T - t
Táarta
znw.
taart, gebak.
Taarta-pán
taartpan.
Nanássi-táarta
ananastaart.
Etym.:
ND.
.
tabáka
znw.
tabak.
Etym.:
Arr. ND.
.
Tábiki
znw.
tabbetje, eiland in eene rivier; eigenlijk de arm, die het eiland van den anderen oever scheidt.
Táfra, (tafla)
znw.
tafel, disch.
Pótti táfra
de tafel dekken.
Tafra-krósi
tafelkleed, tafellaken.
Etym.:
ND.
.
Tai
ww.
binden, vastbinden, verbinden, vastsnoeren, knevelen.
Tai-tái
een bundel.
Tai héde
het hoofd met een doek omwinden.
Dà mófo dísi táki: "tai," da hem´ sa táki: "lóesoe báka."
(sprw.) De zelfde mond, die gezegd heeft: "bind," zal ook zeggen: "maak weder los."
Tai kófoe
een vuist maken, de hand tot eene vuist sluiten.
Joe no ha' fienga, joe no tai kófoe.
(sprw.) Die geene vingers heeft, kan geene vuist maken.
Tai fési
zuur kijken; een knorrig, ontevreden gezigt zetten.
A taí hem´ tífi
hij (zij) heeft zijne tanden digt op elkander gesloten.
Etym.:
Eng.
.
Tája
znw.
tayer, een wortelvoesel, dat door eenige Arum-soorten wordt opgeleverd, als b.v. Arum esculentum.
Krassi-tája
wilde tayer, die vergiftigd is.
Fienga-tája
kleine uitspruitsels, die zich aan den hoofdwortel van de tayer zetten.
Taja-brafóe
braf of lepelkost, waarin tayers gekookt zijn.
A no foe hángri-tem´ héde, méki mi sa káli Tája" Tata."
(sprw.) Het is niet wegens den hongersnood, dat ik den tayer "vader," zal noemen.
Etym.:
Arr.
.
Táki
ww.
spreken, praten, zeggen, verhalen. 2 znw. spraak, taal gepraat.
Táki dan
spreek dan.
A tak' ái
hij zegt: ja.
A de taki
hij spreekt.
Dà pikíen no de táki jéte
dat kind kan nog niet spreken.
Táki anansi-tóri
sprookjes verhalen.
Táki ódi
groeten, goeden dag zeggen.
Tákiman a no dóeman.
(sprw.) Praatjes vullen geen gaatjes.
Ston moe tan króektoe na tákiman dóro.
(sprw.) De steenen moeten verkeerd liggen voor de deur van een babbelaar, (ook wel eens verkort:
(ta'i.) A swíti, mi ta'i gi joe.
't is lekker, gij kunt er op aan.
A sénni ta'i gi mi, táki...
hij heeft mij laten weten, dat...
Joe sábi dà táki?
Kebt gij die taal?
Pe dà táki komopo?
Waar komt dat gerucht van daan?
Báka-táki
ww. babbelen, veel praten, krakeelen.
Kabà nánga dà takí-táki
houd op met dat gebabbel.
2)
Etym.:
Eng.
.
Táki
voegw.
dat.
Joe mémbre táki mi no si joe?
Denkt gij, dat ik u niet zie?
Mi no ben sa', táki ji dé dape
ik wist niet, dat gij daar waart.
Tákki
znw.
tak, twijg, telg van een boom.
Etym.:
ND.
.
Tákroe
bijv. nw.
leelijk, onoogelijk, onwelvoegelijk, kwaad, slecht.
Wan tákroe fési
een leelijk gezigt.
A tákroe léki boebóe
hij is zoo leelijk als een monster; het is een gezigt, om de kinderen naar bed te jagen.
Tákroe sanì
alles wat leelijk, angst-of schrikverwekkend is, b.v. spoken, stuipen enz.
Ho sóortoe tákroe-tákroe sanì datti?
Welke akelige, nare dingen zijn dat?
Tákroe doe
slecht gedrag, onzedelijke handeling.
Dà tákroe síki
de kwade ziekte, (waarmede men gewoonlijk de Lepra bedoelt.)
Tákroe froekoutoe
de teruig.
Takróeba
znw.
een boom van dien naam uit de binnenlanden.
Tamanóewa
znw.
de groote soort van miereneters.
Etym.:
Fr.
.
Tamára
bijw.
morgen.
Tamára-mámantem´
morgen ochtend.
Trá-tamára
overmorgen.
Etym.:
Eng.
.
2)
tamiákoe
znw.
een kleine visch van dien naam, die den buik willekeur opblaast.
2)
Tampáti
znw.
naam eener kreek, die in de rivier boven-Commewijne uitwatert; 2 hetzelfde als kanifro, jobstranen, een gewas uit de grassoorten, waarvan het zaad als koralen wordt gedragen.
2)
Tampóko
znw.
oude ziel, grijsaard, besje.
Tan
ww.
blijven, wachten, staan; 2 gelijken, schijnen; 3 zich bevinden, varen.
Tan de
blijf daar.
Méki a tan
laat het blijven, laat staan.
Lóekoe fa a tan de!
(scheldenderwijze). Zie hem daar een aan!
Tan mára, mi sa kísi joe
wacht maar, ik zal u wel krijgen.
Tan sránga
Wacht zoo lang.
Tan pikíen
wacht een oogenblik.
tan sránga méki kráboe no hábi héde.
(sprw.) De zin is: Het uitstellen kan ons nadeel berokkenen.
Di mi táki so, tan pikíen, nómo a dóro
toen ik dat gezegd had, was hij in een ommezien daar.
Mî kom´ tan nánga joe ti de
ik kom heden den dag bij u doorbrengen.
A tan nánga bére
zij is bezwangerd.
Tan tíri
houd u stil.
A tan tíri gi mi
hij hield zich stil en liet mij begaan.
Tan tíri a no dom´.
(sprw.) Stil zwijgen is geene onwetenheid.
Té a tán-tan
bij vlagen, nu en dan.
Tée a tán-tan a de krei
hij (zij, het) schreit bij tusschenpoozen.
A tan kwéti léki...
het schijnt juist alsof...
Tan boen
vaarwel!
Fa joe tan?
hoe vaart gij?
Da dátti méki a kom´ tan so
dat is de oorzaak, dat hij (zij, het) er thans zoo uitziet, dat hij in dezen toestand is gebragt.
3)
Etym.:
Eng.
.
Tanápoe, (tanópo)
ww.
staan, overeind staan, opstaan, op de been zijn.(Sommigen zeggen verkeerdelijk trampoe.
A tanápoe kánkan de lóekoe mi
hij staat daar stokstijf mij aan te zien.
Opo tanápoe
sta op.
Mi da tanápoe-man, mi no de kóti sidon-man tróbi.
(sprw.) Ik behoor onder de staanders; ik beslis de geschillen der zitters niet.
Etym.:
Eng.
.
Tanfóeroe
bijv. nw.
dommelig, sullig, onnoozel, verbaasd.
Loekoe so wan tanfóeroe boi gi mi
zie mij dien droomer nu eens aan.
Etym.:
Eng.
.
Tangì
znw.
dank, dankzegging.
Táki tangì
dankzeggen, zijne erkentelijkheid betuigen.
Gran tangì
hartelijk dank!
Tangì Máss'ra
ik dank u, Mijnheer! 2 een kort eindje pijp.
Tángì foe Gádo
Gode zij dank! Goddank!
Boen no ha tangì.
(sprw.) Goeddoen vindt geen dank.
Tangì foe pansibóko, mi si Binnifóto.
(sprw.) Ik heb het te danken aan den spaanschen bok (eene straf), dat ik het binnenfort (in het fort Zeelandia, alwaar voorheen die strafoefening plaats had) gezien heb.
Tangì-tangi, bája, jerépi mi!
Ik bid u, goede vriend! help mij.
Soéma póeloe dà sanì, tangi?
Wie toch in 's hemels naam, heeft dat weggenomen.
2)
Etym.:
Eng.
.
Tápoe
ww.
sluiten, digt doen, toedekken; stuiten, tegenhouden, beletten, verhinderen.
Tápoe dóro
sluit de deur, doe de deur digt.
Tápoe joe mófo
houd u mond, zwijg!
Tápoe wátra
het water met de riemen tegenhouden.
Tápoe wátra
wordt ook van een mond gezegd, wanneer vocht of etter zich onder de huid verzameld heeft.
Tápoe hátti, dríengi!
Kom, vatmoed en drink!
Tápoe blo
den geest geven.
Tápoe pássi
den weg belemmeren, afsnijden.
Mi no de tápoe joe
ik houd u niet tegen.
Joe moe tápoe hai pikíenso
gij moet een weinig door de vingers zien.
Tápoe-sikién-pángi
een paantje, om als omslagdoek te gebruiken.
A no tápoe wan jári éte
er is nog geen vol jaar verstreken.
Té dà moen dísi tápoe fósi
niet voor dat deze maand uit is.
Etym.:
Eng. Port.
.
Tappóe
znw.
deksel.
Páttoe fóloe, tappóe sa kísi háfoe.
(sprw.) Als de pot vol is, krijgt het deksel er ook wat van.
Táppoe
bijw.
boven.
Tappoe séi
de bovenzijde, bovenkant.
Na táppoe
bovenop, bovendien, daarenboven.
Mi bai dri, mi kísi wan na táppoe
ik heb er drie gekocht, en een op den koop toegekregen.
Mek'a kom´ na táppoe sódro
laat hem (haar) boven komen.
Mi sa kom´ na joe bóeba táppoe
ik zal u op uw huid komen.
A didón na mi táppoe
Hij (zij, het) ligt op mij.
Nómo wántem so a kom´ na mi táppoe
eensklaps overviel hij mij.
A hóli dà pikién na hem´ fóetoe táppoe
zij hield dat kind op haren schoot.
Táppoe de bári
het dondert.
Mí hátti de na tappoe-táppoe
ik zit in doodsbang.
Tappoe-hóso-wiwíri
eene slingerplant van dien naam.
Siéngri de na táppoe hóso
(sprw.) De wanden hebben ooren.
Etym.:
Eng.
.
Tappoe-táppoe
znw.
kleine dopjes, die als koralen gedragen worden, en die de Boschnegers vervaardigen.
Tapróepa
znw.
vrucht van dien naam. (Genipa americana L.) (Arr. Lana; 2 de Tapoeripa-kreek.
2)
Etym.:
Arr.
.
Tarra
alleen voorkomende in.
Seibien-tárra
zevenster.
Tárra
znw.
teer; 2 ww. teren.
Tarra-tetéi
teertouw, een eind geteerd touw.
2)
Etym.:
Eng.
.
Tásibo
znw.
naam van eene soort van ongeschubbde visch.
Tastíki
znw.
rotting van tas, eene soort van dwergpalm.
Etym.:
Arr.
.
Tatà
znw.
vader, grijsaard, (verkort 'Ta.).
Wan óuwroe tatà
een oude vader, oude paai.
'Ta Demba
vader Demba, (een oude, vrije neger van dien naam).
Króektoe-tatà, pikíen-tatà
stiefvader.
Tawajàri
znw.
naam eener kreek, die in de Wanica-kreek uitloopt.
Etym.:
Arr.
.
Té
bijw. en voegw.
als, wanneer, tot, tot dat.
Té joe kabà, joe kan go
als gij 't afhebt, kunt gij gaan.
Té joe wákka té joe toeká nánga bom´, joe sa tron bákka.
(sprw.) Als gij blijft voortgaan, tot dat gij tegen een boom aanloopt, zult gij wel omkeeren.
Joe moe sóekoe té joe fínni
gij moet zoeken, tot dat gij 't vindt.
A wéri so té, a no kan moro
hij (zij) is zoo moede; dat hij (zij) niet meer kan.
A de líbi té jánna
hij woont ginder ver, heel ver.
Té-go
voortdurend, eeuwig.
Dà líbi foe té-go
het eeuwige leven.
Mi tan té-té-té, mi no si hem´
ik heb gewacht tot dat ik het geduld verloor, en heb hem toch niet gezien.
Té foe bakka-dína, a moe kabà
het moet dezen middag af wezen.
Té tamárra fósi
niet eer dan morgen, morgen eerst.
Etym.:
Eng.
.
Té
znw.
thee.
Té-sanì
theegoed.
Té-watra
theewater.
Téki
ww.
nemen, aannemen, opnemen, wegnemen, afhalen ophalen, gebruiken.
Téki fonfom´
slagen aannemen, zich aan eene kastijding onderwerpen.
Téki dréssi
een geneesmiddel innemen.
Wákka téki móni
geld ophalen, collecteren.
Sénni téki Datra
zend om den dokter.
Joe moe go téki Mísi
gij moet Mevrouw gaan halen.
Tan téki
zie op het einde, wacht den afloop.
Joe téki wan lei foe kísi wan troe
gij tracht door een leugen achter de waarheid te komen.
Sekrepáttoe téki hem bóeba méki sribikrósi, ma tókoe a de kóuroe.
(sprw.) De schildpad gebruikt hare schaal voor slaapdeken, en toch lijdt zij koude.
Da hóso téki fája
dat huis staat in brand.
Dà fája dísi téki baróeba, a sa bron hedewiwíri toe.
(sprw.) Het vuur dat den brand heeft aangestoken, zal het hoofdhaar ook verbranden.
Ouwroe-faja-tíki no de prei foe téki fája.
(sprw.) De zin is: Op oud ijs vriest het ligt.
Etym.:
Eng.
.
Tem´
znw.
tijd, tijdstip, jaargetijde, tijdperk.
Ho tem´?
Wanneer?
Dísi tem´
tegenwoordig, thans.
Fósi tem´
eertijds, voorheen.
Ouwroe-tem´ sóema
lieden uit de oude tijd, onze voorvaderen.
Dína-tem´
middag.
Mámantem´
morgen, voormiddag.
Sáppatem´
avond.
Hángri-tem´
hongersnood, schrale tijd.
Wántem´ wántem´
terstond, onmiddellijk, op staanden voet.
Nánga tem´
langzaam, met bedaardheid.
Mi no ha' tem´
ik heb geen tijd.
Dréi-tem´
drooge tijd, het drooge saizoen.
Arén-tem´
de regentijd.
Té dà tem´ kísi
als het tijdstip dáár is.
So tem´ so a de sríbi
omstreeks dezen tijd, op dit oogenblik slaapt hij waarschijnlijk.
Dríe-tem´-tien, fo-tem´ tien
dertig, veertig.
Etym.:
Eng.
.
Temà
ww.
lastig zijn, zaniken malen.
San joe de temà na mi bákka so dan?
Hoe vervolgt gij mij zoo?
Joe temà so té, san joe wínni nou?
Gij hebt zoo lang gezanikt, - wat hebt gij er mede gewonnen?
Temprà
ww.
mengen; 2 lastig vallen, aanhouden.
2)
Etym.:
Port.
.
Tére
znw.
staart.
Kroektoe-tére
schorpioen.
Káiman-tére
naam eener cactussoort, die in Suriname in het wild op de boomen groeit.
Redi-tére snéki
eene soort van slangen, geel onder den buik en naar den staart toe niet vergiftig.
Tódo no ha' tére
de kikvorsch heeft geen staart.
Poespóesi-tére
kattestaart.
Etym.:
Eng. Arr.
.
Téri (telli)
ww.
tellen, natellen, optellen; 2 achten, waarderen.
Mi kom´ mélki, ma mi no kom´ foe téri ho méni kau de na pen.
(sprw.) Ik ben gekomen om te melken, maar niet om de koeijen na te tellen.
Joe no de téri mi
gij telt mij niet, gij hebt geene achting voor mij.
Ai ba'! mi téri joe!
Gij zijt een man met eere; ik heb respect voor u. 2 znw. smaak;
2)
Etym.:
ND.
.
Tési
ww.
proeven, smaken, beproeven. 2 znw. smaak; 3 beproeving, verzoeking.
Tési si
proef, of het zoo is.
Da tési joe de tési mi mófo
gij schijnt mij op de proef te stellen, mij te willen uithooren.
Dà njanjam´ ha' wan tákroe tési
er is een leelijke smaak aan dat eten.
Tési míti mi
ik ben in verzoeking gebragt.
2)
Etym.:
Eng.
.
Tétéi
znw.
touw, draad, garen, koord; 2 zenuw, pees, ader of slagader; 3 snaar.
A póeloe mi na tetéi
hij heeft mij uit pijn en banden verlost, hij heeft mij uit de verlegenheid gered.
Anansi-tetéi
spinneweb, spinrag.
Tara-tetéi
een eind geteerd touw.
Bóesi-tetéi
rankgewas, liane.
Loángoe- of Para-tetéi
een rankgewas uit Para.
Patáta-teté
rank, winde uit de orde der Convolvulaceën.
Kamína-tetéi
eene plant, die in 't bosch tegen de boomstammen groeit, welligt eene Aroidea.
Wátra-tetéi
een klimmend gewas, waarvan de volgroeide, dikke, bladerlooze rank een zuiver, drinkwater bevat. (Cissus.)
Baskita-tetéi
een rankgewas, dat tot het vervaardigen van ruwe manden gebruikt wordt. (Bignonia.)
Tetéi- sneki
eene soort van lange, dunne slangen.
Tetéi- meti
taai vleesch.
Mahò-tetéi
touw, uit den bast van Hibicus elatus. Sw.) vervaardigd.
Hoedoe no de , joe téki tetéi póti na fája.
(sprw.) Hebt gij geen hout zoo moet gij de boschrank, waarmede het bos hout was gebonden, in 't vuur leggen. D.i. Men moet roeijen met de riemen, die men aan boord heeft.
3)
Etym.:
Eng.
.
Ti
voorz.
onafscheidelijk.
Tidè
bijw. heden, van daag.
A no tidè mi ta'i gi joe...
reeds voor lang heb ik u gezegd...
Joe si foe tidè, ma joe no si foe tamára.
(sprw.) Gij hebt gezien , wat er heden gebeurd is, maar gij weet nog niet wat de dag van morgen zal aanbrengen. (Ook verstrekt
ti d'ía
voor
tidè-ía.) A no tid'ía wiwí fadón na wátra, a no tid'ía a póri.
(sprw.) Wanneer een blad heden in 't water valt, gaat het daarom niet dadelijk tot bederf over.
Tigédre
biijw. (verouderd) te zamen, gezamenlijk.
Etym.:
Eng.
.
Tía
znw.
tante, moei; oud-tante.
Etym.:
Port.
.
Tíbri
znw.
eigenlijkstuiver; doch alleen gebruikelijk in:.
Dri-tíbri
een halve schelling oud Surinaamsch, thans 4 centen.
Wan sren na dri tíbri
twaalf centen.
Dritíbri-wiwíri
een plantje uit de orde der piperaceën, dat op de boomen kruipt.
Etym.:
ND.
.
Tien
telw.
tien.
Tien-na drí
dertien.
Tien-na-fó
veertien.
Drí-tem´-tien
dertig.
Fó-tem´-tien
veertig.
Hem´ hai tron tien
hij is verbluft, bedremmeld, beteuterd.
Etym.:
ND.
.
Tíengi
ww.
stinken; 2 znw. stank; 3 bijv. nw. stinkend.
Fówloe no sa táki, hem´ néssi de tíengi.
(sprw.) De kip zal niet van haar eigen nest zeggen, dat het stinkt.
Joe han de tíengi ajóen
uwe handen stinken naar uijen.
Té joe kíri Pakíra, joe moe kóti hem´ tíengi wantem´
Wanneer men een Pakier gedood heeft, moet men het dier dadelijk het beursje, dat een sterk riekend vocht bevat, uit den rug snijden.
Tiengi-fówloe
stinkvoge, een voge uit het gierengeslacht.
Joe kósi tiengi-fówloe, a hátti krakóen.
(sprw.) Zoo gij den stinkvogel een kaalkop noemt, trekt de kalkoen het zich aan, omdat hij ook een kalen kop heeft.
Gríkibi da máti, ma tiengi-fówloe da máti toe.
(sprw.) Ik ben met het vogeltje "grietje-buur" zoowel als met den stinkvogel op goeden voet.
Tiengi-fówloe granmán
de Koning der wouwouwen.
Tiengi-óli
lampolie, traan.
tiengi-ménti
eene soort van ment.
Tiengi-tetéi
hetzelfde als Para- en Loángoe-tetéi.
Bakka-tíengi
de stuit.
3)
Etym.:
ND. Arr.
.
Tiénja
znw.
hoofdzeer.
Etym.:
Port.
.
Tífi
znw.
tand, kies.
A de sóri hem´ tífi
hij laat zijne tanden zien.
Dà pikíen de póeloe tífi
dat kind krijgt tandjes.
Alla píri tífi a no láfoe
(sprw.) De zin is: Het is niet alles goud wat er blinkt.
Tifi-hátti
tandpijn, kiespijn.
Tifi-tífi
getand, uitgetand, met tandwerk.
Etym.:
Eng.
.
Tígri
znw.
tijger.
Redi-tígri
roode tijger.
Tigri-káti
tijgerkat; 2 eene soort van visch zonder schubben.
Tigri-fówloe
tijgervogel.
2)
Etym.:
Arr. ND.
.
Tígri
ww.
kittelen; 2 znw. gevoel voor 't kittelen.
A no ha tígri
hij (zij is niet gevoelig voor getikkel.
Etym.:
Arr. Eng.
.
Tíki
znw.
stok, knuppel, rotting, staf, staak, stronk, steel van spaden enz. steng, stengel.
Faja-tíki
brandend hout.
Tas-tíki
rotting van den taspalm.
Jári-tíki
el.
Matta-tíki
stamper.
Karoe-tíki
de spier van de mais, ontdaan van de graankorrels.
Baäna-tíki
de steel waaraan de bos banannen zit.
Boonki-tíki
boonenstaak.
Switi tíki
zoet hout.
Pipa-tíki
pijpesteel; 2 helsche steen.
Njam´ tíki
een oranje-stokje kaauwen, om de tanden schoon te maken en den mond zuiver te houden.
Dagoe no de njam´ tíki, ma tókoe hem´ tífi de wíti.
(sprw.) De hond kaauwt geen stokjes en toh zijn zijne tanden wit.
2)
Etym.:
Eng.
.
Tikóko
znw.
stelten; 2 een soort van wilde ganzen, die een dergelijk geluid maken.
2)
Tímmre
ww.
timmeren, timmerwerk verigten.
A de na tímmre
hij is bij 't timmeren.
Timmremán
timmerman, timmerlieden; 2 specht.
Timmremán, hóso no hábi bángi.
(sprw.) Ofschoon hij zelf een timmerman is, heeft hij niet eens een bankje, om op te zitten.
2)
Etym.:
Sp. Eng.
.
Tìri
ww.
sturen; 2 znw. stuur, roer.
Tíri bóto
eene boot , sloep of derg sturen.
Tíriman
de stuurman van het vaartuig, de man aan 't roer.
2)
Etym.:
ND.
.
Tíri
bijv. nw.
stil.
Tan tíri
houd u stil! Zwijg!
Tan tíri a no dom´.
(sprw.) Stilzwijgen is nog geen gebrek aan verstaand.
Wan tíri soema
een stil, ingetogen, gedwee, bescheiden mensch.
Etym.:
ND.
.
Ti-ti-ti
hulpw.
hij (zij) huilt bitterlijk.
A de kre ti-ti-ti
hij (zij) huilt bitterlijk.
Tjakóe
znw.
vrijer, minnaar, geliefde (verouderd woord, en slechts op sommige plantaadjen in gebruik).
Tjambà
znw.
naam van Afrikaanschen volkstam.
Tjápoe
znw.
houweel, tjap.
Etym.:
Eng.
.
Tjári (kjári)
ww.
verkort tja', dragen, bij zich hebben, brengen, voeren, torschen, leiden, geleiden, verzellen.
Tja' kom´, méki mi si
breng het hier, dat ik het zie.
Tjári go (tja' go)
breng weg.
Wátra tja' hébi.
(sprw.) Het water kan een zwaren last dragen.
Té joe wákka na néti, joe moe tja' tíki
als gij 's avonds bij den weg loopt, moet gij een stok bij u hebben.
Krabíta fínni tjáriman, a bróko néki.
(sprw.) De zin is: Wanneer iemand bijstand vindt, houdt veelal de medewerking van zijnen kant op.
tjatjári
(verkort van
tjari-tjári
dien men op 't hoofd draagt, te plaatsen; ook wel van banannenbladeren gemaakt.
Alwássi fa joe hébi, pássí sa tjári joe.
(sprw.) Hoe zwaar gij ook zijn moogt , de weg zal u dragen.
Wákkaman tja' tróbi.
(sprw.) Die veel uitloopt, loopt ligt onaangenaamheden op.
Tóngo tjári hem mássra na boen, a tjári hem massra na ógri toe.
(sprw.) De tong voert haren meester tot geluk, maar brengt hem ook dikwerf in 't ongluk.
Mi sa tjári joe háfoe pássi
ik zal u een eind weegs geleiden.
Etym.:
Eng.
.
Tjobò
znw.
voorzangster en danseres bij een Doe of Banjà. 2 ww. bij zulke gelegenheid voorzingen en voordansen.
2)
Tjoeróe
geluidwoord.
Méki tjoeróe
met den mond een dergelijk geluid maken, om afkeuring, verontwaardiging, geringschatting of smaad uit te drukken.
Tjóntjon
znw.
een vogel uit de orde der steltloopers.
Wan jári foe sabakóe, wan jári foe tjóntjon.
(sprw.) De zin is: Elk zijne beurt.
Tjo-tjò
znw.
een vogeltje van dien naam.
A no di tjotjò-fowloe pikíen, joe sa swári hem´ nánga wiwíri.
(sprw.) Al is het tjotjo-vogeltje klein, gij zult het nogtans niet met veeren en al verzwelgen.
Tobì-nóso
znw.
gebaar, waarmede men een langen neus uitdrukt.
Méki tobi-nóso gi wan soema
iemand uitsliepen, uitjouwen.
Tóbo
znw.
tobbe, kuip.
Etym.:
ND. Eng.
.
Tódo
znw.
kikvorsch, padde.
Todo-bére
een kleine visch van dien naam.
Todo-bíti
ook
Toto-bákka)
een kruid, dat als soepgroente in de tuinen wordt gekweekt.
Todo-tetéi
een rankachtige heester van dien naam.
Alla krei foe tódo a no arén.
(sprw.) Niet alle vorschgekraak kondigt regen aan.
Tódo táki, Iffi joe de táki foe gogó, mi no kan píki, mára íffi joe de táki foe hai, mi kan píki.
(sprw.) De kikvorsch zegt, zoo er van billen gesproken wordt, kan ik niet medespreken; maar als men over oogen handelt, zal ik u te woord staan.
Pipà-tódo
de pipa-vorsch.
Etym.:
Eng.
.
Tódo
znw.
tol. drijftol.
Etym.:
ND.
.
Toe
voegw.
ook, mede.
Mi de kóngo toe
ik ga ook mede.
Joe toe?
Gij ook?
Joe sréfi toe!
Foei! hoe kunt gij zoo wezen?
Etym.:
Eng.
.
toe
telw.
twee.
Tóe-de-wróko
dinsdag.
toe tron
twee malen, twee keeren.
Dem´ de wákka tóe-toe
zij loopen twee aan twee.
Tóe-hede-snéki
eene soort van slangen met dikken staart.
Toe wróko kíli Bási klein.
(sprw.) Niemand kan twee heeren dienen.
Etym.:
Eng.
.
Toedéskoe
znw.
Duitscher, Hoogduitsche Jood.
Etym.:
Port.
.
Toekà
ww.
op iets stooten, tegen iemand of iets aanloopen.
Toekà nánga wan sóema
iemand onverwachts ontmoeten, tegenkomen.
Té joe wákka té joé toekà nánga bom´, joe sa tron bákka.
(sprw.) Gij zult nog tegen een boom aanloopen; eer zult gij niet terugkeeren.
Etym.:
Port.
.
Tóemoesi
bijw.
te veel, al te...; zeer, uitermate.
Joe pótti tóemoesi
gij hebt er te veel in gedaan.
A bígi tóemoesi
hij (zij, het) is al te groot.
A swíti tóemoesi
het is zeer lekker.
Wan tóemoesi moi Mísi
eene zeer schoone dame.
Etym.:
Eng.
.
Toetóe
znw.
hoorn, op den hoorn, in alle beteekenissen; - de waterhoorn, een speeltuig der Negers.
Bro toetóe
op den hoorn blazen, b.v. om op de plantaadjen het sein tot het eten te geven.
Día-toetóe
eene varieteit van Okro met zeer langwerpige vruchten.
Hóntiman go na bóessi, álla sanì di a si, a no moe bro na toetóe.
(sprw.) Als de jger in 't bosch gaat, moet hij niet al wat hij ziet uitbazuinen.
Gádo sábi san a doe, a no gi hássi toetóe.
(sprw.) God wist, wat hij deed, toen Hij aan de paarden geene horens gaf.
Di sóema hábi nem´ foe kau, a moe hábi toetóe.
(sprw.) Die den naam van de koe draagt, moet ook horens hebben.
Tokè
znw.
parelhoen, pintade.
Tókoe
voegw.
toch, nogtans, evenwel.
Mi táki joe no moe go, kabà tókoe joe go
ik heb u verboden om te gaan, en toch zijt gij gegaan.
Sekrepátoe téki hem´ bóeba méki sribikrósi, ma tókoe a de kóuroe.
(sprw.) De schildpad gebruikt hare schaal voor slaapdeken, en toch lijdt zij koude.
Etym.:
ND.
.
Tokofísi
znw.
stokvisch.
A drei léki tokofísi
hij (zij) is zoo droog als een stokvisch.
Etym.:
ND.
.
Tokohólo
znw.
stookgat in eene suikerfabriek.
Tokotóko
znw.
klei, slijk, modder; bezinksel. 2 bijv. nw. slijkerig, modderig, morsig.
Dà pássi tokotóko
die weg is slecht, morsig.
Tokotóko foe wien
wijn moer.
2)
Tom´
znw.
toom, teugel.
Etym.:
ND.
.
Tomáti
znw.
tomate, liefdesappel.
Tómpoe
znw.
stomp, tronk, geknotte boomstam. 2 bijv. nw. stomp, bot.
Familil-man da tómpoe néfi nánga kau-bóeba
(sprw.) Bloedverwanten zijn als een bot mes op eene koehuid; d.i. zij doen elkander geen kwaad.
Etym.:
ND.
.
Tóngo
onw.
tong in alle beteekenissen; 2 taal; 3 stem.
Sákka joe tóngo
spreek zachter.
Pikíen tóngo
de huig.
Mi sábi hem´ tóngo
ik ken zijn stem.
A de táki hem´ kóndre tóngo
hij spreekt de taal van zijn land.
3)
Etym.:
ND.
.
Tónka
znw.
vrucht van den Tonka-boom, tonka-boon.
Etym.:
Arr.
.
Tontoerì
znw.
een vogel van dien naam uit de orde der zingvogels.
Tontom´
znw.
podding van gekookte en gestampte banannen, ook van meel of dergelijke.
Gongoté-tóntóm´
van gedroogde en tot meel gestampte banannensneden. (Gongoté.)
Njoen-károe tontom´
van versche mais.
Tontom´ foe héde
hersens.
Tontóm´ fadóm na ókro-brafóe, a fadón na hem´ prési.
(sprw.) Als de tomtom in de óker-soep valt, valt hij juist op zijn zijne plaats; juist daar, waar hij behoort.
Tóri
znw.
historie, voorval, vertelling, verhaal, sprookje.
Táki tóri
keuvelen, kouten.
Anansi-tóri
sprookje, fabel.
Lái-tori
raadsel.
Kà! jére tóri!
Hoor dat eens aan! - Is 't mogelijk!
Tóri póeloe tóri.
(sprw.) Het eene woord haalt het andere uit.
Ouwroe tóri no boen foe táki, a de gi njoen hattibrón.
(sprw.) Men moet geen oude koeijen uit de sloot halen.
Swíti tóri bróko jónkoeman kinì.
(sprw.) Een aangenaam onderhoud wat oorzaak, dat de jongeling zijne knie brak.
Etym.:
Eng.
.
Tóri
ww.
verklikken, verklappen, aanbrengen, verraden.
Dà tránga táki foe joe sa tóri joe
die luidruchtige stem zal u verraden.
Tóriman
verklikker; 2 klissen. Kleverige peulvruchten van Desmodium-soorten; ook de vruchtjes van Privaechinata Juss.)
2)
Trà, (tara)
bijv. nw.
ander.
Gi mi da tráwan
geef mij dien anderen, dat andere.
Dátti da wan trá sanì
dat is een ander ding, wat anders.
Komóto, méki tráwan passà
ga uit den weg, dat een mensch voorbij kunne.
Foefóeroe-man no lóbi si tráwan kjári báksi.
(sprw.) Een dief ziet niet gaarne iemand, die een maand draagt.
Mi no de téki trá soema han táppoe mi fési.
(sprw.) Ik gebruik niet eens anderen handen, om mijn gezigt te bedekken.
Trá tamárra
overmorgen.
Trá de
onlangs, voor eenigen tijd.
A no trá de-trá de nómo?
Was 't niet nog onlangs...? 't Is immers nog maar kort geleden...
Tránga
bijv. nw.
sterk, krachtig, hard, luid, luidruchtig, stijf, stevig,vast.2 znw. kracht, stevigheid; 3 magt, vermogen.
Tránga hóedoe moe hábi tránga áksi
(sprw.) Hard houd vordert een sterke bijl.
Táki tránga
spreek luid, hardop.
Tranga-jési
ongehoorzaam, ongezeggelijk.
Tranga-héde
hoofdig, stijfkoppig, hardnekkig, halsstarrig.
Tranga- hái
vrijpostig, vermetel.
Tranga-mófo
brutaal, impertiment, veel praats hebbende.
Tranga-mófo foe dágoe gi hem bróko fóetoe.
(sprw.) Dat de hond met een gebroken poot loopt, heeft hij aan zijne impertimentie te danken.
Blínniman no hábi tránga mófo na íni bóesi.
(sprw.) Een blinde, die in 't bosch is, heeft niet veel praats.
tránga son
de heete zonneschijn.
2 Kísi tránga
tot krachten komen, sterk worden.
Tígri hábi hem´ tránga, ma Adjidja-makà hábi hem kóni.
(sprw.) De tijger heeft zijne sterkte, maar het egel heeft zijne slimheid.
A gi mi tránga foe mi doe dátti
hij heeft mij daarin gesterkt, bemoedigd.
3)
Etym.:
Eng.
.
Trapóen
znw.
eene soort van visch uit het geslacht Clupea.
Tráppoe
znw.
trap, ladder, leer; 2 val, strik, knip.
A fadón na tráppoe
(hij) zij is van den trap gevallen.
Sétti tráppoe
vallen of strikken zetten.
2)
Etym.:
ND.
.
Tráppoe
ww.
trappen, treden, vertreden.
Loekoe bóen! no tráppoe na d'a pikíen táppoe.
Voorzigtig! trap niet op dat kind.
Mamà-fówloe no de tráppoe hem pikíen.
(sprw.) De hen trapt niet op hare kiekens.
Etym.:
ND.
.
Trássi
znw.
tras, uitgeperst suikerriet.
Kíntrassi
keentras, naam eener soort van visch.
Etym.:
Eng.
.
Tréfoe
znw.
treef (nog in gebruik bij de Israelieten voor verboden spijs), antipathie, idiosynerasie tegen eenige soort van voedsel, waaruit, volgens een uit Afrika herkomstig geloof, huidziekten en andere kwalen ontstaan, wanneer tegen dat geloof gezondigd wordt. 2 diëet bij zekere geneesmiddelen.
Día da mi tréfoe
ik mag geen hertenvleesch eten.
Dà dréssi hábi fóeloe tréfoe
bij 't gebruiken van het geneesmiddel moet men zich van veel dingen onthouden.
2)
Trékki
znw.
een aftreksel maken, trekken zetten.
Trékki te
thee zetten.
Mi pótti na son foe trékki
ik heb 't in de zon gezet om te trekken.
Trekkipáttoe
trekpot.
Etym.:
ND.
.
Tribisón
znw.
(verouderd) kurketrekker.
Etym.:
Fr.
.
Tríengi
ww.
rijgen, aan een draad rijgen.
Tríengi krála
koralen rijgen.
Dem´ triéngi dem´ sréfi alla na wan ro
zij hadden zich alle op eene rij geplaatst.
Etym.:
Eng.
.
Tríki
ww.
strijken, glad maken.
Triki-ízri
strijkijzer.
Etym.:
ND.
.
Tríki
znw.
treken, streken, listen.
Etym.:
Eng.
.
Trípa
znw.
ingewand, pens; 2 geheime gedachte.
Etym.:
Eng. Sp. Port.
.
Tróbi
ww.
plagen, kwellen, lastig vallen, storen, verontrusten.
Kabà! no tróbi mi
schei uit! plaag mij niet.
Da so dem míra de tróbi dóro nómo
die mieren plagen hier gestadig. 2 znw. ongenaamheid, verschil, krakeel, gehaspel.
Méki tróbi
ruzie maken, kijven, beknorren, zijne ontevredenheid betuigen.
A no boi tróbi mi kísi
ik heb groote onaangenaamheid gehad.
No kom´ sóekoe tróbi nanga mi
maak mij geen standje.
Lóekoe wan tróbi joe tjári kom´ na mi táppoe
zie nu eens, welk eene ongenaameheid gij mij op den hals gehaald hebt.
Sekrepáttoe no wánni tróbi, a tjári hem hoso na hem bákka.
(sprw.) De schildpad, niet willende in ongenaamheden komen, draagt haar huis (hare schaal) op haar rug.
Kóti wan tróbi
een twist beslechten, de twistenden vereenigen.
Kánkám´ nanga wiwíri, sóema sa kótti tróbi foe dem´ toe?
(sprw.) De zin is: Wie kan een duurzamen vrede stichten tusschen hen, die dagelijks uit den aard der zaak met elkander over hoop moeten liggen? 2 bijv. nw. moeijelijk, lastig.
Dà sanì
die oorzaak, dat ding is moeijelijk.
2)
Etym.:
Eng.
.
Troe
bijv. nw.
waar, waarachtig; 2 znw. de waarheid.
Tróe-troe
waarlijk, heusch, waar, in opregtheid.
Foe troe
wezenlijk, inderdaad.
A de síki foe troe
hij (zij) is hard ziek.
Joe táki tóri swíti foe troe
gij verstaat de kunst van aangenaam te verhalen.
Táki troe
spreek de waarheid; - och kom! - is het mogelijk?
A wan' téki wan lei, foe kísi wan troe
(sprw.) Hij zoekt met een leugen achter de waarheid te komen.
2)
Etym.:
Eng.
.
Tróebróe
bijv. nw.
troebel.
Tróebroe wátra
troebelwater.
Etym.:
ND., Fr.
.
Tróeli
znw.
troeli, een palmboom van dien naam, waarvan het loof gebruikt wordt om hutten te dekken.
Etym.:
Arr.
.
Troesoe
ww.
voortduwen, voortstuwen, voortschuiven.
Tróesoe-bóto na wátra
de boot ter water brengen.
Troesoe kom´
duw open!
Etym.:
Eng.
.
Trokì
ww.
aanheffen, voorzingen.
Troki-man
solo-zangster bij de negerdansen.
Tron
ww.
worden, veranderen, keeren, omkeeren, wenden.
A tron Gran mássra
hij is administrateur geworden.
Tron fóeroe
(ook
tan fóeroe)
verbaasd worden.
Bákka-wan tron fésiwan.
(sprw.) De laatste is de eerste geworden.
Tron bákka
keer terug.
Mi hátti de tron
(mijn hart keert zich om), ik ben misselijk.
Etym.:
Eng.
.
Tron
znw.
een keer, maal, reis.
Wan tron móro
nog eens.
Toe tron
twee maal.
Da toe tron kabà mi báli joe, di foe dri ton, lóekoe boen
Twee keeren heb ik u nu reeds verboden; - wacht u voor den derden keer.
Dà fósi tron
de eerste reis, de eerste maal.
Nófo tron
dikwijls, menigwerf.
Fóeloe tron
vaak, meermalen.
so men` tron
zoo dikwerf, zoo menigmaal.
Dísi tron
dezen keer, dit maal.
Etym.:
Eng.
.
Tróto
znw.
strot, keel, gorgel.
Etym.:
Eng.
.
Trou
ww.
trouwen,huwen.
Trou-hóso
het huis van de bruid, bruidspartij, bruiloft.
Etym.:
ND.
.
Trowé
ww.
wegwerpen,weggooijen, uitgieten; 2 verlaten.
Go trowé na stráti
ga 't op straat werpen.
Mi fiéenga tíengi, mi no sa kótti hem´ trowé.
(sprw.) Indien mijn vinger al moge stinken, zal ik hem daarom evenwel niet afsnijden en wegwerpen.
Trowé bére
ontijdig bevallen, een miskraam krijgen.
Trowé wátra
feest na den dood van een nabestaande, bij de Heidensche slaven in gebruik, waarop zij den rouw aannemen.
Trowé
(van een stuk land) verlaten, braak laten liggen.
Trowé-djári
een hoek van den tuin, niet bewerking.
Dà fówloe trowé hem pikién kabà
die hen heeft hare kiekens reeds verlaten.
Etym.:
Eng.
.
Twínti
getalw.
twintig.
Twínti-na féifi
vijf en twintig.
Twínti-sren
twintig scheillingen of vijf gulden Surin. Court. f 1,60 Nederl.
Twínti písi fó
twintig gulden Surin. Court: (f6,40 Nederl.)
Etym.:
Eng.
.
Copyright © 2000