N - n

na (bw). niet (1)
· (tw). nee (1)
na aṯe hai (bn, bw). krap (2)
na attjha (bn). vervelend (2)
· (bn, bw). min
na attjha lage (ww). afkeuren (1)
· (zn). hekel
na attjha/satj/ṯhiek (bn). onjuist
na attjha/ṯhiek (bn). mis
· (bn, bw). onaangenaam
na bahoet (bn). karig
· (bn, bw). krap
· · matig
na bataawe (ww). verzwijgen
na bharosaadaar (bn). onbetrouwbaar
na bieswaas kare (ww). wantrouwen
na ḏheṟ (bn, bw). zeldzaam
na ḏheṟ daafe (bw). zelden (3)
na ḏheṟ dien (bn, bw). recent
· (bw). spoedig (2)
· (ww). dra (2)
na djaai (ww). verzuimen
na doebe (ww). drijven
na ekdam se/ poera (taur se) (bn, bw). inkompleet (2)
na kar paawe (bn). incapabel
na kare (ww). nalaten
· · onthouden (4)
· · verzuimen (2)
na khelwaar se (bn, bw). ernstig (2)
· · serieus
· (bw). plichtsgetrouw
na laaik (bn). ongeschikt
· · onwaardig
na paawe (ww). derven
na pakkal (bn). onrijp (2)
na poera (taur se) (bn). incompleet
na safa (se) (bn, bw). onzuiver
na satj (bn, bw). onwaar (2)
na satj/sattja (bn, bw). oneerlijk (2)
na ṯhiek (bn, bw). gebrekkig
· · verkeerd (2)
na ṯhiek (se) (bn, bw). incorrect
na ṯhiek se dekh paawe (bn). bijziend
na ṯhiek se djaane (ww). betwijfelen
na ṯhiek se kare (ww). falen (2)
na ṯhiek se soen paawe (bn). hardhorend
na tjale (ww). stilstaan (5)
na tjamkal/tjatak (bn). dof (2)
naadjoek (bn). breekbaar
· · kwetsbaar
· · teer
· · tenger (2)
naafa (zn). baat (5)
· · nut (2)
· · voordeel (2)
· · winst
naak (zn). neus
naak badje (ww). snurken
naak se (bw). nasaal
naalies (zn). aanklacht (2)
naam (zn). handtekening
naam dhare/rakhe (ww). noemen (3)
naam kare ke biaah (zn). schijnhuwelijk (2)
naam liekhe (ww). intekenen
· · invullen
· · ondertekenen
· · registreren
· · tekenen (2)
naam liekhwaawe (ww). inschrijven
· · opgeven (2)
naam rahe (ww). heten
naam(ie) (zn). naam
naana (zn). grootvader (2)
· · opa (3)
· · oudoom (3)
naanie (zn). grootmoeder (3)
· · oma (3)
· · oudtante (3)
naape (ww). afmeten
· · meten
· · opmeten
· · uitmeten
naarie (zn). vrouw (3)
naas kare (ww). uitroeien
· · verdelgen
Naasaaret ke Aadmie (zn). Nazarener
naata (zn). deelgenoot
· · genoot
· · kleinzoon
naaṯa (bn). kort (2)
naaṯak (zn). komedie
· · toneel(stuk)
naaṯak khele (ww). acteren
naaṯak khele waala (zn). acteur
· · toneelspeler
naata(-riesta) (zn). verwantschap
naatien (zn). kleindochter
naatie-pota (zn). kleinkinderen
nãatj (zn). dans
nãatje (ww). dansen
naaw (zn). uitnodiger
naawa (bn). nieuw
naawa saal (zn). nieuwjaar
nabbe (telw). negentig
nabie (zn). profeet
nadaawe (ww). inspannen
nadie (zn). rivier
nadjar (zn). 'boze oog'
nadjarbandie (zn). goochelaar
nafa/napha-noeksaan (zn). voor- en nadeel
nafarat (bw, zn). walging (2)
· (zn). tegenzin (2)
nag (zn). paarl
· · parel
nagietj (bw). vlakbij (2)
· (bw, vz). nabij
· (vz, bw). dichtbij
· · naderbij
nagietj aawe/djaai (ww). benaderen
· · genaken
· · naderen
nagphanie (zn). cactussoort
nagtjaai (vz, bw). naderbij (2)
nagtjaai djaai (ww). naderen (2)
nahaai (ww). baden
nahaai-dhowe (ww). opfrissen
nahakaare (ww). loochenen
nahakaare/nahiekaare (ww). afkeuren (2)
· · afwijzen
· · verloochenen
· · weigeren
nahîe (bw). niet (2)
· (tw). nee (2)
nahîe to (vgw). anders
· · opdat niet
naihare (zn). ouderlijk huis
Nail (zn). Nijl
nakhoen (zn). nagel
nakkie-nakka (bn, bw). uitvoerig
naklie (bn). namaak
· · onecht
· (bn, bw). vals
naklie bhagwaan (zn). afgod (2)
naksa (zn). vorm
naksaan howe (ww). bederven (2)
naksaan kare (ww). verkwisten
· · vermorsen (3)
· · verspelen
· · verspillen (3)
naksaanie (zn). verkwisting
naktjaai/naktjaite (ww). naken
nalie (zn). polsslag
namaadj (zn). gebed (2)
na-mard (bn). impotent
· · laf
namaste (Hindoe groet) (1)
namaste kare (ww). begroeten (2)
· · groeten (3)
nambar (zn). getal
· · nummer
namoena (bn). prachtig (2)
· (zn). praal
namoena kapṟa (zn). pronkgewaad
nanad (zn). schoonzuster (4)
nandoi (zn). zwager (5)
nange (bn, bw). bloot
· · naakt (2)
naraadj (bn). ontstemd
· · verbolgen (2)
· (bn, bw). gepikeerd (2)
· · verstoord (2)
· (bw). boos (3)
· · toornig (3)
naraadj howe (ww). kwalijk nemen
· · vertoornen (2)
naraadjie (zn). boosheid (2)
· · toorn (2)
· · woede (2)
narai (zn). biezen
· · kreukel
· · riet
· · stengel (2)
narak (zn). hel
narak ke aagie (zn). hellevuur
naram (bn). mals
· · week
· (bn, bw). soepel (2)
· · zacht (2)
narangie (zn). (soort mandarijn)
nardas (zn). nardus
nardjar (zn). kwade oog
narjar (zn). blik (4)
· · kokos
· · kokosnoot
narjar ke peṟ (zn). kokosboom
· · palm
nas (zn). ader
· · bloedvat
nas ke bamaarie (zn). vaatziekte
nasa (zn). dronkenschap
nasaai (bn). bezopen
· · dronken
· · zat
· (bn, bw). beschonken
nasaai howe (ww). bedrinken
na-samadjh (bn). onverstandig
naserie (zn). dronkaard (2)
nasserie (bn). dronken (2)
natiedja (zn). mishandeling
natiedja kare (ww). mishandelen
natja (zn). beeldspraak
· · metafoor
· · voorbeeld (2)
nãtjania (zn). danseres
natnie (zn). kleindochter (2)
nau (telw). negen
naudjawaan (zn). jongeman
naudjawaan log (zn). jeugd
nauka/nauwa (zn). de nieuwe
naukar(a) (zn). dienstknecht
· · knecht (4)
· · personeel (2)
naukaraanie (zn). dienstmeisje (3)
naukarien (zn). dienstmeisje (2)
· · personeel (3)
nauraasie (zn). naamgenoot
nau-raatan (zn). negendaags feest
nausiekhia (zn). nieuweling
nauta (zn). feest
· · festijn
· · fuif
· · invitatie
· · partij (3)
· · uitnodiging
nauta dewe (ww). nodigen
· · uitnodigen (2)
nautaria (zn). feesteling
· · feestganger
nauwaasie (telw). negenentachtig
nawambar (zn). november
nem (zn). gebruik
· · gewoonte (2)
· · norm
· · regel (2)
· · traditie
nemnaar (zn). limonade
nenoewa (zn). gladde zeefkomkommer
ner (bn, bw). gelijk (2)
· (bw). zoals (3)
· (vgw). als (7)
ner lage (ww). gelijken
nesaanie (zn). voorbeeld (3)
netjhoer (zn). huwelijksceremonie
niaadar (zn). oneer (2)
niaadar kare (ww). minachten
niaai kare (ww). berechten (2)
· · oordelen (3)
· · rechtspreken (3)
niaai/niaaw (zn). gerechtigheid
· · rechtspraak
niebhaawe (ww). slijten (2)
niedharak (bn, bw). niedharak
nieḏhaṟak (bn, bw). onbevreesd (2)
niedrak (bn). nederig
niedrak/niend (bn). vast (2)
niehaare (ww). afwijzen (2)
· · minachten (2)
· · verachten
· · weigeren (2)
niehoere (ww). bukken
niekaare (ww). ontnemen (2)
· · uitkrabben
· · uitpikken
niekaare/niekaase (ww). uitbannen
· · uitdrijven
· · uithalen
· · uitnemen
· · uitscheppen
· · uittrekken
· · uitwerpen (3)
· · verwijderen (2)
· · wegnemen (3)
niekaasie (zn). mazelen (2)
niekamba/niekamma (bn). nietswaardig (3)
· · nutteloos (3)
· · ongeschikt (2)
niekambba/niekamma (bn). onnuttig (3)
niekar djaai (ww). verdwijnen (2)
niekare/niekase (ww). eruit komen
· · tevoorschijn komen
· · uitkomen
· · uitsteken
niekarwaawe/niekaswaawe (ww). uitzetten (4)
niekaske bhaage (ww). uitbreken (2)
niekmakharaamie (zn). ondankbaarheid
niekole (ww). pluizen
nielmanie (zn). lazuursteen
niemak (zn). zout
niemakharaam (bn). nietswaardig (4)
· (zn). ondankbare
niemantran (zn). uitnodiging (2)
Nienafe (zn). Ninave
niend (zn). slaap
niendara (zn). geroddel
· · laster (2)
· · roddel
niendara kare (ww). bekladden
· · kwaadspreken
· · lasteren (2)
· · roddelen
niennaanbe (telw). negenennegentig
niepata howe (ww). verdwijnen (3)
niepore (ww). opensperren
nieraawe (ww). wieden
niessanie (zn). beeldspraak (2)
· · metafoor (2)
nietjaai karke (bw). neerbuigend (2)
niettja (bn). nederig (2)
· · nietig
· · onbetekenend
· (bn, bw). gering
· · laag
niettjaai kare (ww). minachten (3)
· · neerzien
· · verachten (2)
· · vernederen
niettjaai se (bw). onderdanig
niettje (bn). onaanzienlijk
· · onderdanig (3)
· (bw). neer
· · omlaag
· (vz). beneden
· · onder
niettje aawe (ww). neerkomen
niettje aawe/djaai (ww). afzakken
· · dalen
· · zakken
(niettje) dhare (ww). neerleggen
· · neerzetten
niettje djaai (ww). bezinken
· · hellen
niettje djagaha (zn). dal
· · laagte (2)
· · laagvlakte (2)
niettje waala (tjiedj) (zn). bezinksel
niettje/toetj maane (ww). minachten (4)
niewaasie (zn). burger
· · inwoner (2)
niewedan kare (ww). smeken (7)
nokh (zn). punt
nokhie (zn). angel
nõtje (ww). uitrukken
· · uittrekken (2)
Copyright © 2002