I - i
I
ik
iambic
jambe
ibis
ibis
ice
glaceren
·
ijs
(1)
iceberg
ijsberg
icecoated
beijzeld
icecream
ijs
(2)
icefloe
ijsschol
·
schots
(1)
icon
icon/icoon
icy
ijzig
(1)
idea
begrip
·
besef
·
denkbeeld
·
gedachte
·
idee
·
inval
(2)
·
voorstelling
(4)
ideal
ideaal
idealist
idealist
idealistic
idealistisch
identical
eeneiïg
·
identiek
identification
identificatie
identity
identiteit
(1)
·
identiteit
(2)
ideology
ideologie
idiocy
idioterie
idiom
idioom
·
taaleigen
idiomatic
idiomatisch
idiot
idioot
·
koe
(2)
idle
ijdel
(1)
·
lanterfanten
·
ledig
(2)
·
lediggang
·
lijdelijk
·
lui
(2)
idler
baliekluiver
idol
afgod
·
idool
·
moloch
idolize
idolaat
·
verafgoden
idyll
idylle
idyllic
idyllisch
i.e.
d.w.z.
if
als
(1)
·
bijgeval
·
indien
·
of
(2)
ignominious
smadelijk
ignoramus
weetniet
ignorance
onkundig
ignorant
ongeletterd
·
onwetend
ignore
ignoreren
·
negren
·
oogluikend
iguana
leguaan
ill
ziek
illadvised
onberaden
illbred
onbeschaafd
·
onopgevoed
illegal
illegaal
·
wederrechtelijk
illegality
illegaliteit
(1)
illegitimate child
voorkind
illfated
rampspoedig
·
rampzalig
(2)
illicit
ongeoorloofd
illiterate
analfabeet
illogical
onlogisch
illtreat
mishandelen
ill-treat
maltraiteren
illuminate
illumineren
·
verluchten
(3)
illumination
illuminatie
illusion
illusie
(2)
·
schijnbeeld
·
zinsbedrog
illusive
illusoir
illustator
illustrator
illustrate
illustreren
·
toelichten
·
veraanschouwelijken
·
verluchten
(2)
illustrated
geïllustreerd
illustration
illustratie
illustrious
doorluchtig
image
beeld
·
beeldenaar
·
beeltenis
imaginary
imaginair
·
ingebeeld
imagination
verbeelding
(3)
imagine
inbeelden
·
indenken
·
verbeelden
(2)
·
voorstellen
(4)
·
wanen
imbecile
imbeciel
imitate
imiteren
·
nabootsen
·
nadoen
imitation
imitatie
·
namaak
immaculate
vlekkeloos
immaterial
onstoffelijk
(2)
immeasurable
onmatig
(2)
immediate
dadelijk
·
onmiddellijk
·
onverwijld
immediately
meteen
immemorial
onheuglijk
immense
immens
·
onafzienbaar
·
onmetelijk
immigrant
immigrant
·
landverhuizer
immigrate
immigreren
immigration
immigratie
immobile
immobiel
immoderate
onmatig
(1)
immodest
onbescheiden
immoral
immoreel
·
onzedelijk
·
zedeloos
immortal
onsterfelijk
immortalize
vereeuwigen
immovable
onroerend
·
onwrikbaar
immune
immuun
immunisation
immunisatie
immunity
immuniteit
impact
impact
·
schok
impale
aansteken
(1)
·
spietsen
impartial
onpartijdig
impassable
onbegaanbaar
impasse
impasse
impatience
ongeduld
impeccable
picobello
impede
belemmeren
impending
hangende
(2)
impenetrable
ondoordringbaar
(2)
imperative
imperatief
·
onafwijsbaar
imperceptible
onmerkbaar
imperial
imperiaal
(3)
imperialism
imperialisme
imperialistic
imperialistische
impertinance
impertinentie
impertinent
impertinent
imperturbable
koelbloedig
·
onverstoorbaar
impetuous
onstuimig
implication
draagwijdte
(2)
impolite
onbeleefd
import
bijbrengen
(1)
·
import
·
importeren
·
invoer
·
invoeren
(1)
importance
aanzien
(2)
·
betekenis
(2)
·
gewicht
important
belangrijk
·
gewichtig
importer
importeur
impossible
onbestaanbaar
·
onmogelijk
impostor
misleider
impotence
onvermogen
impotent
onmachtig
impoverish
verarmen
(2)
impresario
impresario
impress
aanslaan
(2)
·
imponeren
impression
impressie
·
indruk
(2)
impressionism
impressionisme
impressive
imposant
·
indrukwekkend
improper
onbehoorlijk
·
onbetamelijk
·
ongepast
·
onnet
·
onvertogen
improve
verbeteren
improvement
beterschap
improver
verbeteraar
improvisation
improvisatie
improvise
improviseren
improvised
jamsession
impudence
brutaliteit
impudent
familiaar
(2)
·
onbeschoft
impulse
aandrang
·
aandrift
·
aanvechting
·
impuls
·
opwelling
impulsive
impulsief
impute
aantijgen
·
aanwrijven
·
wijten
in
in
·
ter
in bad taste
smakeloos
in proportion to
naarmate
in stock
voorhanden
in the nature of things
uiteraard
in the wrong way
averechts
inaccessible
onbereikbaar
inaccurate
onnauwkeurig
inactive
inactief
inalienable
onvervreemdbaar
inanimate
onbezield
·
ontzield
inappripriate
misplaatst
(2)
inartistic
onartistiek
(2)
inattentive
onaandachtig
·
onachtzaam
·
onoplettend
inaudible
onhoorbaar
inaugurate
inwijden
inauguration
inauguratie
inborn
aangeboren
·
ingeboren
incapable
onbekwaam
incapacity
onvermogen
incarnate
vleesgeworden
incarnation
incarnatie
·
vleeswording
incendiary
brandstichter
incense
wierook
incensed
gebelgd
·
verbolgen
·
vertoornd
incessant
aanhoudend
incest
bloedschande
·
incest
inch
inch
incident
incident
·
voorval
incidental
bijkomstig
(1)
·
incidenteel
·
terloops
incisor
snijtand
incite
hitsen
·
ophitsen
·
opruien
·
opstoken
(2)
inclination
hang
(3)
·
inclinatie
(2)
incline
neigen
(2)
inclined
genegen
·
gezind
(2)
include
figureren
included
incluis
including
incl.
·
o.m.
inclusive
inclusief
incognito
incognito
(1)
income
inkomen
(2)
·
inkomsten
incomparable
onvergelijkelijk
incompetant
incompetent
incompetent
onbevoegd
incomplete
incompleet
incomprehensible
onbegrijpelijk
·
onbevattelijk
(2)
incongruos
incongruent
inconsistent
vlottend
inconsolable
ontroostbaar
inconstant
onbestendig
(2)
·
veranderlijk
(1)
·
wispelturig
inconvenience
ongemak
·
ongerief
·
ontrieven
inconvenienced
onthand
inconvenient
inconveniënt
·
ongelegen
incorporate
incorporeren
·
inlijven
incorrect
incorrect
incorrigible
onverbeterlijk
increase
aanwas
·
toename
·
toenemen
incredible
ongelofelijk
in-crowd
in-crowd
incurable
ongeneeslijk
indebted
verschuldigd
indecent
indecent
·
oneerbaar
indecisive
wankelmoedig
indeed
heus
(2)
·
inderdaad
·
trouwens
·
voorwaar
·
weliswaar
indefatigable
onverdroten
indefinite
onbepaald
indelible
onuitwisbaar
indelicate
onkies
indent
indeuken
independence
onafhankelijkheid
independent
onafhankelijk
·
zelfstandig
indescribable
onbeschrijfelijk
index
index
India
Indië
Indian
Indiaan
·
Indisch
indicate
aanwijzen
·
beduiden
·
uitduiden
indication
indicatie
·
voorteken
indictment
tenlastelegging
indifferent
koud
(3)
·
onverschillig
indigent
minvermogend
indigestion
indigestie
indignant
verontwaardigd
indignity
smaad
indigo
indigo
indirect
indirect
indirectly
middellijk
indiscreet
indiscreet
(2)
indiscretion
indiscretie
indispensable
onmisbaar
indisputable
onaanvechtbaar
indistinct
onduidelijk
individual
enkeling
·
hoofdelijk
·
individu
·
individueel
·
persoonlijk
individuality
individualiteit
indivisible
ondeelbaar
indoctrinate
indoctrinatie
indo-European
Indo-europeese
indolence
indolentie
indolent
indolent
·
vadsig
Indonesia
Indonesië
indoor
binnenshuis
induce
nopen
indulgence
aflaat
·
toegevendheid
indulgent
toegeeflijk
industrialisation
industrialisatie
industrialist
industrieel
(2)
industrious
bedrijvig
·
industrieel
(1)
·
naarstig
·
nijver
·
vlijtig
·
werkzaam
industry
bedrijf
(2)
·
industrie
·
nijverheid
·
vlijt
ineffective
krachteloos
·
missen
(4)
inefficient
ongeschikt
(2)
inessential
bijkomstig
(2)
inevitable
onafwendbaar
·
onvermijdelijk
inexorable
onvermurwbaar
inexpedient
ondoelmatig
inexpensive
goedkoop
inexperienced
groen
(4)
·
onervaren
inexpert
ondeskundig
infallible
onfeilbaar
infamous
eerloos
·
infaam
infant
zuigeling
infantile
infantiel
infantry
infanterie
infatuate
verblinden
·
verdwazen
infatuated
verdwaasd
infatuated with
verzot
infect
aansteken
(3)
·
besmetten
·
infecteren
·
verpesten
infected finger- or toenail
fijt
infection
infectie
·
ontsteking
infectious
aanstekelijk
(1)
infer
concluderen
inference
conclusie
inferior
inferieur
·
lager
(1)
·
mindere
·
minderwaardig
inferiority
inferioriteit
infiltration
infiltratie
infinite
oneindig
infinitive
infinitief
inflame
ontsteken
(2)
inflammable
brandbaar
inflation
hausse
·
inflatie
inflect
verbuigen
(2)
inflexibility
steilheid
inflexible
onbuigbaar
inflict
toebrengen
(2)
influence
beïnvloeden
·
invloed
influential
vermogend
influenza
griep
·
influenza
influx
toeloop
inform
berichten
·
mededelen
·
verluiden
·
verwittigen
·
wijsmaken
(1)
information
aangifte
·
informatie
·
inlichting
infringe
schenden
infringement
inbreuk
infusion
solutie
(1)
ingenious
ingenieus
·
kunstig
ingenuity
vernuft
ingot
staaf
(1)
ingratitude
ondank
ingredient
ingrediënt
inhabit
bewonen
inhabitant
bewoner
·
inwoner
inhale
inademen
·
inhaleren
·
opsnuiven
inherent
inherent
inherit
erven
inheritance
erfenis
·
nalatenschap
·
versterf
(2)
inheritor
erfgenaam
·
geërfde
inhumane
inhumaan
inimitable
onnavolgbaar
iniquity
ongerechtigheid
initial
initiaal
(2)
·
paraferen
·
viseren
(1)
·
voorletter
initials
initialen
·
paraaf
initiated
ingewijd
initiative
initiatief
injection
injectie
·
spuitje
injure
benadelen
·
bezeren
·
blesseren
·
kwetsen
·
verongelijken
·
verwonden
injury
kwetsuur
·
letsel
·
schade
·
wond
injustice
onrecht
ink
inkt
inkpad
stempelkussen
inkpot
inktkoker
inlaid
ingelegd
inlet
inham
·
zeegat
inmost
binnenste
inn
herberg
·
logement
innate
aangeboren
·
ingebakken
·
ingeboren
inner
innerlijk
(3)
·
inwendig
innkeeper
herbergier
·
kastelein
innocence
onschuld
(3)
innocent
onnozel
innumerable
legio
inoculate
enten
(2)
·
oculeren
(1)
inorganic
anorganisch
input
input
inquire
onderzoeken
inquiry
navraag
inquisition
inquisitie
inquisitive
nieuwsgierig
inquisitiveness
vraagzucht
inquisitor
inquisiteur
insane
krankzinnig
insanity
verstandsverbijstering
inscription
inschrift
·
inscriptie
·
opschrift
(2)
insect
insekt
insecticide
insekticide
insecure
wankel
inseparable
onafscheidbaar
insert
inlassen
inside
binnenkant
·
binnenzijde
·
in
insider
insider
insight
doorzicht
·
inzicht
insignificant
miniem
·
onaanzienlijk
·
onbeduidend
insincere
onoprecht
·
onwaarachtig
insinuate
insinueren
insinuation
insinuatie
insipid
flauw
·
geesteloos
·
laf
(2)
·
maf
(1)
·
onbenullig
·
zouteloos
(2)
insist on
tamboeren
(2)
insolent
brutaal
insolently
brutaalweg
insolvent
insolvent
inspect
bezichtigen
·
controleren
(1)
·
inspecteren
·
monsteren
·
ogenschouw
·
schouwen
·
visiteren
inspection
inspectie
·
inzage
·
kennisneming
·
toezicht
inspector
inspecteur
·
opziener
·
verificateur
inspiration
ingeving
·
inspiratie
inspire
aanvuren
·
bezielen
·
inboezemen
·
inspireren
·
verwekken
(3)
inspired
bezield
install
bevestigen
(2)
installation
installatie
(1)
·
installatie
(2)
installer
installateur
installment
termijn
(2)
instance
instantie
(1)
instant
ogenblik
instep
wreef
instigate
aanstichten
·
aanzetten
(2)
instigation
instigatie
instigator
stokebrand
instinct
aandrift
·
instinct
instinctive
instinctief
institute
instituut
(1)
institution
gesticht
·
inrichting
(2)
·
inrichting
(3)
·
instituut
(2)
instruct
instrueren
·
opdragen
(3)
instructable
leerzaam
(1)
instruction
instructie
(1)
·
instructie
(2)
·
lastgeving
·
lering
·
onderricht
·
opdracht
(3)
instructions
consigne
(1)
instructive
instructief
·
leerzaam
(2)
instructor
instructeur
·
onderwijzer
instrument
instrument
(1)
·
instrument
(2)
·
werktuig
instrumental
instrumentaal
instruments
gereedschap
insubordination
insubordinatie
insufferable
onuitstaanbaar
insulate
isoleren
(2)
insulation
isolatie
(2)
insulin
insuline
insult
beledigen
insurance
assurantie
insure
verzekeren
(2)
insured
verzekerd
(1)
insurer
assuradeur
insurgent
insurgent
insurmountable
onoverkomelijk
intact
intact
·
ongerept
intangible
ontastbaar
integral
integraal
(1)
·
integraal
(2)
·
integrerend
integration
integratie
integrity
integriteit
·
probiteit
intellect
brein
·
intellect
intellectual
intellectueel
·
verstandelijk
intelligence
intelligentie
·
verstand
intelligent
bevattelijk
(1)
·
intelligent
·
verstandig
intelligible
bevattelijk
(2)
intend
bedoelen
·
bestemmen
·
voornemen, zich
(2)
intense
hevig
·
intens
intensify
toespitsen
(1)
intensity
intensiteit
intensive
intensief
intention
bedoeling
·
intentie
·
opzet
(1)
·
voornemens
inter-
inter-
interaction
interaktie
·
wisselwerking
intercede
voorspraak
intercept
onderscheppen
interception
interceptie
intercontinental
intercontinentaal
intercourse
gemeenschap
(3)
·
omgang
(2)
interest
belangstelling
·
interesse
·
interesseren
·
rente
interested
geïnteresseerd
interesting
belangwekkend
·
interessant
interfere
ingrijpen
·
storen
interferenc3
tussenkomst
interim
interim
·
tussentijd
interior
binnenland
·
interieur
·
inwendig
interjection
interjectie
interliniar
interlinie
interlocal
interlokaal
interlude
intermezzo
·
tussenspel
intermediary
intermediair
interment
teraardebestelling
intermission
pauze
intern
interneren
internal
binnenlands
·
intern
(3)
international
internationaal
internist
internist
interpolate
interpelleren
(2)
interpret
duiden
(1)
·
interpreteren
·
vertolken
(2)
interpretation
interpretatie
interpreter
tolk
interrogate
verbaliseren
(1)
interrupt
interrumperen
·
onderbreken
interruption
interruptie
intersection
snijpunt
interupt
ophouden
(3)
interval
interval
·
tussenpoos
intervene
bemoeien
(2)
·
ingrijpen
intervention
interveniëren
·
interventie
·
tussenkomst
interview
interview
·
interviewen
intestine
darm
intimacy
intimiteit
intimate
intiem
intimidate
intimideren
intimidation
bangmakerij
intolerant
intolerant
intonation
intonatie
intoxicated
beschonken
intoxication
dronkenschap
·
roes
intransitive
intransitief
intrest
beleggen
(3)
intrigue
intrige
·
intrigeren
(2)
·
komplot
·
kuipen
(2)
·
kuiperij
(2)
intriguer
intrigant(e)
intrique
komplotteren
introduce
introduceren
·
invoeren
(2)
·
voorstellen
(2)
introduction
inleiding
·
introductie
·
voorstelling
(1)
introspection
inkeer
intuition
intuïtie
intuitive
intuïtief
inundate
inunderen
inundation
inundatie
invader
invaller
(1)
invalid
invalid
·
ongeldig
·
sukkelaar
(1)
·
sukkel/sukkelaar
(2)
invaluable
onschatbaar
invasion
inval
(1)
·
invasie
invent
uitvinden
·
verdichten
(1)
invention
inventie
·
verdichtsel
·
verzinsel
inventive
vindingrijk
inventor
uitvinder
inventory
inventaris
(2)
inversion
inversie
invertebrate
ongewerveld
invest
bekleden
(2)
·
investeren
investigate
napluizen
·
nasporen
·
navorsen
·
onderzoeken
·
vorsen
inveterate
ingekankerd
inviolable
onschendbaar
invisible
onzichtbaar
invitation
invitatie
invite
inviteren
·
noden
·
nodigen
·
uitnodigen
inviting
aantrekkelijk
invlux
toevloed
invoice
factuur
involuntary
onwillekeurig
involve
verwikkelen
(1)
invulnerable
onkwetsbaar
inward
inwaarts
·
inwendig
iodine
jodium
ion
ion
iota
jota
i.o.w.
d.i.
I.Q.
intelligentiequotiënt
·
IQ
Iran
Iran
Iranian
Iraans
Iraq
Irak
irate
toornig
ire
toorn
Ireland
Ierland
iris
iris
(2)
·
lis
(1)
·
regenboogvlies
Irishman
Ier
irksome
knellend
iron
ijzeren
·
opstrijken
(2)
·
stalen
(2)
·
strijken
(3)
ironic
ironisch
(2)
irony
ironie
irrational
irrationeel
·
redeloos
irrecoverable
oninbaar
irregular
ongeregeld
(2)
irrelevant
irrelevant
irremovable
onafzetbaar
irreproachable
onberispelijk
irresistible
onweerstaanbaar
irresolute
besluiteloos
·
twijfelmoedig
irresponsible
ontoerekenbaar
irretrievable
reddeloos
irrevocable
onherroepelijk
irrigate
bevloeien
·
irrigeren
irrigation
irrigatie
irritable
prikkelbaar
irritate
irriteren
·
prikkelen
irritation
irritatie
Islam
Islam
island
eiland
·
heuvel
(2)
isolate
isoleren
(1)
isolation
isolatie
(1)
·
isolement
Israel
Israël
Israeli
Israëlier
issue
afloop
(2)
·
kwestie
(3)
·
uitgeven
(4)
·
uitgifte
(2)
issuer
uitgever
(3)
isthmus
istmus
·
landengte
Italian
Italiaan
·
Italiaans
·
tarantella
(2)
Italy
Italië
itch
jeuk
·
jeuken
·
kriebel
ivory
ivoor
ivy
klimop
·
veil
(1)
Copyright © 2002