangrafóe
znw.
naam van eene plant. (Costusuireus, G.F.W. MEIJER.).
Sángri
znw.
drank van wijn, water, suiker en specerijen zamengesteld.
Etym.:
Eng.
.
Sanì
znw.
ding, zaak, waar, goed, voorwerp, iets.
Alla sanì
alles.
Wan bígi sanì
eene zaak van gewigt.
Dem´ sanì dísi, ía
deze dingen.
A no wan sanì
het iets niets.
Ho sóortoe sani dátti?
Welke dingen zijn dat? Wat is dat?
So sanì?
Wat?
Ho san'?
Korter
(san?
Wat?
San' joe wáni?
Wat wilt gij?
San' doe joe?
Wat scheelt u?
San' datti? Sánati dátti?
Wat is dat?
San' héde?
(ook
San'?
Waarom?
San' joe de tróbi mi?
Waarom plaagt gij mij?
Wan sóso sanì
eene nietigheid.
San' kom´?
Welke nieuwigheid?
Koffi-sanì
koffijgoed, ontbijt.
Njanjam´-sanì
eetwaren.
Séri san
goederen verkoopen.
Mi no sábi so sanì
zoo iets versta ik niet.
Sábi sanì
kennis, verstand hebben.
Da wan sanì datti, a kom´ méki gi mi!
Kwam hij mij daar niet eene beweging maken!...
Sanì móro mi, mi líbi hem´ de
toen ik 't niet langer kon uithouden, liet ik hem (haar, het) daar.
Sanì móro tígri, a njam´ klei-dotti.
(sprw.) Als de tijger het te kwaad krijgt, als de honger hem overmeestert, eet hij klei. D.i. Nood breekt wet.
Sanì móro kiskíssi, brassa makkà.
(sprw.) Als de nood aan den man komt, omarmt de aap den doornstruik.
Etym.:
Eng.
.
Sáni
znw.
zand.
Etym.:
ND.
.
Sápa
znw.
avondeten.
Njam´ sápa
het avondmaal nuttigen, avondmalen, souperen.
Sápa-tem´
avond.
Tidè sápatem´
heden avond.
Etym.:
Eng.
.
Sapakára
znw.
een dier uit de orde der hagedis-achtigen.
Sapakára-snéki
eene soort van slangen.
Saprapì
znw.
een visch uit de familie der aalachtigen.
Sarasára
znw.
garnaal.
Sarasára-wiwíri
een soort van waterplanten.
Sàri
ww.
treuren, kwijnen, deernis hebben, zich erbarmen. 2 znw. treurigheid, droefenis, medelijden.
Gádo sa sàri mi
God zal deernis met mij hebben, zich over mij ontfermen.
A de na sári
hij (zij) is in de droefheid, is aan het treuren.
A hábbi wan sári hátti
hij (zij) heeft een medelijdend hart.
2)
Etym.:
Eng.
.
Sàri
ww.
toereikend, genoegzaam zijn.
A no sári joe
gij zult er niet genoeg aan hebben.
Njam, méki a sári joe
eet uw bekomst, uw genoegen.
Wan sníppi no sári préti.
(sprw.) Een snip is niet genoeg voor een' schotel.
Sárki
znw.
haai.
Etym.:
Arr.`Eng.
.
Sátra
znw.
Zaterdag.
Etym.:
ND. Eng.
.
Sawawà
znw.
een huidziekte, eene soort jaws, na-yaws.
Sébi
ww.
scheren, snoeijen.
Sebi-néfi
scheermes.
Etym.:
Eng.
.
Sédre
znw.
eederboom, eederhout.
Etym.:
ND.
.
Sedri
znw.
selderij.
Etym.:
ND.
.
See
znw.
beschemgeest; ziel.
Seebien, (Seibien seibie.)
getalw.
Zeven.
Seebien tem´ tien
zeventig.
Tien na seebien
zeventig.
Seebintárra-kakà
een plantaardig slijm, dat bij zware en aanhoudende regens, uit den grond opslaat, en zich daarover uitspreidt.
Etym.:
ND.
.
Séki
ww.
schudden, bewegen, schommelen, waggelen.
Séki sikíen, méki wi go
rept uwe leden, dat wij er spoedig komen! (eene aanmoediging der roeijers.)
Séki han
de hand geven.
Séki han, nánga dà wróko
werk wat aan!
Grón seki
aardbeving.
Séki-wátra
ontstuimig water.
Kóndre séki
het gansche land is in rep en roer.
Mi káli hem´, ma a no 'séki sréfi
ik heb hem geroepen, maar hij heeft zich niet eens verroerd.
Seki-séki
(frequentatief) herhaaldelijk schudden, waggelen.
Mófo seki-séki, ódo komópo.
(sprw.) Wanneer de mond zich veel beweegt (d.i. wanneer het gesprek levendig, warm, driftig wordt) komen er kernspreuken of schampere zetten voor den dag.
Gránwe ouwroe-mamà tífi de seki-séki, di a loésoe safroe tája ha nem´.
(sprw.) Het besje had sinds lang een schudden tand, nu die geheel losraakt, krijgt de zachte tayer de schuld.
Etym.:
Eng.
.
Sekrepáttoe
znw.
schildpad; eigenlijk de landschidpad.
Etym.:
Arr.`ND.
.
Semprefíti
znw.
(ook wel Semprefísi) eene soort van aloé.
Séndi, (Sénni)
ww.
zenden, afzenden, toezenden, uitzenden.
Sen' hem´ (sendi hem´) gi mi
zend hem (haar het,) mij toe.
Mi sa sénni ta'i gi joe
ik zal u laten weten.
Mísi sénni táki joe ódi
Mevrouw laat u groeten.
Mi sénni káli Dátra
ik heb om den docter gezonden, ik heb den docter laten halen.
Mássra sénni dágoe, dágoe senn' hem´ tére.
(sprw.) De meester zendt zijn hond uit, de hond zendt zijn staart.
Etym.:
ND. Eng.
.
Séri
ww.
verkoopen, te koop aanbieden, uitventen.
Wákka séri sanì
met waren langs de straat te koop loopen.
A de foe séri
het is te koop.
Sériman no ben séri, báiman no sa bai.
(sprw.) Had de verkooper niet verkocht, de kooper zou niet gekocht hebben.
Mi séri mi héde ti-dè
ik zet alles op het spel.
Etym.:
Eng.
.
Seséi
znw.
schaar; 2 scharen eener krabbe enz.
2)
Etym.:
Eng.
.
Sétti
ww.
beginnen, opzetten, inzetten, aanvangen.
A sétti lon
hij zette het io een loopen.
Nómo di a táki so, a séti krei
naauwelijks had hij (zij) dat gezegd, of hij (zij) begon te schreijen, sloeg aan 't weenen.
Sétti króetoe
de vierschaar spannen.
Sétti wan wróko (wan brei)
een werk, b.v. breiwerk, opzetten.
Sétti tráppoe
een val op knip zetten, eens strik spannen.
Etym.:
ND.
.
Si
znw.
kant, zijde, oever, buurt.
Wátra-séi
de waterkant, de kade langs het water.
doro-séi
van buiten.
Na abra sei
aan den overkant, aan de overzijde.
Na opo-sei
de rivier opwaarts.
Bakka-séi
de achterzijde.
D'ía na sei
hier naast bij onzen buurman.
Wákka na séi-sei
langs den kant houden.
Bóto wákka na séi-sei, te a kotti ábra
(sprw.) De zin is: Geduld en beleid bouwen huizen als paleizen.
Mi sei de hátti mí
ik heb pijn in de zijde.
Kom´ na mi sei
kom bij mij.
Tj5ri pikíen na sei
een kind dragen, 't welk meest op de heup gegschiedt.
A sidon na sei fénsre
hij (zij) zit aan het venster.
Na sei fája
bij het vuur.
Sei-plánga
de wand, het beschot.
Sabána-sei
de Savane-kant, buitenbuurt van Paramaribo.
Kerkí-séi
het Kerkpkein, van ouds de Oranjetuin te Paramaribo.
Sei-fóetoe
de lies; 2 de opzetting der klieren aldaar, die van koorts vergezeld gaat.
2)
Etym.:
ND.
.
Si
ww.
zien, kijken, bemerken.
Joe si?
Ziet gij wel? Zie dat eens aan!
Mi sa probéri si
ik zal het eens beproeven, proberen.
Kom´ lóekoe si
kom maar eens kijken of het zoo is.
Kom´ mi si
laat eens kijken.
A no kan si mi na hai
hij kan mij niet luchten of zien.
Si boen
brooddronken zijn.
Dem´ si-boen ningre
die bedorven, brooddronken slaven.
Si boen nánga fri a no wan.
(sprw.) Buitensporiheid of genomen vrijheid en verkregen vrijheid is niet één, is niet één.
Síbi
ww.
vegen, stoffen, aanvegen.
Síbi joe hóso, bifó joe síbi joe dóro
(sprw.) Veeg uw huis eerst, en dan de straat vóór uw huis.
Sisíbi
(verkort voo
sibi-síbi
stoffer, bezem.
Sisíbi-wiwíri
een kruid van dien naam.
Sidòn
ww.
zitten, nederzitten; 2 bezinken.
Go sidòn pikíenso
ga een oogenblik zitten.
Te joe si dà dréssi sidòn, joe moe dek'séki hem´
zoo gij merkt dat het drankje bezonken is, moet gij het schudden.
Sidòn-pattáta
eene soort van patatten, die niet ranksgewijze voortkruipen.
Mi hátti sidòn.
ik ben gerust.
2)
Etym.:
Eng.
.
Síeksi
getalw.
Zes.
Sieksi-tem´-tien
zestig.
Tien na síeksi
zestien.
Etym.:
Eng.
.
Síengi
ww.
zingen; 2 znw. zang; gezang, lied, deun.
Siengi-lóekoe
muzijkboek, gezangboek, liederbundel.
Dem´ pótti mi na síengi
zij hebben een liedje op mij gemaakt.
2)
Etym.:
ND. Eng.
.
Siengrássi
znw.
zeilgras, de vezelen uit de bladeren eener Bromeliasoort.
Etym.:
Arr. Eng.
.
Síengri
znw.
singels, houten leijen of plankjes, waarmede de huizen gedekt worden.
Etym.:
Eng.
.
Síka
znw.
aardvloo; een klein insect, dat zich onder de huid zet, en daar een eijerzak vormt.
Sika-pépre
een kleine, ronde soort van peper.
Sika-fáttoe
sika-balsem; 2 ook de houtsoort, waarvan de boom dezen balsem oplevert.
Síka táki, hem´ lóbi sóema, ma sóema no lóbi hem´
(sprw.) De sika zegt: hij houdt van de menschen, maar de menschen niet van hem.
2)
Etym.:
Arr. Fr. Sp.
.
Síki
bijv. nw.
ziek, krank, ongesteld, onpasselijk. 2 znw. ziekte, kwaal, ongesteldheid, onpasselijkheid, krankheid. 3 ww. ziek zijn,ziek liggen,sukkelen.
A de síki
hij is ziek.
A de síki na hai, na bére
hij heeft het op de oogen, het schoot hem in den buik, in het lijf.
Wan síkiman
een zieke.
A de siki-síki dóro
hij (zij) sukkelt gestadig.
Hátti-siki
aamborstigheid, kortademigheid.
Snéki-siki
gordelroos.
Slíbi-siki
slaapzucht.
Síki lánga, ódi kabà.
(sprw.) Als de ziekte lang duurt, houdt de belangstelling op.
3)
Etym.:
ND. Eng.
.
Sínsi
bijw.
sints, sinds, sedert, zoo langs als.
Sínsi mi de, mi no si so
dat heb ik in mijn leven lang niet gezien.
Sínsi kóndre ben de
zoolang de wereld bestaat.
Etym.:
Eng.
.
Siparì
znw.
eene soort van visch, rogge.
Etym.:
Arr.
.
Sípi
znw.
schip.
Feti-sipi
oorlogschip.
Wan feti-sípi bakrà
een officier, onderofficier of kadet der Marine.
Smoko-sípi
stoomboot.
Etym.:
Eng.
.
Síri
znw.
zaad, zaadkorrel, pit, steen van eene vrucht.
Redi-síri
de boonen van een hoogen boom.
Sakkà-síri
de pitten van Canna indien.
Sopo-síri
de poeder, die voorkomt uit hout, dat door insecten vervreten wordt.
Joe lóbi ókro, joe moe lóbi hem´ síri toe.
(sprw.) De zin is:Zoo gij van mij houdt, houdt gij ook van mijne kinderen.
Etym.:
Eng.
.
Sísa
znw.
zuster; 2 jonge vrouw, meisje, vrijster.
Sísa! ódi ó!
Dag, meisjesmaat!
Sísa wéntje, jeéri d'ia!
Vrijster! hoor eens hier.
Mi sísa pikién
mijn neef of nicht. (Verkort
'Sa, 'Sa Anna
(Het is een titel voor vrouwen uit den slaven- of gemanumitteerdenstand, van jonge en middelbare jaren, zoo als Mamà voor oudere vrouwen, en Bási en Talà voor mannen van dezelfe klasse.)
2)
Etym.:
Eng.
.
Sisí
znw.
titel of benaming, die de jonge Kreolen aan hunne meesteres geven; 2 beschermvrouw van een Doe. (Waarschijnlijk verkort van Signora.
2)
Sísi
woordje, dat tot aanhalin en overbrenging van het door een ander gesprokene dient.
A táki sísi, hem´ no wáni, bikà...
Hij heeft gezegd, hij wilde niet, want... (Zie op Aí.)
Etym.:
Eng.
.
Síssi
znw.
sits, chits; 2 bijv. nw. van sits, sitsen.
Wan síssi pángi
een sitsen paantje.
2)
Etym.:
ND.
.
Sja, (siä)
tusschenw.
uitroep van afkeuring. Foei! Ajakkes!
Sià! lóekoe fési foe hem´!
Zie dat leelijke gezigt eens aan!
Sjátoe, (siättoe,)
bijv. nw.
kort, klein van gestalt.
Wan sjátoe bakrà
een korte blanke, een kort heer.
Dà tíki sjátoe tóemoesi
die stok is te kort.
Etym.:
Eng.
.
Sjem´, (síém´)
znw.
schaamte, beschaamdheid, schande.
Joe no hábi sjem´?
Schaamt gij u niet?
Joe gi mi sjem´ na fési foe álla sóema
gij hebt mij voor aller oogen beschaamd doen staan.
Joe no tíki sjem´ njam´ wísi.
(sprw.) Gij moet niet uit schaamte vergif gebruiken.
Sjem´-sjem´
het kruidje-roer-mij-niet.
Etym.:
Eng.
.
Sjóro
znw.
oever, wal, strand.
Go na sjóro
aan wal stappen, aanleggen, landen.
Etym.:
Eng.
.
Skáfoe
znw.
schaaf; 2 ww. schaven.
2)
Etym.:
ND.
.
Skápoe, (Sikápoe)
znw.
schaap.
Mán-skapoe
ram.
oman-skapoe
ooi.
Pikíen skapoe
lam.
Skápoe déde, a líbi pinà gi hem bóeba.
(sprw.) Bij den dood van het schaap, krijgt zijn vacht het lijden tot een legaat.
Mi hópo dóro gi skápoe, mi no kan jerépi ku komóto.
(sprw.) Ik heb de deur voor de schapen opengedaan, ik kan niet helpen dat er ook de koeijen uitgekomen zijn.
Etym.:
ND.
.
Skedréi
znw.
schilderij, plaat of prent in lijst, portret, afbeelding.
Fési ben de bifó skedréi.
(sprw.) Het gezigt was er vóór het portret. De zin is: die het eerst komt, die het eerst maalt.
Etym.:
ND.
.
Skeín
znw.
schaduw, schaduwbeeld.
Etym.:
ND.
.
Skien, (sikién)
znw.
ligchaam, lijf, huid, de leden; de buitenzijde van eenig onbezield voorwerp.
Sóso skien
naakt, het bloote lijf.
Mi skien hébi
ik ben traag, ik er tegen op.
Mi skien bróko
ik ben mat, loom.
Mi skien de hátti mi
ik heb pijn in de leden.
Mi skien de gro kóuroe
(ook
mi skien de gro)
ik huiver, ik krijg kippnvel.
A de boen na skien
hij ziet er gezond, stevig uit.
Téki skien bákka
na eene ziekte of vermagering weer op zijn verhaal komen, weer bijkomen.
Séki skien, méki wi go
rept uwe leden, dat wij vooruitkomen.
Krabíta-skien
huiverigheid, trilling door de leden.
Da so a de na mi skien dóro nómo
hij vervolgt mij bestendig.
Dem´ wassiwássi de na dà sóekroe skien nómo
die wespen laten die suiker maar niet met rust.
Skien foe hóso
de buitenmuur van het huis.
Etym.:
Eng.
.
Skíkki
ww.
schikken, opschikken, in orde schikken.
Etym.:
ND.
.
skóema
znw.
schuin.
Etym.:
Eng.
.
Skóena
znw.
schoener.
Etym.:
Eng.
.
Skólo
znw.
school.
Go na skólo
naar shool gaan, te school gaan, school gaan.
Skóko komópo
de school is uit.
Etym.:
ND.
.
Skóppoe (sikópoe)
ww.
schoppen; 2 znw. schop, spade.
Dem´ pótti hem´ na skóppoe
men heeft hem aan de schop gezet.
2)
Etym.:
ND.
.
Skóuroe
znw.
schouder.
Etym.:
ND.
.
Skrífi
ww.
schrijven, opteekenen, opschrijven; 2 znw. schrift.
Skrífiman
schrijver, blankofficier, klerk, koijist.
Dà skrífi komópo kríen-krien
het schrift is geheel uitgewischt.
2)
Etym.:
ND.
.
Skríkki, (sikríkki)
ww.
schrikken, ontstellen; 2 znw. schrik.
Joe méki mi skríkki
gij doet mij schrikken, gij jaagt mij schrik aan.
2)
Etym.:
ND.
.
Slaaffoe, (sráfoe)
znw.
slaaf, slavernij.
A de na sráfoe jéte
hij (zij) is nog in slavernij.
Etym.:
ND.
.
Slábbiki, (srábiki)
znw.
slabbetje, eene plant van dien naam.
Mán-slábbiki.
(Cassia braceteata L. F. C. alata.L.)
Hóeman-slábbiki.
(Cassia humilis Coll.)
Slákti (srákti)
ww.
slagten; 2 znw. slagter, slager, vleeschhouwer.
A slákti mi nánga kosi kósi
hij heeft mij met scheldwoorden overladen.
A go téki méti na slákti
hij (zij) is vleesch gaan halen bij den slager.
2)
Etym.:
ND.
.
Slóepoe
znw.
sloep, vlet.
Etym.:
ND.
.
Slópoe
znw.
sloop.
Koesoen-slópoe
kussensloop.
Etym.:
ND.
.
Smálla
bijv. nw.
smal, eng, dun, tenger, klein.
Dà móro smálla wan
de kleinste.
Etym.:
ND.
.
Sméri
ww.
ruiken; - ook: eene lucht van zich geven.
Sméri, ji sa si
ruik maar eens, zoo gij niet gelooven wilt.
A de sméri kabà
er is reeds eene lucht bij. 2 znw. reuk, geur, lucht.
Sméri-wiwíri
een geurig kruid van dien naam.
2)
Etym.:
Eng.
.
Sméri, (smértri)
ww.
smelten, oplossen.
Sméri bótro
gesmolten boter.
Etym.:
ND.
.
Smítti
znw.
smid.
Smítti-kakà
uitgebrande steenkolen.
Etym.:
ND.
.
Smóklari
znw.
winkelier, die in 't klein, tegen contant geld, vooral eetwaren verkoopt, te Parmaribo wel in de wandeling smokkelaar genoemd; vettewariër, (victualier), kommenij.
Smóko
znw.
rook, smook, damp; 2 ww. roken.
Smóko pípa
eene pijp rooken.
Dapè smóko de, fája sa de toe
(sprw.) Waar rook is, is ook vuur.
Smoko-sípi
stoomboot, stoomschip.
2)
Etym.:
Eng.
.
Snéiri
znw.
kleedermaker, snijder.
Etym.:
ND.
.
Snéki
znw.
slang.
Sneki-físi
eene soort van paling. (Arr. Woeradíroe.)
Sneki-síki
eene huidziekte, gordelroos. (Zoster.)
Sneki-wiwíri
een kruid als kruisdistel.
snéki-konkómro
eene soort van kleine, wilde konkommers.
snéki béti joe, joe si woróm´, joe fréde
(sprw.) Als eene slang u gebeten heeft, schrikt gij op het zien van een worm.
Papà-sneki
eene soort van groote, schoongevlekte slangen, waaraan door de Negers wel eens afgods-eer wordt bewezen.
Tóehede-snéki
eene soort van slangen met stompen staart.
Snéki kíbri hem´ sréfi, a tron Abóma.
Als het kwaad verborgen blijft, neemt het toe.
Etym.:
Eng.
.
Sníppi
znw.
snip.
Wan sníppi no fóeloe préti.
(sprw.) ééne snip is niet genoeg voor een schotel.
Etym.:
ND.
.
Snóekoe
znw.
snoek, eene soort van visch, te Paramaribo dus genoemd.
Etym.:
ND. Arr.
.
Snoifi
znw.
snuif; 2 ww. snuiven.
Snoifi-dósoe
snuifdoos.
Etym.:
ND.
.
So
bijw.
zoo, aldus, in dier voege, op deze wijze.
Da so de
Zoo is het.
So nmo
zoo maar, altijd zoo.
So? Ei! So nó?
Zoo! Ei! ei! hebt gij dat voor?
Dátti so, ai!
Dat lijkt u, niet waar?
Alla dem´ so sannì
al dergelijke dingen.
So wan so
omstreeks dit uur, om deze tijd.
Tamárra so tem´ so da foe go we
morgen om deze tijd gaan wij (gaat gij ) heen.
Lóekoe so wan pikíen!
zie mij dat kind nu eens aan.
Fa joe tan? Mi de so, of háfoe so.
Hoe vaart gij? - Zoo, redelijk wel.
No so
anders.
Kabà! no so mi de go ta'i gi joe papà.
Schei uit! anders zal ik het aan uwen vader zeggen.
So sáni?
Wat? Wat meent gij? (hier is so verkort voor ho sortoe sanì?)
so langa
bij voorraad, zoo lang.
So langa, joe no kóti ábra líba, joe no moe kósi káiman.
(sprw.) Zoo lang gij de rivier niet over zijt, moet gij den kaiman niet uitschelden. Somtijds zaamgetrokken tot
sranga
inmiddels. Zie aldaar.
So fa
in zoo verre, dewijl, vermits.
So fa mi da wan katíbo, mi no kan doe san wi wanni.
Vermits ik slaaf ben, kan ik niet doen wat ik wil.
Etym.:
ND.
.
Sódro
znw.
zolder, de bovenverdieping, de eerste verdieping van het huis.
Na sódro
boven.
Mísi de na tápoe sódro
Mevrouw is boven.
Krobói-sódro
de vliering, de zolder onder dak.
Etym.:
ND.
.
Soekà
ww.
opproppen, het voedsel instoppen. (Vooral in gebruik voor het mesten van kapoenen enz.).
Sóekoe
ww.
zoeken, opzoeken, vervolgen.
Sóekoe óto, di joe wáni
zoek uit, kies, welke gij wilt.
Ba' sóekoe, ba' fínni, va' tjári.
(sprw.) Gij hebt het gezocht, gij hebt het gevonden, gij moet het dus dragen.
Fa joe de sóekoe mi!
Waarom zoekt gij, tart gij, vervolgt gij mij zoo?
Etym.:
ND.
.
Sóekroe
znw.
suiker.
Soekroe-kándra
kandij-suiker.
Soekroe-fíenga
suiker-snoeperij.
Soekroe-míra
eene kleine soort van roode mieren.
Etym.:
ND. Eng.
.
Sóema, (Sma,)
znw.
-oudtijds, ook Sáma) znw. mensch, persoon, iemand.
Wan mán-soema
een manspersoons, iemand van het mannelijk geslacht.
Pikíen soema
kinderen, die jeugd.
Líbi soema
menschen.
Líbi soema de méki bárki, ma Gádo de méki sípi.
(sprw.) De zin is: De mensch wikt, maar God beschikt.
Wan déde soema
een lijk.
Soema sanì
eens anderen goed.
Sóema bére da líba.
(sprw.) De zin is: 's menschen hart is diep en ondoorgrondelijk.
Da wan sóema foe mi
het is een bloedverwant, eene naaste betrekking van mij; hij is van mijne familie.
Di soema
diegene.
Di sóema pótti gongoté na son, da hem´ moe wákki arén.
(sprw.) diegene, die de banannen te droogen gelegd heeft, moet op den regen passen.
Sóema?
(voor
ho sóema?)
Wie?
Sóema de?
Wie is daar?
Foe sóema dátti?
Voor wie is dat? Wien behoort dat?
Sóengoe
onz. ww.
zinken, verzinken; 2 bedr. ww. indompelen, onder water houden.
Joe si bóenboen kroejári sóengoe, kabà joe áksi, iffi mi fóetoe nátti
(sprw.) Gij ziet, dat mijn korjaal gezonken is, en nu vraagt gij, of mijne voeten nat zijn.
2)
Sóepoe
znw.
soep.
Driengi sóepoe
soep eten.
Soepoe-méti
soepvleesch.
Etym.:
ND.
.
Soersákka, (Sroesákka)
znw.
zuurzak.
Bóesi soersákka
bosch-zuurzak (eene wilde soorten van Anona.)
Etym.:
Arr. ND.
.
Soesá
znw.
een zekere dans of spel met de voeten, waarmede mannen of jongens zich vermaken.
Plei soesá
soesa, spelen of dansen.
Sóesoe
znw.
schoen, schoenen.
Wéri sóesoe
schoenen dragen.
Krien sóesoe
schoenen poetsen.
Etym.:
Eng.
.
Sóeta
znw.
(verouderd) liefste, vrijster,maistres.
Sóeta-doe
ongebonden leefwijze.
Etym.:
Eng.
.
Sóetoe
ww.
schieten, afschieten, steken, afsteken, prikken, insteken.
Kanón sóetoe tikíen, nómo mi wéki
zoodra het schot gevalleen was, ben ik wakker geworden.
Sóetoe gon
een geweer afschieten.
Sóetoe firipéri
vuurwerk afsteken.
Makkà sóetoe mi
een doorn heeft mij gestoken.
Sóetoe fája
vuur stoken, brand stichten; twist stoken.
Kanón sóetoe mi na hóso
ik was nog thuis, toen het nachtschot viel.
Kóniman sóetoe han na dómman sákka.
(sprw.) De slimme steekt zijne hand ongemerkt in den zak van den domme.
Etym.:
Eng.
.
Sóewa
bijv. nw.
zuur; 2 znw. het zuur.
Mi fóetoe kom´ sóewa
ik voel eene verdooving in de beenen.
A sóewa hem´ fési
hij zet een zuur, knorrig gezigt.
2)
Etym.:
Eng.
.
Sóke
znw.
eene soort van een geharnaste visch.
Sóko
znw.
naam van een Afrikaansche Neger-volstam.
Sólfroe, (sórfroe)
znw.
zilver; 2 bijv. nw. van zilver, zilveren.
Wan sórfroe spoen
een zilveren lepel.
Etym.:
ND.
.
Sóm´
onbep. voornw.
sommige, eenige, ettelijke.
Som´ soema
sommige menschen.
Som foe dem´
eenige hunner.
Som´ tem´
bijw. miscchien, welligt.
Som´ tron
enkele malen.
Etym.:
Eng.
.
Sómbra
znw.
schaduw. (verouderd.).
Etym.:
Port.
.
Son
znw.
de zon; 2 zonneschijn, zonnegloed.
Son hátti
de zon brandt, is heet.
Tan té son kóuroe
wacht tot dat het koel wordt.
Son de go na bóessi
de zon gaat onder.
Komópo na son
kom uit de zonneschijn.
Dà sóema, dísi pótti gongoté na son, da hem´ moe wákki arén.
(sprw.) Die de banannen droogen heeft gelegd, moet op den regen passen.
Són físi
eene soort van visch, zonnevisch.
Són-fowloe
een vogel uit de orde der steltloopers, zonnervogel.
2)
Etym.:
Arr.
.
Sónde
znw.
Zondag.
Njam´ sónde
den zondag vieren, rustdag houden.
Etym.:
Eng.
.
Sóndro
voorz.
zonder.
Sóndro mankéri
zonder mankeren, stellig, vast.
Mi no kan tan sóndro joe
ik kan niet buiten u.
Etym.:
ND.
.
Sóortoe
znw.
soort.
Ho sóortoe sáni dátti?
Wat is dat? Wat moet dat beduiden?
No wan sóortoe sóema
niemand hoegenaamd.
Etym.:
ND.
.
Sópi
znw.
zoopje, borrel, slok.
Swíti-sópi
likeur.
Sopi-kédre
likeurkelder.
Sopi-grási
likeur-glaasje.
Sópi-man
liefhebber van sterken drank, dronkaard.
Etym.:
ND.
.
Sópo
znw.
zeep.
Sopo -wátra
zeepsop.
Sopo-síri
zeeppitten, ( de vrucht van Sapindus Surinamenbis.)
Sopo-tíki
de takjes van den haag-marmerldoos, (Randia Mussaendae) welke, even als die van de oranje-soorten, gekaauwd worden, om de tanden mede schoon te maken.
Jengisópo
naam eener Agave-soort, (Foureroga gigantea vent.) waarvan de bladen, die tot schuren gebruikt worden, een zeepachtig schuin afgeven.
Etym.:
Eng.
.
Sopropò
znw.
een rank gewas van dien naam, uit de orde der Cucurbitaceën.
Sórgoe
znw.
zorg, hoofdbreken; 2 ww. zorgen, zorg dragen.
2)
Etym.:
ND.
.
Sóri
ww.
wijzen, aanwijzen, toonen, vertoonen, laten zien, leeren, onderrigten.
A de sóri hem´ tífi
hij laat zijne tanden zien.
Tan, mi sa sóri joe
Wacht! ik zal u leeren.
Sóri fája
bijlichten.
Mi sa sóri joe pássi
ik zal u den weg wijzen.
sóri mi, fa mi moe doe
onderrigt mij hoe ik dat doen moet.
Dà bom´ sóri léki a de go dde
die boom ziet er uit, alsof hij dood gaat.
Sóro
znw.
zeer, zweer, etterende wond; 2 bijv.nw. zeer, onstoken.
Soro hái
zeere oogen, oogonsteking, oogziekte.
Soro nékki
zeere keel.
Ditò-sóro
kwaadaardige zweertjes, verspreide puistvlecht.
Wakka-wákka sóro
ineenvloeijende puistvlecht.
Kosikósi no de bróko sóro
(sprw.) Scheldwoorden doen geene zweren ontstaan, slaan geene wonden.
Etym.:
Eng.
.
Soro-sóro
znw.
kleine visch in 't algemeen, atvisch, overblijfsel van eene zoo visch.
Soso
bijw. en bijv. nw.
nietig, voor niet, zonder reden; ledig, bloot, enkel.
Wan sóso sanì
eene nietsbeduidende zaak, van geen belang.
Ji mémbre mi kom´ foe sóso?
Denkt gij, dat ik zonder reden, zonder doel gekomen ben?
Wróko foe soso
voor niet werken.
Soso hábi nem´
hij heeft er ten onregte den naam van.
Mi da gongoté-godo: mi no de njam´, da soso mi mofo de wítti.
(sprw.)Ik ben als een godo met meel: ik eet er niet van, en aan het witte om mijn mond te zien, zoudt gij 't evenwel denken. Ik heb den schijn tegen mij.
Basi Djaktì taki: worom´ no wákka foe soso.
(sprw.) De zin is: Alles heeft eene oorzaak. Elk zijn waarom.
Bígi soso
groot van ligechaam, maar klein van verstand.
Táki da soso, ma doe da sanì.
(sprw.) Zeggen is niets, maar doen. Praatjes vullen geen gaatjes.
Da wan soso bom´
het is een wilde boom; onbekend ,van geene waarde.
Foe soso soso a kom´ nákki mi
zonder de minste aanleiding, heeft hij mij geslagen.
A lóekoe mi sósi, a no píki mi, a go we bákka
hij keek mij slechts aan, zeide niets en ging weer heen.
Soso wátra
enkel water, zonder iets daarbij.
Sóso skien
naakt, zonder kleederen, met het bloote lijf.
Bakrà kóti wan ódo, táki: bétre wan háfoe éksi, léki wan sóso bóeba.
(sprw.) De blanken bedienen zich van een spreekwoord, dat een half ei beter is dan een leege dop.
Da bonjò nánga bóeba sóso
hij (zij) is enkel vel en been.
Sóutoe, (sáutoe)
znw.
zout; 2 bijv. nw. zout, gezouten.
Wan hai sóutoe
een korrel zout.
Hem´ skien lai nánga sóutoe
zijn (haar ligchaam is vol wratten.
Soutoe-wátra
zout water, de zee.
Soutoe-wátra níngre.
Afrikaansche Neger, in onderscheiding van een kreool.
Soutoe-méti
pekelvleesch, zout vleesch.
Pótti na sóutoe
inzouten, pekelen.
2)
Etym.:
ND.
.
Spándra
znw.
spaanders.
Etym.:
ND.
.
Spanjòlo
znw.
Spanjaard; 2 bijv. nw. Spaansch.
Spanjólo-fówloe
eene soort van vogels met weinig veeren.
Spanjólo-fowloe táki: krei líbi, ma no krei wiwíri.
(sprw.) De zin is: Dank God, dat gij het leven hebt.
Etym.:
Port.
.
Spansifròu
znw.
een insect van dien naam, spaansche juffer, wandelend blad. (Mantis.).
Etym.:
ND.
.
Spárra
znw.
spar, dikke, ronde staak.
Etym.:
ND.
.
Spéiti
ww.
tarten, sarren, tergen, spijt of afgunst verwekken.
Da mi joe de kom´ spéiti, nánga dátti?
Zoekt gij daarmede bij mij spijt te verwekken? Komt gij mij daarmede plagen?
Etym.:
ND.
.
Spéki
znw.
spek.
Etym.:
ND.
.
Spéri
znw.
wachtbeurt, waakbeurt; 2 speel, spel, dansfeest van de slaven; 3 gelijke, wederpaar; 4 soort, aard.
Soema hábi spéri?
Wie heeft de beurt? Wie moet wcht houden?
Dem´gi spéri na dà pranási
er wordt op die plantaadje een feest aan de slaven gegeven.
Mi a no joe spéri
ik ben uw gelijke niet.
Lóekoe wan trá spéri gi mi
zoek mij een andere soort.
Da wan spéri míra de drápe!
Het krioelt daar van mieren.
4)
Etym.:
Eng.
.
Spíkri
znw.
spiker, nagel.
Fom´ wan spíkri d'ia so
sla hier een spijker in.
Etym.:
ND.
.
Spíti
ww.
spuwen, spugen; 2 znw. spog, speeksel.
Spíti na tápoe, a fadon na joe fési.
(sprw.) Zoo gij ij de hooge spuwt, valt u het spog in het aangezigt.
Spíti wítti, ma broedoe sidón na hátti
(sprw.) Het speeksel is wit, maar in het hart zit bloed.
Arén de spíti
het begint te regenen.
2)
Etym.:
Eng.
.
Spóeloe
ww.
spoeen, uitspoelen, uitwasschen.
Spóeloe klosi
kleeren spoeen.
Etym.:
ND.
.
Spoen, (soepoen)
znw.
lepel.
Pikíen spoen
thee-of suikerlepeltje.
San ben de na páttoe, di spoen no ben si?
(sprw.) Wat was er in den pot, dat de lepel niet gezien heeft?
Iffi da déde soema spoen joe de loekoe, joe no sa dríengi brafoe.
(sprw.) Zoo gij wacht, tot dat gij een lepel erft, zult gij geen braf eten.
Etym.:
Eng.
.
Spóiti
ww.
spuiten; 2 znw. spuit.
2)
Etym.:
ND.
.
Spóttoe
znw.
scherts, jok, kortswijl.
Da spottoe mi de méki
ik scherts maar; het is mij geen ernst.
Etym.:
ND.
.
Spríengi
znw.
spring-, hoogwatergetij.
Spríengi koti
de spring is reeds geëindigd.
Etym.:
ND.
.
Sra
znw.
salade, sla.
Etym.:
ND.
.
Srákti
ww. en znw.
Zie Slakti.
Sranám
znw.
Suriname; 2 de rivier van dien naam.
Sranám´ líba
de rivier Suriname.
sranám-kondre da hási-tére: tide a wai so, tamara a wai so.
(sprw.) De Kolonie Suriname is als een paardestaart: heden waait zij dus, morgen zoo.
2)
Etym.:
Arr.
.
Sránga
bijw.
zoolang, intusschen, inmiddels, middelerwijl.
Adjosi sránga
ik groet u intusschen, tot weerziens.
Tan sránga
wacht zoolang, wacht een oogenblik.
Tan sranga méki todo no ha tére
(sprw.) De zin is: Men moet niet uitstellen.
Etym.:
ND.
.
Srápoe
bijv. nw.
scherp; 2 ww. scherpen, slijpen, wetten.
Srápoe néfi
de messen slijpen.
Etym.:
Eng.
.
Sréfi
vnw.
zelf, zelve; dezelfde, hetzelfde; 2 bijw. zelfs.
A no joe sréfi pótti hem´ de?
Gij zelf hebt het immers daar geplaatst, gelegd.
Alla toe da dà sréfi
beide is hetzelfde, het is om het even welke.
Wan so sréfi wan so
een even gelijke.
Tidé so sréfi wan so
heden nog, van dezen dag.
A! Mísi sréfi toe!
(een uitroep van afkeuring) Foei! Mevrouw! hoe kunt gij dat zeggen, - doen?
Kau mémbre foe doti Granmán djári, a doti hem´ tére sréfi.
(sprw.) De zin is: die een kuil voor een ander graaft, valt er zelf in.
Joe sréfi de prei drom´, joe sréfi de dánsi.
(sprw.) Gij zelf slaat de trom, en danst tegelijk.
Alla físi de séki hem´ tére, té ouwroe wéfi sréfi.
(sprw.) Alle visschen bewegen hunnen staart, zelfs het oud wijfje...
Pikíen fowloe de na kánkantri tapoe, a táki, hem´ de mándi; kabà kankantri no fíri, íffi a de na hem´ tápoe sréfi.
(sprw.) Het vogeltje zit op de kankantri, en zegt boos te zijn; maar de kankantri voelt niet eens, dat er een vogeltje op zit.
Etym.:
ND. Eng.
.
Sren, (sring)
znw.
schelling, d.i. 5 stuivers oud Surinaamsch geld, thans 8 centen.
Wan sren na (d.i. nanga) dri tibri
anderhalve schelling, thans 12 centen.
Sríbi
ww.
slapen, overnachten;2 znw. slaap, vaak.
Koe néti! sríbi boen!
Goeden nacht! Slaap wel!
Sríbi na hángri
zonder eten naar bed gaan.
Tan sríbi d'ia
blijf hier overnachten.
Sríbi-krosi
beddelaken.
Njanjam´ di sríbi
eten dat een nacht over gestaan heeft.
Dà sousoe de sríbi kabà
die saus is al gestold.
Sríbi de kíri mi
ik heb vaak, ik ben slaperig.
Sríbi-síki
slaapzucht. (Lethargus.)
2)
Etym.:
Eng.
.
Srikà, (sirikà)
znw.
eene soort van rivier-krabbe met twee zwempooten. (Portunus.).
Etym.:
Port.
.
Sroki
znw.
slotje of slootje aan een halsnoer.
Wan goutoe sroki
een gouden slootje.
Etym.:
ND.
.
Sroto
znw.
slot, sleutel; 2 ww. sluiten, opsluiten.
Mamà-sloteo
slot.
Pikíen foe dà sroto
sleutel (in tegenoverstelling met het slot.)
Go sroto ningredoro
ga de negerpoort sluiten.
2)
Etym.:
ND.
.
Sroto
znw.
sleutel.
Etym.:
ND.
.
Stanfasti
znw.
naam eener bloem: "gestadige liefde.".
Starri
znw.
star, ster.
Etym.:
ND.
.
Stéifi
bijv. nw.
stijf, strak, gespannen, stram.
A stéifi kékreke
hij (zij het) is zoo stijf als een plank, - als een hark.
Dem´ de holi stéifi máti, - kompe
het zijn dikke vrienden.
Etym.:
ND.
.
Stoeloe, (stoeroe)
znw.
stoel, zetel; 2 ww. afgang, stoelgang hebben (van zieken sprekende.).
Stoeroe broedoe
den bloedloop, rooden loop hebben.
Stoeroe-pé
aars.
Etym.:
ND.
.
Stoipi
znw.
stuip, stuipen.
Stoipi-wiwíri
wijnruit.
Etym.:
ND.
.
Ston, (sitón)
znw.
steen, klip, rots; 2 groote harde pit eener vrucht.
Ston-doifi
steenduifje, eene soort van kleine, wilde duiven.
Marípa-ston
Maripa-klip, eene plaats aan de rivier boven-Saramacca.
Tigri-ston
eene soort van gras.
2)
Etym.:
Eng.
.
Stráfoe
ww.
straffen; 2 znw. straf.
Kísi stráfoe
gestraft worden.
2)
Etym.:
ND.
.
Stráti
znw.
straat, steeg, publieke weg in de stad.
Lánti-stráti
's Heeren wegen.
Strei
ww.
wedijveren; 2 opstrijden, tegenspreken.
Méki wi strei, soema sa doro fósi (of moro hési).
Laten wij om 't hardst loopen; laten wij zien, wie er het eerst zal zijn.
Joe lóbi strei toemoesi
gij houdt ontzettend veel van tegenspreken.
2)
Etym.:
ND.
.
Swàgri
znw.
zwager, schoonbroeder.
Etym.:
ND.
.
Swákki
bijv. nw.
zwak, verzwakt, krachteloos.
A kom´ bétre, ma a swákki jéte
hij (zij) is hersteld, maar nog zwak; - is nog niet bij krachten.
Swámpoe
znw.
moeras, poel, zwamp. 2 ww. door en door nat maken.
Loekoe, fa dà pikíen swámpoe mi
zie eens, hoe mij dat kind heeft nat gemaakt.
2)
Etym.:
Eng.
.
Swàri
ww.
slikken, opslikken, verzwelgen, opslokken.
Azáu sábi fa hem´ lási brádi, a swári kokronoto.
(sprw.) De olifant slikt wel kokosnoot door, maar hij weet te voren, dat hij ze weer kan kwijt raken.
Etym.:
Eng.
.
Swè
tusschenw.
st, stil, zwijg!
Swè! oen tan tíri drápe!
Houdt u stil daar!
Etym.:
ND.
.
Swem´
ww.
zwemmen.
Joe sábi foe swm´, joe moe sábi foe kíbri drei krosi.
(sprw.) Zoo gij zegt te kunnen zwemmen, moet gij ook uwe kleederen droog weten te houden.
Etym.:
ND.
.
Swéri
ww.
zweren, met eede bevestigen; 2 znw. eed, gelofte.
A moi! mi swéri!
(bestraffend) 't is fraai waarachtig!
Mi swéri foe Gádo!
Zoo waar God leeft!
Driéngi swéri
zich, naar Afrikaansche wijze , plegtig bij eede verbinden.
Fowloe táki hem´ kan swéri foe dem´ éksi, dísi de na hem´ bére, ma foe dem´ di a bróko kabà, hem´ no kan swéri
(sprw.) De kip zegt, dat zij kan instaan voor de eijeren, die zij nog niet gelegd heeft, maar niet voor die, welke zij reeds uitgebroeid heeft.
2)
Etym.:
ND. Eng.
.
Swéri
ww.
zwellen, opstellen, uitzetten.
Mi bére swéri
mijn lijf is opgebazen, opgezet.
Etym.:
ND.
.
Swéti
ww.
zweten; 2 znw. zweet.
2)
Etym.:
ND.
.
Swíti
bijv. nw.
zoet, lekker, aangenaam, smakelijk, liefelijk. znw. zoet, stroop, suiker.
Swíti wátra
water met suiker of stroop.
Joe pótti swíti kabà?
Hebt gij er al suiker (stroop) bij gedaan?
Swíti kassába
zoete kassave, in onderscheidjing van de bittere.
Swíti tíki
zoethout.
Swíti bóonki
zoete peulvrucht.
Switi patatta
patatten, in onderscheiding van aardappelen.
Hem mófo kom´ swíti
(van een ziek) hij krijgt trek in het eten.
Mi mófo tan so switi-swíti
ik heb een wonderlijken smaak in den mond.
Swíti mófo
hartige spijs, als vleesch, zoutevisch, spek, enz.
Wan swíti tóri
een mooije vertelling, een aangenaam onderhoud.
Swíti tódri, bróko jónkoeman kni.
(sprw.) De aangename kout was oorzaak, dat de jongeling zijne knie brak.
Wínti de wai swíti
er waait een aangenaam, liefelijk windje.
Odi! mi swíti!
Goeden dag! mijne lieve!
Njoen károe swíti
(sprw.) De zin is: Nieuwe bezems vegen schoon.
2)
Etym.:
Eng.
.
Copyright © 2000