B - b

baad (vdw). geleden
baad (mê) (bw). later
· (vz). na
baadar (zn). lucht (3)
· · uitspansel (2)
· · wolken
· · zwerk (3)
baadar na lage hai (bn). wolkeloos
baadar tjiekkan hai (bn). onbewolkt
baadj (zn). aasgier (2)
· · onvruchtbare man
baadja (zn). instrument
· · muziekinstrument
baadja badjaawe (ww). musiceren
· · spelen (2)
baadje (ww). loten
baadjie (zn). onderpand
· · pand
· · race
· · wedstrijd
baadjie daafe (bw). soms
baadjie lagaawe (ww). verloten
· · wedden
baadjien (zn). onvruchtbare vrouw
baaf (zn). damp
· · stoom
· · wasem
baagh (zn). tijger
baaha dewe (ww). weggooien
baahaadoer (zn). krachtpatser
baahaana (zn). uitvlucht
· · voorwendsel
baahaana kare (bw). zogenaamd
baahar (bw). buiten
baahe (zn). mouw
baais (telw). tweeëntwintig
baaka kare (ww). bakken
· · braden
baakas (zn). ark
· · kist
· · krat
· · lijkkist
baakie (bn, bw). behalve
· · inkompleet
· · onaf
· · uitgezonderd
· (zn). bak
baaksîes (zn). fooi
baal (zn). kracht
baal se khele (ww). ballen
(baal-)battja (zn). baby (2)
baal-battjan (zn). kroost
baalie (zn). aar
baaloe (zn). zand
baan (zn). gewoonte
· · manier
· · wijze
baana (zn). banaan
baanbe (telw). tweeënnegentig
baanhal (bn). gebonden
· · vast
· (vdw). gevangen
baanhe (ww). binden
· · inzwachtelen
· · omwinden
· · omzwachtelen
· · opbinden
· · opslaan (3)
· · opsluiten
· · snoeren
· · vastleggen
· · vastmaken
· · verbinden
· · voordoen
baanie (zn). stem (2)
baap (zn). pa
· · vader
baap-daada (zn). voorvader
baap-daada ke naam ke liest (zn). geslachtsregister
baap-daada log (zn). voorouders
baapre baap! (tw). och!
baapre-baap! (tw). nou
baar (zn). haar
· · hoofdhaar
· · keer
· · manen
· · sik
baara (telw). twaalf
· (zn). (hartig gerecht)
baara badje dien mê (bw). noen
baara badje raat ke (bw). middernacht
baar-baar/ber-ber (bn). telkens (8)
baarbier (zn). barbier
· · kapper
baare (ww). aanmaken
· · aansteken
· · stoken
baare boete (ww). aan en uitgaan
baare/biese mê (vz). over
baare-boete (ww). flikkeren
· · knipperen
baar/rowa ke (bn). harig
bãas (zn). bamboe
baasaṯh (telw). tweeënzestig
baasie (ww). oud (9)
bãasoerie (zn). fluit
baaspekie (zn). meloen
baat (zn). kwestie
· · term
· · woord
· · zaak
baat dewe (ww). mededelen
· · meedelen
baat ke tjalan (zn). voorbeeld
baat na soene/maane (ww). ongehoorzaam zijn
baat soene (ww). voldoen (3)
· · voldoen (3)
baat soene/maane (ww). gehoorzamen
baat-be-baat (zn). woordenwisseling
baaṯe (ww). delen
· · distribueren
· · uitdelen
· · verdelen
· · zijn
baate-baat (bw). terloops
baat-tjiet (zn). afspraak
· · akkoord
· · beraad
· · debat
· · gesprek
· · overleg
· · testament
· · verbond
baat-tjiet kare (ww). afspreken (2)
· · bepraten (2)
· · beraadslagen
· · bespreken
· · overleggen
baat-tjiet ke baakas (zn). verbondskist
bãawã (bn). linker
bãawã kait/or (bw). links
baawan (telw). tweeënvijftig
baawe (ww). openen (2)
babaal (bn, bw). naar
· (zn). moeilijkheid/-heden
babhaai dewe (ww). branden (2)
· · pijn doen (4)
· · pijnigen
baby (zn). baby
· · zuigeling (2)
badaam (zn). amandel
badala (bn, bw). tegenovergesteld
badale (ww). afwisselen
· · inruilen
· · omslaan
· · omwisselen
· · ruilen
· · veranderen
· · verruilen
· · verwisselen
· · wijzigen
· · wisselen
badarie (zn). wolken (2)
badarie aawe (ww). bewolken
badarie na hai (bn). onbewolkt (2)
badaulat (vz). dankzij
badhaam kare (ww). beschuldigen
· · betichten (3)
badjaar (zn). markt
· · verkoop
badjaat (bn). stout
· (bn, bw). ondeugend
· · slecht (2)
badjaatie (zn). misdaad
· · ondeugd (2)
· · slechtheid
· · wandaad
badjaawe (ww). aanzetten (2)
· · bespelen
· · luiden
badje (ww). aanstaan (3)
· · aflopen (2)
· · klinken
· (zn). uur
badjhaawe (ww). beamen (3)
· · bekrachtigen
· · bevestigen (2)
· · vastmaken (2)
badjhe (ww). vastraken
badmaas (bn). ongezeglijk
· · stout (2)
· (bn, bw). ondeugend (2)
· · slecht (3)
badmaasie (zn). kattekwaad
· · misdaad (2)
· · ondeugd (3)
· · slechtheid (2)
badnaam (zn). laster
badnaam kare (ww). lasteren
bagaitja (zn). tuin
bagal (bn). aangrenzend
· · belendend
· (zn). zijde
bagal bagal (bn). parallel
bagal rahe (ww). grenzen
bagghie (zn). koets
· · rijtuig
bahaana (zn). bedrog
bahaana kare (ww). verontschuldigen
bahaane (ww). snoeren (2)
bahaar (bw). buiten (2)
bahaare (ww). vegen
bahakaawe (ww). misleiden
· · verleiden
bahanoi (zn). zwager
bahare/bahiere (bw). buiten (3)
bahatta/bahieta (bn). stromend
bahattar (telw). tweeënzeventig
bahe (ww). stromen
· · vloeien
bahien (zn). zuster
bahien-bahien (zn). zusterpaar
bahiene (zn). neef (2)
· · nicht (2)
· · zusterskind
bahier (bn). doof
bahiera (zn). (scheldwoord)
bahoematie (zn). veelzinnigheid
bahoet (bn). enorm
· · heel (6)
· (bn, bw). volop
· (bw). ampel
· · danig
· · erg
· · graag
· · hevig
· · intens
· · teveel
· · uitermate
· · weelig
· · wel (2)
· · zeer
· (onbep. telw). veel
bahoet attjha (bn, bw). uitstekend
(bahoet) attjha/baṟhîa (bn, bw). keurig
bahoet attjha/baṟhîa/biesaail (bn). schitterend (2)
bahoet baṟka (bn). kolossaal
(bahoet) baṟka sahar (zn). metropool
bahoet ḏheṟ (telw). talloos
bahoet goessa (bn, bw). woest
bahoet kamtie (dãai) (bw). zelden
bahoet kamtie/tjhoṯa (bn, bw). minim(aal)
bahoet khafa mê (bn, bw). woedend
bahoet khoesie (se) (bw). dolblij
bahoet maange (ww). popelen
bahoet se (bw). overvloedig
bahoet tjaahe (ww). verzot zijn
bahoet/baṟa goessaai (ww). razen
baiganieran (zn). paars
baikaat (zn). kwaad
baikaat/boeraai/kharaabie kare (ww). kwaad doen
baimaan/beimaan (bn). bedriegelijk
· (bn, bw). oneerlijk
baimaanie kare (ww). afzetten (2)
· · verlakken
baimaanie/beimaanie kare (ww). bedotten
· · bedriegen
· · beduvelen
· · frauderen
· · neppen
· · oplichten
baipaarie (zn). handelaar
· · verkoper
bair (zn). koelie droifie
baisgiel/baisiekiel (zn). fiets
baisgiel/baisiekiel tjalaawe (ww). fietsen
baiṯhaawe (ww). aanstellen
· · doen zitten
· · zetten
baiṯhal (vdw). gezeten
baiṯhe (ww). zitten
baiṯhe baiṯhe soete (ww). knikkebollen
bajaalies (telw). tweeënveertig
bajaana (zn). voorschot
bakara (zn). blanke
bakarie (zn). geit
bakarnie (zn). blanke (2)
bakbakaai (ww). raaskallen
bakhaar (zn). opslagplaats
· · pakhuis
· · schuur
· · veem
bakie (vgw). doch
· · echter (2)
· · maar
bakoela (zn). sabakoe
bakwa (zn). bakove
bakwaad/bakwaas (zn). onzin (2)
· · waanzin (2)
bakwaat/bakwaas (zn). nonsens (2)
balaai (zn). afval (2)
· · rommel (2)
· · vuilnis (2)
balat daar kare (ww). ontmaagden
baliedaan (zn). offer
baliedaan ke nauta (zn). offerfeest
baliedaan ke tafra (zn). altaar
· · offeraltaar
baliedaan/daan/poedja kare (ww). offeren
balsaan (zn). balsem
baltie (zn). emmer
balwaan (bn). sterk (2)
banaawal (bn). gemaakt
· · heel (2)
banaawal daaṯ (zn). kunstgebit
(banaawal) ieta (zn). tichel
banaawe (ww). bakken (2)
· · bouwen
· · creëren
· · fabriceren
· · fiksen (2)
· · herstellen (2)
· · maken
· · oplappen
· · repareren
· · vervaardigen
· · vormen
banaawe Waala (zn). Schepper
banaawe waala (zn). maker
ban-aroei (zn). (soort groente) (2)
banautie (bn). gekunsteld
· · gemaakt (2)
banbaas (zn). verbanning
band (bn). afgesloten
· · dicht
· · gesloten
band djaai (ww). dichtgaan
band kare (ww). afsluiten
· · afzetten
· · dichtdoen
· · dichten (2)
· · dichtmaken
· · sluiten
· · toemaken
· · versperren
bandar (zn). aap
bandhan (zn). band (2)
· · bondgenootschap
· · verbond (2)
bandobas(t) (zn). regeling
bandoek (zn). geweer
bane (ww). ontstaan
· · worden (2)
bantie (zn). band
bantjar (zn). barbaar
· · onbeschaafd mens
· · wilde
baṟa (bn). enorm (3)
· (bn, bw). vervaarlijk
· (bw). danig (2)
· · erg (2)
· · intens (2)
· · uitermate (2)
· · zeer (2)
· (onbep. telw). veel (2)
baraabar kare (ww). effenen
· · nivelleren
baraabar/barobar (bn, bw). evenveel
· · gelijk
· (bw). even (4)
baraabarie (zn). gelijke
baraai/baṟhaai (zn). glorie
· · grootheid
baraat (zn). bruidsstoet
baraawe (ww). aanmaken (2)
baraf (zn). ijs
baraf/ijs howe (ww). bevriezen (2)
baraija (zn). bij
· · wesp
baraunie (zn). oogharen
barbaad (bw). verdorven
barbaad djaai (ww). te gronde gaan
barbaad kare (ww). schenden
· · te gronde richten
· · teniet doen
· · verderven
· · vernielen
barbaadie (zn). verderf
· · verwoesting
barbaraai (ww). mopperen
bare (ww). branden (3)
· · vlammen
baṟhaawe (ww). culmineren (2)
· · uitsteken (2)
· · vergroten
· · vermeerderen (3)
· · vermenigvuldigen
· · verruimen
baṟhante (ww). toenemen
baṟhantie (zn). groei
· · vooruitgang
baṟhe (ww). aangroeien
· · groeien
· · uitbreiden
· · uitdijen
· · uitzetten
· · vergroten (2)
· · vermeerderen (2)
· (zn). toename
baṟhîa (bn, bw). aangenaam (2)
· · begeerlijk (2)
· · mooi
· · prettig (2)
(baṟhîa) kapṟa (zn). gewaad
baṟhîa (se) (bn, bw). schoon
bariaar (bn). gereed
· · paraat
· · sterk (3)
bariel (zn). ton
· · vat
baries (zn). jaar
bariesan (zn). jaren
baṟka (bn). aanzienlijk
· · belangrijk
· · fors
· · groot
· · ruim
· · vooraanstaand (2)
baṟka daada (zn). oom
baṟka daada/ kaaka/ khaala/ maama/ mausie/ phoewa/ tjattjie ke beṯa (zn). neef (4)
baṟka gotro (zn). sloot
baṟka howe (ww). opgroeien
baṟka kamra (zn). zaal
baṟka maane (ww). bewonderen
· · eren (3)
· · waarderen (2)
baṟka manai (zn). elite
baṟka megha (zn). pad
baṟka moes (zn). rat
baṟka na (bn). onbelangrijk
baṟka panha (bn). dubbelbreed
baṟka patthar (zn). rots
baṟka samoendar (zn). oceaan
baṟkaai (zn). grootte
baṟka/baṟkaai kare (ww). prijzen (2)
barkha (zn). regen
barkha ke ṯem (zn). regentijd
barkha-boenie (zn). regenweer
baṟkie (zn). schoonzuster
baṟkie maai (zn). tante
baṟkoe (zn). zwager (2)
baṟkwa (zn). baas
· · bevelhebber (2)
· · chef
· · hoofdman
· · leider
· · opzichter
· · oudste (3)
· · patroon (2)
· · voorman (2)
barobaria (zn). gelijke (2)
baroeth (zn). zwavel
barohar (zn). rente
barote (ww). opsparen
barsaad (zn). regentijd (2)
barse (ww). regenen
bartan (zn). schotel
· · serviesgoed
· · vaat(werk)
bartan dhowe (ww). vaatwassen (2)
bartan dhowe/maadje (ww). afwassen
baṟwaṟgie (zn). opschepper
baṟwaṟgie kare (bn). arrogant
· · opscheppen
· · zelfingenomen
· (ww). beroemen
· · bluffen
· · snoeven
· · verbeelden
baṟwaṟgie/djaaf kare (ww). opsnijden
bas (bn). voldoende
· (bw). vervolgens
· (onbep. telw). genoeg (2)
· (vgw). toen
bas hoi djaai (ww). verzadigen (2)
basaawe (ww). verspreiden
basienda (zn). bewoner
baskieta (zn). korf
· · mand
basta (zn). zak
bastie (zn). bebouwing
bastoe (zn). ding
bataawe (ww). aankondigen (2)
· · bekendmaken (2)
· · mededelen (2)
· · meedelen (2)
· · melden
· · opbiechten
· · uiten
· · verhalen
· · vermelden
· · vertellen
· · verwittigen
· · voorlichten
· · voorstellen (3)
bataawe waala (zn). verteller
batam (zn). knoop (2)
batia (zn). vruchtbeginsel
batiaai (ww). aanspreken
· · babbelen
· · bepraten
· · bespreken (2)
· · converseren
· · omgaan met
· · praten
· · spreken
batiaai waala baat (zn). spreekwoord
batj djaai (ww). ontkomen
· · overleven
batjaaike (bw). omzichtig
· · voorzichtig
batjaaike rahe (ww). oppassen
· · uitkijken (2)
batjaaike rahiehe! pas op! (2)
batjaaw (zn). kabeljauw
batjaawe (ww). behoeden (2)
· · beschermen (2)
· · bevrijden
· · bewaren (2)
· · redden
· · sparen (2)
· · verlossen
batjaawe Waala (zn). Heiland
batjaawe waala (zn). beschermer
· · bewaarder
· · bewaker
· · redder
· · verlosser
batjal (vz). over (6)
· (zn). rest
batje (ww). achterblijven
· · ontkomen (2)
· · overblijven
· · overleven (2)
· · resteren
batnasieb (zn). ongeluk (3)
batore (ww). inzamelen
· · rapen
· · sparen
· · vergaren
· · verzamelen
battie (zn). lampepit
batties (telw). tweeëndertig
battja (zn). gebroedsel
· · jong
· · zuigeling
battja dewe (ww). jongen
· · kalven
battjie (zn). meisje
bauna (zn). dwerg
bauṟa (zn). liaan
bautjhaar maare (ww). inregenen
be- (voorvoegsel). on- (2)
· · zonder
be-baat ke baat (zn). onzin (3)
be-biehautie (zn). bijvrouw
· · buitenvrouw
· · maitresse
be-bieswaasie (zn). ongelovige
be-bietjaar (bw). onbedachtzaam
Bedaki (zn). Kerstmis
be-dam (bn). krachteloos
be-daṟ (bw). vastberaden (2)
be-ḏaṟ (se) (bn, bw). onbeducht
· · onbevreesd
be-dhan (bn). onbescheiden
be-dhiaan (bw). verwezen
bedie (zn). bed
· · ledikant
be-djaanke (bw). ongewild
bedjatie (zn). belediging (2)
bedjatie kare (ww). krenken
be-gam (bn). onverschillig
· · zorgeloos
be-gam rahe (ww). aantrekken (4)
be-gam (se) (bn, bw). roekeloos
begar (voorvoegsel). zonder (2)
behetar (bn). beter (3)
be-hiesaab (se) (bn, bw). onmatig
· · roekeloos (2)
be-hiessaab (bn). onbeheerst
be-hoedda (bn). losbandig
be-hos (bn). bewusteloos
· (zn). zwijm
be-hos howe (ww). bezwijmen
be-hos/flauw howe (ww). flauwvallen
bejaasie (telw). tweeëntachtig
be-kaamiel (bn). nietswaardig
· · nutteloos
· · onnuttig
· · waardeloos
· · zinloos
· (bw). onbruik
be-kaanoen (bn). bandeloos
· · wetteloos
be-kaar (bn). nietswaardig (2)
· · nutteloos (2)
· · onnuttig (2)
· · waardeloos (2)
· · zinloos (2)
be-kaida (bn). onbeleefd
be-kasoer (bn). onschuldig
· · rechtschapen
· · rechtvaardig
be-kasoerie (zn). onschuldige
bel kare/soenaawe (ww). bellen
bele (ww). uitrollen
belmoenḏa (zn). kaalkop
belna (zn). deegroller
belna ghat (bn). besluiteloos
· · onbestendig
belna ghat rahe (ww). weifelen
belphoeṯ (zn). broodvrucht
bemaar (zn). ziek
bemaarie (zn). kwaal (2)
· · ziekte
be-man (zn). tegenzin
bemaria (zn). patient
· · zieke
bena (zn). waaier
ber (zn). olijf
ber ber (bn). voortdurend
bera (bw). tijdens
berpen (zn). graf
· · tombe
berwa (zn). armband
be-sahaara (bn). weerloos
be-sahoer (bn). onbeleefd (2)
· · onbeschaafd
· · onbeschoft
· · ongemanierd
· · zedeloos (2)
be-sahoer se (bw). grof (3)
be-sahoer (se) (bn, bw). onbehoorlijk
· · onbetamelijk
· · onhebbelijk
· · onwelvoeglijk
besan (zn). erwtenmeel
· · gemalen oerdie
be-saram (bn). onfatsoenlijk
· · schaamteloos
· · zedeloos
· (bn, bw). onzedelijk
be-sia (bn). overspelig
· · schaamteloos (2)
· · zedeloos (3)
· (bn, bw). onzedelijk (2)
besie-se-besie (bw). allermeest
be-(sõtj) phiekier (bn). zorgeloos (2)
· (bn, bw). onbezonnen
be-sõtj phiekier (se) (bn, bw). onberaden
be-(sõtj)-(phiekier) (bn). onnadenkend
be-sõtj(-phiekier) (bn). onbezorgd
bestar (bw). liever
be-sðtj (phiekier) (bn, bw). achteloos
beṯa/beṯwa (zn). zoon
beṯie (zn). dochter
bêtjaai (ww). verkocht worden (2)
betjaarie/-a (zn). stakker
· · zielepoot
bêtje (ww). verkopen
be-waaries (bn). geheel
be-waaries tjhore rahe (ww). veronachtzamen
· · verwaarlozen
bhaabie (zn). schoonzuster (2)
bhaadje (ww). zwaaien (3)
bhaadjie (zn). bladgroente
· · groente (3)
bhaag (zn). aandeel
· · deel
· · gedeelte
· · onderdeel
· · stuk
· · vlucht
bhaag djaai (ww). ontvluchten
bhaag lewe (ww). deelnemen
bhaag mê kare (ww). indelen
· · verdelen (2)
bhaage (ww). ontvluchten (2)
· · uitwijken
· · vlieden
· · vluchten
bhaai (zn). broer
bhaai log (zn). gebroeders
bhaai/bahien ke beṯa (zn). neef
bhaai/bahien ke bieṯia (zn). nicht
bhãai-bhãai (bn, bw). griezelig
· (bv). eng
bhaala (bn, bw). goed (2)
· · goed (4)
bhaaloe (zn). beer
bhaara (zn). huishuur
· · huur
bhaara kare (ww). huren
· · verhuren
Bhaarat (zn). India
bhaare (ww). huren (2)
bhaarie (bn). groot (2)
· · uitgestrekt
bhaasa (zn). taal
bhaasjan (zn). oratie
· · preek
· · redevoering
bhaat (zn). rijst
bhaat niekaare (ww). opdoen
bhaat pakaawe (ww). opzetten (2)
bhaata (zn). boulanger
bhaawar (bw). eromheen
· · omheen
· · rond
bhabbhaar (bw). bombastisch
bhabhaar (bw). protserig
bhabhasaai (ww). instorten
bhadar-bhadar (bn). trommelend
bhad(-bhad) (zn). gebonk
· · gedreun
bhadke (ww). zweven
bhagaawe (ww). ontvoeren
· · uitjagen
· · verjagen
bhageroe (zn). vluchteling
Bhagwaan (zn). God
bhai (zn). angst
bhaija (zn). broer (2)
bhail (vdw). gebeurd
· · geworden
· (ww). werd
bhãis (zn). buffel
bhaisa (zn). waterbuffel
bhajaanak (bn). angstwekkend
bhaktie (bn). vroom
bhalaai (zn). barmhartigheid
· · goed (9)
· · goedheid (2)
· · gunst
· · weldaad
bhalaai kare (bn). barmhartig
· (ww). begunstigen
bhale (bn). gelukkig
· (bn, bw). goed (7)
bhanbhanaai/bhoenbhoenaai (ww). mopperen (2)
· · vitten
bhanbhanaawe (ww). foeteren
bhanḏaaṟie (zn). kok
bhar (bn). heel (7)
· · vol
· (bn, bw). compleet
· · finaal (2)
· · helemaal
· · volledig
· (bn, vdw). gevuld
· (bw). volslagen
bhar djaai (ww). vollopen
bhar sabha mê (bw). openbaar
bharaita (zn). huurder
bharal (bn). vol (2)
· (bn, vdw). gevuld (2)
bharal rahe (ww). wemelen
bharan (zn). gebons
bhararaai (ww). neerdonderen
bharbharaawe (ww). bonzen
bhare (ww). besteden
· · betalen
· · uitbetalen
· · uitkeren
· · voldoen
· · vullen
bharkaawe (ww). ontmoedigen
bharmaawe (ww). afleiden
· · beïnvloeden
· · hersenspoelen
· · misleiden (2)
bharosa (zn). trouw
bharosa kare (ww). vertrouwen
bharosaadaar (bn). betrouwbaar
· · getrouw
bharpoer (bn). verzadigd (2)
bharwaawe (ww). innen
· · laten betalen
bhasak (bn). uitgerafeld
bhasak djaai (ww). rafelen
bhasbhas (bn). mul
bhataar (zn). echtgenoot (2)
bhatak djaai (ww). afdwalen
· · dwalen (4)
bhatiedj (zn). neef (3)
bhatiedjien (zn). nicht (3)
bhatkaawe (ww). verleiden (2)
bhatke (ww). afdwalen (2)
· · dwalen (5)
bhaṯwaas (zn). soja
bhaudjie (zn). schoonzuster (3)
bhãuṟa (zn). hommel
· · zege-zege
bhed (zn). nieuws
· · verschil (2)
bhedjal waala (zn). gezondene
bhedjne (zn). zender
bhêṟa (zn). ram
· · schaap
bhêṟa ke battja (zn). lam
bhêṟiaail (bn). schaapachtig
bhêrie (zn). ooi
bhêṟie (zn). schaap (2)
bheṯ kare (ww). ontmoeten
· · tegenkomen
bhet lewe (ww). bespieden
· · spioneren
· · verkennen
· · verspieden
bheṯaai (ww). aantreffen
· · ontmoeten (2)
· · tegenkomen (2)
bhêwe (ww). natmaken
bhie (bw). bovendien
· · eveneens
· · evenzeer
· · mede/mee
· · ook
bhiedjaai (ww). natmaken (2)
bhiedjaawe (ww). bevochtigen
· · invochten
bhiedjal (bn). nat
· (bn, bw). vochtig
bhiedjal kare (ww). bevochtigen (2)
bhiekh (zn). aalmoes
bhiekhaarie (zn). bedelaar
bhiekhmaange (ww). bedelen
bhiekhmanga (zn). bedelaar (2)
bhiendie (zn). oker
bhienga (zn). azijn
bhier (bn). bedrijvig
· · bezig (2)
· · druk
bhier-bhaar/bhaṟakka (zn). drukte
bhiere (ww). bezig zijn
· · druk hebben
bhiettar (bw). binnen
bhiettar des (zn). binnenland
bhiettar (ke) (bn, bw). inwendig
bhiettar lewe (ww). binnenhalen
· · binnenlaten
· · verwelkomen
(bhiettar) lewe (ww). innemen
bhodjan (zn). dis
· · maal
· · maaltijd
bhodjan kare (ww). dineren
· · eten
bhodjha (zn). garf (2)
bhoebhoenaai (ww). foeteren (2)
bhoedje (ww). poffen
· · roosteren
bhoeidol/bhoendol (zn). aardbeving
bhõeija (zn). grond
· · vloer
bhoekaṟe (ww). gisten
bhoekaṟiaai (ww). beschimmelen
bhoeke/bhoke (ww). blaffen
bhoekh (zn). honger
bhoekh lage (ww). hongeren
bhoekha rahe (ww). vasten
bhoekhaail (zn). hongerig
bhoekoeṟiaai djaai (ww). gisten (2)
bhoel (zn). vergissing
bhoelaai (ww). vergeten
bhoel/galtie banaawe (ww). vergissen
bhoel-tjoek (zn). tekortkoming
bhoelwaawe (ww). verwarren
· (zn). war
bhoenga/bhoengie (zn). vliegje
bhoerbhoerwa (zn). insectensoort
bhoesie (zn). kaf
bhoet(-paret) (zn). boze geest
· · demon
· · spook
bhoettjar (bn, bw). onwijs
bhoettjaṟ (bn). dom
· · stom
· (bn, bw). suf
· (zn). sufferd
bhoge (ww). boeten
bhokaai (ww). spietsen
bhõke (ww). steken
bhola-bhaala (bn). argeloos
bhothar (bn). bot
bia (zn). pit (2)
· · zaad
bia tjhiete/tjhore (ww). zaaien
biaadj (zn). rente (2)
biaah (zn). echt
· · echtverbintenis
· · huwelijk
biaah kaaṯe (ww). echtscheiden
biaah kare (ww). trouwen
biaah karwaawe (ww). uithuwelijken
biaah kaṯ gail (vdw). gescheiden (2)
biaah ke nauta (zn). bruiloft
biaah/saadie kare (ww). huwen
biaai (ww). jongen (4)
· · werpen (3)
biebie (zn). echtgenote (2)
biedaai (zn). afscheid
biedaai kare/lewe (ww). uitgeleide doen
biedjalie (zn). bliksem
· · weerlicht
biedjalie-battie (zn). electrische lamp
biedwaan (bn, bw). wijs
biedwaan (aadmie) (zn). wijze (6)
biefe (zn). donderdag
biegar (bn). corrupt
· · kapot
biegare (ww). bederven
· · kapot gaan
biege (ww). gooien
· · keilen
· · kwakken
· · uitwerpen
· · weggooien (2)
· · werpen
biehaan (bw). morgen
biehaan atar/parsõ (bw). overmorgen
biehaan ke biehaan (bw). overmorgen (2)
biehauta (zn). echtgenoot (3)
biehautie (zn). echtgenote (3)
bieka (zn). verkoop (2)
biekaai (ww). te koop zijn
· · verkocht worden
biekaail (bn). verkocht
biekh (zn). gif(t)
· · vergif
biekh bole (ww). grieven (2)
biel (zn). hol
bielaai djaai (ww). te gronde gaan (2)
bielaar (zn). kat
· · kater
bielaarie (zn). kat (3)
· · poes
bielaawe/bielwaai dewe/bielwaawe (ww). ruïneren
bielam (bw). laat (2)
bielta (zn). kat (2)
· · kater
bieltie (zn). kat (4)
· · poes (4)
bielwaai dewe/kare (ww). verwoesten
bielwaawe (ww). verwoesten (2)
biena (bn, bw). behalve (2)
· (voorvoegsel). zonder (3)
biena baadar (bn). wolkeloos (2)
biena daag (bn, bw). vlekkeloos
biena daaja se (bw). meedogenloos
biena djaane (bw). onbewust
biena ghar ke (bn). onbehuisd
biena hiesaab se (bw). driest
biena hiesaab (se) (bw). doldriest
biena kapṟa (bn, bw). bloot (2)
· · naakt
biena naam se (bw). anoniem
biena prem (se) (bn, bw). harteloos
· · onaardig
biena saktie (bw). machteloos
biena saktie/taagat (bn). futloos
biena saram se (bw). vrijmoedig
biena sawaadj (bn). flauw (2)
biena soete (bn). slapeloos
bienai (zn). verzoek (2)
bienai kare (ww). smeken
bienai/bientie kare (ww). verzoeken (2)
biene (ww). oplezen (2)
· · oprapen
· · uitlezen
· · uitzoeken
bientie (zn). bede
· · gebed
bientie kare (ww). bidden
· · smeken (2)
bienwaawe (ww). borduren
bier (zn). held
bieraawe (ww). nadoen (2)
· · vermijden (2)
bies (telw). twintig
biesaai (vz). over (2)
biesaal (bn). geweldig
· · magnifiek
· · prachtig
biesahie (bn). hartig
biese mê (vz). betreffende
bieses karke (bw). in 't bijzonder
· · inzonderheid
· · uitstek
· · vooral
bieskoet (zn). beschuit
biessaahien (zn). vleeshoudend voedsel
biestar (zn). slaapmat
bieswaas (zn). geloof
bieswaas kare (ww). geloven
bieswaasie (zn). gelovige
biet (bw). voorbij (3)
bieta (bn). bitter
bietal (bn). verleden
· · vorige (3)
· (bw). jongstleden
bietal raat ke (bw). vannacht
biete (ww). aflopen (3)
· · duren (3)
· · ondervinden
· · verlopen
· · verstrijken
· · voorbijgaan
bieṯia (zn). dochter (2)
bietj mê (vz). midden(in)
· · tussen
bietj mê koede (ww). storen
bietj mê se (vz). tussenuit
bietja (zn). omgeving (2)
bietjaar (zn). gedachte
· · overweging
· · plan
bietjaar kare (ww). bedenken (2)
· · discusiëren
· · overwegen
bietjaare (ww). bedenken
· · discusiëren (2)
· · overwegen (2)
bietjaraawe (ww). vermijden
bietje se (bw). doormidden
bietje se kare/kaaṯe (ww). halveren
bietje-bietje (vz). midden(in) (2)
bietje(-bietje) (bw). in het midden
bietjhaawe (ww). opmaken (5)
· · spreiden
· · uitspreiden
bietjhar djaai (ww). vervreemden
bietjhat (bw, verl. d. w). bedekt
bietjhauna (zn). kleed
· · laken
· · sprei
bietjhe (ww). bedekken
bietjlaawe (ww). glijden
· · uitglijden
biettjhie (zn). schorpioen
birti (zn). buurt
blaaka (zn). (scheldwoord) (2)
· · zwarte
blaas (zn). ballon
blaaw (bn). blauw
blaawkwa (zn). de blauwe
bobi (zn). zuigfles
bobo (bn, bw). suf (2)
bodjha (zn). juk
bodjh(a) (zn). last
· · vracht
boeba (zn). schil
boeboe (zn). zuster (2)
boeḏḏha (bn). oud
boeddhie (zn). brein
· · hersens
· · intelligentie
· · rede
· · verstand (2)
boeḏḏhie (bn). oud (3)
boeḏḏhiehie (bn). verstandeloos
boeḏḏhiemaan (zn). wijze (5)
boeddhoe (zn). domoor
boeddja (zn). schuim
boeddjaai (ww). borrelen
· · opborrelen
boedh (zn). woensdag
boedhaai (ww). voelen
boedj-boedjaai (ww). borrelen (2)
· · opborrelen (2)
boedjha (zn). gedachte (2)
· · idee
boedjhaawe (ww). dunken
boedjhaunie (zn). raadsel
boedjhe (ww). doven
boedjiaai (ww). fermenteren
boekṟie (zn). schimmel
boel (zn). stier
boelboelaai (ww). borrelen (3)
boel-boelaai (ww). opborrelen (3)
Boelmaan (zn). Boeroe
boen (zn). greintje
boeniaat (zn). beding
· · voorbeding
· · voorbehoud
· · voorwaarde
boeniaawe (ww). druppelen
boen(ie) (zn). drop
· · druppel
boenie pare (ww). druppelen (2)
boer (zn). vagina
boeraai (zn). kwaad (2)
boere (ww). druipen
· · onderlopen
· · overstromen
boeṟhaai (ww). oud
boeṟhaapa (zn). ouderdom
boeṟhîa (bn). oud (4)
boeṟh-poerania (zn). voorouders (2)
boeṟhwa (bn). oud (2)
boeṟhwa boeṟhîa (bn). oud (5)
boeṟhwa boeṟhia howe (ww). verouderen
boeṟhwa djawaan (bn). oud (5)
boeṟhwa-boeṟhia (zn). bejaarden
boetaail (bn). geblust
boetaawe (ww). uitblussen
· · uitdoen
· · uitdoven
· · uitdraaien
· · uitmaken
· · uitschakelen
boete (ww). uitdoven (2)
· · uitgaan
bokhaar (zn). koorts
bokla (zn). schil (2)
bol dora (zn). kluwen
bolaawal (vdw). geroepen
bolaawe (ww). aanroepen
· · afroepen
· · nodigen (2)
· · noemen
· · roepen
· · uitnodigen
· (zn). ontbieden
bolan/bolie (zn). spraak
bol-baanie (zn). gezag
bole (ww). beweren
· · kraaien
· · opmerken (2)
· · uiten (2)
· · uitspreken
· · zeggen
bolie (zn). gekraai
bolkaare (ww). begroeten
· · groeten
bolpoint (zn). balpoint
bol-tjaal (zn). sociaal kontakt
bonki (zn). boon
bore (ww). dopen
· · indompelen
· · indopen
· · onderdompelen
bosi (zn). kus
· · zoen
bosi kare (ww). kussen
bosro (zn). boender
· · borstel
boṯ (zn). boot
· · roeiboot
botal (zn). fles
botie-botie (bn). in brokjes
botro (zn). boter
bowe (ww). beplanten
· · planten
· · stekken
· · telen
· · verbouwen
bowtoe (zn). staaf
brahmaan (zn). brahmaan
breṯ (zn). boterham
· · brood
breṯ banaawe waala (zn). bakker
broekoe (zn). broek
broki (zn). brug
bruin (bn). bruin
bruink(w)a (zn). de bruine
Copyright © 2002