M - m

ma / maai (zn). mamma
maadje (ww). onderdompelen (3)
· · vaatwassen
maaf kare (ww). vergeven
· · verschonen (2)
maafie (zn). excuus
maaf(ie) (zn). pardon
· · vergeving
· · verontschuldiging
maafie maange (ww). excuseren
maaf(ie) maange/kare (ww). verontschuldigen (2)
maahaan (bn). groot (3)
· · oppermachtig
maahaanta (zn). glorie (2)
· · heerlijkheid (2)
maahaaraadja (zn). keizer
maahaaraanie (zn). keizerin
maaha-jaadjak (zn). hogepriester
maaha-mantrie (zn). hoogste raadsheer
· · onderkoning
maai-baap (zn). ouders
maai-baap ke (bn). erfelijk
maakroe (bn). onrein (2)
· · verboden
maal (zn). product
· · schat (2)
maala (zn). erekrans
· · krans
Maaliek ke ghoṟa (zn). sprinkhaan
maaliek/Maaliek (zn). heer/Heer
maalies kare (ww). masseren
maalkien (zn). meesteres
maaloem (bn). bekend (2)
maama (zn). oom (3)
maamie (zn). tante (5)
maan (zn). eer (3)
· · respekt (2)
maan lewe (ww). inbeelden
· · indenken (2)
· · veronderstellen
· · voorstellen
· · wanen
maana (zn). manna
maan(-djaan) (zn). achting
maane (ww). achten
· · beschouwen (3)
· · betekenen
· · dienen
· · in acht nemen
· · vereren (3)
maang (zn). haarscheiding
· · scheiding
maange (ww). ambiëren
· · begeren (3)
· · believen
· · bereid zijn
· · bezweren
· · eisen
· · vereisen
· · vragen
· · wensen
· · willen
maange djaane (bn). benieuwd
· (ww). nieuwsgierig zijn
maange hai djaane (ww). benieuwen
maange kasar lewe/niekaare (ww). wrokken
maaniekia (zn). sardius
maar (zn). slaag
maar dhaaral djaai (ww). sneuvelen
maar dhaare (ww). afmaken (3)
· · doden (2)
· · doodslaan (2)
· · executeren
· · ombrengen
· · terechtstellen
maara-maara (bn). geslagen
· (vdw). verslagen (3)
maara-maarie (zn). gevecht (2)
maare (ww). aanrijden
· · botsen
· · doden (3)
· · meppen (2)
· · raken
· · slaan
· · slachten (3)
· · sneuvelen (2)
· · treffen (3)
maaṟh (zn). rijstwater
maarke gieraawe (ww). neerslaan
maar/marwa dhaare (ww). slachten (2)
maaro (zn). bruidstent
maas (zn). vlees
maastar (zn). docent
· · leermeester (2)
· · leraar (3)
· · meester
· · onderwijzer
maastarien (zn). lerares
· · meesteres (2)
· · onderwijzeres
maata (zn). moeder (2)
maata-maai (zn). mazelen
maatha (zn). eind (3)
· · voorhoofd
maaṯha (zn). karnemelk
maatjaan (zn). dorstafel
maatjhie (zn). vlieg
maatra/-ie diewas (zn). moederdag
madat (zn). hulp (2)
· · steun
madat kare (ww). bijstaan
· · helpen (3)
madh (zn). honing
madhiem howe (ww). vervagen
madhiem kare/karwaawe (ww). verzachten
madhien (bn). mat
· (bn, bw). gedempt
· · zacht
madhien kare (ww). temperen
madja (zn). beloning (2)
· · geneugte
· · loon (2)
· · salaris
· · voldoening
madjhielka (bn). halfwas
madjoer (zn). arbeider
· · dagloner
madjoerie (zn). beloning (3)
· · gage
· · loon (3)
· · salaris (2)
· · verdienste (2)
madjoerie dewe (ww). belonen (2)
magadj (zn). benul
· · inzicht
· · verstand (3)
magar (vgw). doch (2)
mahaadjan (zn). handelaar (2)
· · koopman
mahabat (zn). liefde
mahak (zn). aroma
· · geur
mahakauwa (bn). welriekend
· (zn). mirre
mahakawwa (bn). geurig
· (bn, zn). parfum
· (zn). reukwerk
mahak(awwa) (zn). odeur
mahake (ww). geuren
· · ruiken
· · stinken (2)
mahal (zn). gebouw
· · paleis
mahanga (bn). duur
· · kostbaar (3)
mahawier (zn). held (3)
mahe (ww). karnen
· · roeren (2)
mahieba (bn). bastaard
· · stief-
mahiemma (zn). glorie (3)
· · heerlijkheid (3)
mahien (bn). fijn (3)
mahienka (bn). dun
· · fijn (6)
mahienka kakahie (zn). stofkam
mahienna (zn). maand
mahienwaarie (zn). menstruatie
mahoer (zn). vergif (3)
mai (zn). mei
maidaan (zn). onbebouwd land
· · wildernis
maihieba maai (zn). pleegmoeder
maihwan (zn). gasten
mail (bn, bw). smerig
· · vies
· · vuil (4)
maila (zn). vuil (8)
mail/malietj/morsoe howe (ww). vevuilen
makaan (zn). etage
· · verdieping
makara (zn). spin
makkai (zn). mais
makkham (zn). boter (3)
makkhietjoes (zn). vrek
makmal (zn). linnen
makoija (zn). agoma wiri
Malai (zn). Javaan
Malai des (zn). Indonesië
Malainie (zn). Javaanse
malietj (bn, bw). vies (2)
· · vuil (5)
ma/maai (zn). moeder
mamla (zn). besluit (2)
mamla kare (ww). afspreken
· · plannen maken (2)
mamte (zn). ouderliefde
man (ww). idee (5)
· (zn). gedachte (4)
· · opinie (3)
man kare (zn). zin (2)
man waala (bn). favoriet
· · geliefd(e)
· (zn). zin (1)
manaawe (ww). beleven
· · vieren
manai (zn). mens (3)
· · persoon (2)
manai khauwa (zn). kannibaal
· · menseneter
manai log se na haare (ww). lankmoedig zijn
manai logan (onpers. vnw). men
manat (zn). minuut
mandiel/mandier (zn). tempel
mandjan (zn). respekt (3)
mandjha (zn). bestuursopzichter
· · opzichter (2)
mangan (bn, bw). opgewekt (2)
· (bw). opgeruimd (2)
· · vrolijk (2)
mangar (zn). dinsdag
man-maudjie (bn). lichtzinnig
manoeka (zn). krenten
· · rozijn
manṯeṟ (zn). monteur
mantra (zn). spreuk
manwaar (zn). oorlogsschip
mar djaai (ww). omkomen (2)
marai (zn). hut
· · schuur (2)
· · tent
maral (bn). dood
· · gestorven (2)
· · overleden
maral manai (zn). dode (2)
maral manai ke djagaha (zn). dodenrijk
maramar (bn, zn). marmer
mard(aana) (zn). kerel
· · man (2)
· · vent
mare (ww). creperen
· · heengaan (2)
· · omkomen
· · overlijden
· · sterven (2)
· (zn). dood (5)
marie (zn). pest
markat (zn). smaragd
marki (zn). grootte (2)
· · maat
marmiete (ww). meeleven
marne (zn). sterven
marnie (zn). dood (3)
· · overlijden
maṟoṟe (ww). stuiptrekken
marsa (zn). klaroen
martj (zn). maart
martja (zn). peper (2)
marwa dhaare (ww). doden (4)
· · doodslaan (3)
Masieh (zn). Christus (2)
· · Messias
masien (zn). machine
maskieta (zn). mug
· · muskiet
maskoer (zn). kaak
masla (zn). gezegde
· · spreekwoord (2)
massaala (zn). kerrie
mat (zn). struktuur
· · systeem
matbhed (zn). meningsverschil
maṯha (zn). room
(mathie ke) baraunie (zn). wenkbrauwen
maṯhnie (zn). stamper
maṯhole (ww). dralen
matjaawe (ww). veroorzaken
matjboet (bn, bw). stevig (2)
matjharie maare/pakaṟe (ww). vissen (2)
matjhrie (zn). vis
matjhrie marwa (zn). visser
matlab (zn). bedoeling
· · betekenis
· · zin (3)
matlab ke kaahaanie (zn). gelijkenis
· · parabel
matlab rahe (ww). bedoelen
· · betekenen (2)
maṯmail (bn). grijs
maṯṯie (zn). aarde (3)
· · bagger
· · begrafenis
· · klei
· · leem
· · slijk
· · teraardebestelling
· · uitvaart
maṯṯie dewe (ww). begraven (2)
maṯṯie ke (bn). aarden
· · lemen
maṯṯie ke bartan (zn). aardewerk
maudj (zn). jool
· · plezier (2)
· · pret (2)
· · vermaak
· · vertier
maudj manaawe (ww). fuiven
· · vermaken
maudj manaawe/kare (ww). amuseren (2)
mauka (zn). gelegenheid (2)
· · kans
maur (zn). kroon (2)
mausa (zn). oom (4)
mausam (zn). klimaat
mausie (zn). tante (7)
maut (zn). dood
maut ke parie (zn). doodsengel
(vz). in
· · naar (4)
mê se (vz). uit (3)
· · vanuit
megha (zn). kikker
· · vors
megtjie (zn). kikker (2)
mehenat (zn). inspanning (2)
· · moeite (4)
mehenat se (bw). moeizaam
· (vdw). ingespannen
mehenat se kare (ww). inspannen (3)
mehenat-madjoerie (zn). arbeid (2)
meheraaroe (zn). vrouw (2)
· · wijf
mel (zn). schip (3)
· · stoomschip (3)
mel-djol (zn). overeenstemming
melhe (ww). talmen
· · treuzelen (2)
mere (zn). mirre (2)
meṟhie (zn). paadje
· · weggetje
mes (zn). mest (2)
mes dewe/kare/tjhiete (ww). bemesten
mes niekaare/niekaase (ww). uitmesten
mew mew kare (ww). mauwen
· · miauwen
mew-mew kare (ww). flikflooien
mielaawal (bn). vermengd
mielaawe (ww). inmengen
· · mengen (2)
· · samenvoegen (2)
mielan (zn). bijeenkomst
· · ontmoeting (2)
miel-djoelke (bw). gezamelijk
miele (ww). aantreffen (2)
· · bekomen
· · krijgen
· · ontmoeten (3)
· · ontvangen
· · tegenkomen (3)
· · treffen
· · vinden
mieliet (zn). minuut (2)
mieljan (telw). miljoen (2)
mienaahie (bn). ongeoorloofd
· · verboden (2)
· (zn). verbod
· · waarschuwing
mienaahie kare (ww). verbieden (2)
· · waarschuwen (4)
mierie (zn). molen
miertoe (zn). dood (4)
miese (ww). masseren (2)
· · uitwrijven
mieṯaawe (ww). uitvegen
· · uitwissen
· · wegvagen
· · wissen
mieṯha (bn). lekker
· · zoet
mieṯha baat batiaai (ww). temen
mieṯha baat bole (ww). paaien
mieṯha bhaat (zn). rijstebrei (3)
mieṯhaai (zn). zoetigheid
mobaarak (bn). gelukkig (2)
modja (zn). kousen
moebaarak (bn). gezegend
moeft mê (bw). gratis
· · voor niemandal (3)
moeh (zn). bek
· · gelaat (2)
· · mond
· · muil
moeh baaike (bn, bw). verbijsterd
· (bw). sprakeloos
· · verstomd
moeh baawe/bawaawe (ww). gapen
moeh bawaawe (ww). geeuwen
moeh dekhe/taake (ww). beoordelen (2)
· · oordelen (2)
moeh laṟaawe (ww). afbekken
· · bekvechten
· · redetwisten
moeh latkal/teṟha rahe (ww). verzuren (2)
moeh ṯopke (bn, bw). gesluierd
moehdjabaanie (bw). mondeling
moeh(kaan) (zn). aangezicht
· · gezicht
moekaraain (bw). muf
moekhaan (zn). gelaatstrekken
moekhia (zn). baas (2)
· · gezinshoofd
· · opzichter (3)
moekka (zn). stomp
moekka dewe/lagaawe/maare (ww). stompen
moekoet (zn). kroon
moektie (zn). bevrijding
· · verlossing
moektie dewe (ww). bevrijden (2)
moel (bn). belangrijk (3)
moel baat (zn). hoofdzaak
moelaakaat (zn). ontmoeting (3)
moelkie-katahar (zn). grote kastanje
moeṟaawe (ww). kaalscheren
moerai (zn). ramenas
moeran (zn). haarscheerritueel
moerat/moertie (zn). beeld
· · beeltenis
· · standbeeld
moerda (zn). dode
· · kadaver
· · lijk (2)
moerda-laai (zn). mortuarium
moerga (zn). haan
moerga ke bolie (zn). hanegekraai
moerga ke kes (zn). hanekam
moergie (zn). hen
· · hoen
· · kip
moergie ke battja (zn). kuiken
moergie ke darba (zn). hoenderhok
· · kippenhok
moergie maare/djaba kare khaatien (zn). slachtkip
moerie (zn). boomtop (2)
moer(ie) (zn). kop
moeṟ(ie) (zn). hoofd
moerie bhare (ww). zaniken
moeṟie ghoemaawe (ww). begoochelen
· · betoveren (2)
· · in de war brengen
· · verwarren (2)
moer(ie) hielaawe (ww). knikken
moeṟie mê dhaare/rahe (ww). onthouden (3)
moerie mê rahe (ww). idee (4)
moerie par tjaharaawe (ww). verwennen (3)
moerkaai djaai (ww). verstuiken (2)
moerke (ww). verstuiken
· · verzwikken
moeroekh (bn). dom (2)
· · stom (2)
· (bn, bw). dwaas
· · slecht (5)
moeroekh ke baat (zn). onverstand
moertja (zn). roest
moertjaai (ww). roesten
moertjaai djaai/moertjaail (bn). verroest
moeṟ-tjhiella (bn). kaalhoofdig
moeṟwaarie (zn). hoofdeinde
moes (zn). muis
moesaabiek (bw). ongeveer (3)
Moesalmaan (zn). Moslim
moesar (zn). stamper (2)
moeseṟhie (zn). klamboe
moesiebat (zn). ellende (2)
· · misère (2)
· · moeilijkheid/-heden (3)
· · narigheid (2)
· · nood
moeskiaai (ww). glimlachen
moeskiel (bn). moeilijk (3)
· · onmogelijk (2)
moet (zn). urine
moetaabiek (vz). volgens
moete (ww). plassen (2)
· · urineren
moeṯṯha (zn). greep (2)
· · handvol
· · vuist (2)
moeṯṯie-bhar (zn). handjevol
mohaanie (zn). begin (2)
· · bocht (2)
mohaaṟ (zn). deuropening
· · ingang (2)
mohanbhog (zn). offerspijs
mohar (zn). goudstuk
mol kare (ww). betalen (2)
molbie/molwie (zn). priester (3)
mombattie (zn). waskaars
mor (zn). pauw
more (ww). zomen
morsoe (bn, bw). smerig (2)
· · vies (3)
· · vuil (6)
morsoe/mail kare (ww). bevuilen
· · bezoedelen
moṯa (bn). gezet
· · mollig
· · zwaarlijvig
moṯa dal ke rowa (zn). bont
moṯa õetja dewaal se gheral djagaha (zn). burcht
· · vesting
moṯa(-dhoesoend) (bn). corpulent
· · dik
moṯargaaṟie (zn). motorrijtuig
moṯa-taadja (bn). dik (2)
moṯ(a)-taadj(a) (bn). weldoorvoed
motj (zn). knevel
· · snor(haar)
mõtj (zn). voelspriet
moṯka (zn). dikzak
moṯkie (zn). dikzak (2)
Copyright © 2002