P - p

paag (zn). glazuur
· · suikerstroop
paagal khaana (zn). krankzinnigen inrichting
paagal/pagala (bn, zn). gek
paak (bn). rein
paaka (zn). blaar
paakh (zn). maanhelft
paakiet (zn). pakket
paal (zn). zeil (2)
paalagie (Hindoe groet) (2)
paalan posan (zn). opvoeding
paal-djahaadj (zn). zeilschip
paale(-pose) (ww). grootbrengen
· · opvoeden
paan dabal/sês/sîes (zn). stuiver
paan sau (telw). vijfhonderd
paan sîes (zn). duit
paanie (zn). plas
· · water
paanie garmaawe (ww). opzetten
paanie gieraawe (ww). begieten
· · besproeien
paanie ke dhaara (zn). waterbron
paanie mê khele (ww). plassen
paanie niekaare/niekaase (ww). uithozen
paap (zn). ongerechtigheid (2)
paap kare (ww). zondigen
paapa (zn). pap
paapie (zn). zondaar
paap(-poen) (zn). zonde
paar kare (ww). oversteken (3)
paaṟhie(l) (zn). pagaai
· · roeispaan
paarie (zn). beurt
paarie-paara (bw). beurtelings
paas (bw). langs (2)
· · voorbij (2)
paas howe (ww). overslaan (2)
· · passeren (2)
· · voorbijgaan (3)
Paasan ke tiewhaar (zn). Pasen
paas-paros (vz). in de buurt (3)
paatar (bn). dun (2)
· · iel
· · mager (2)
· · smal
· · tenger (3)
(paatar ke) hol (zn). kier
paaṯh (zn). les (2)
pãatj (telw). vijf
paatjhe (az). achteruit
· (bw). achteraf (2)
· · achterna (2)
· (vz). achter
· · achteraan
· · achterover
paatjhe aawe (ww). nakomen
paatjhe bole (ww). nazeggen
paatjhe ghoeswaawe (ww). terugdrijven
paatjhe kait (zn). achterkant
paatjhe ke aina (zn). achterruit
paatjhe ke kamaaṟie (zn). achterdeur
paatjhe ke tjieraag (zn). achterlicht
paatjhe pakaṟe (ww). nalopen
paatjhe tjale (ww). achterlopen
· · volgen
paatjhe tjhoṟ dewe (ww). achterlaten
paatjhe waala (zn). achterste
pãatjphoetta (zn). meetstok
pãaw (zn). brood (2)
pãawa (zn). neut
· · paal (3)
· · pilaar (2)
· · voetstuk
· · zuil
paawe (ww). krijgen (2)
· · kunnen (2)
· · ontvangen (2)
· · opdoen (2)
· · verwerven
· · vinden (2)
padjaawal (bn). geslepen
padjaawe (ww). scherpen
· · slijpen
padjarie (zn). rib
pagala (bn). bezopen (3)
· · dol
· · krankzinnig
· · mal
· · raar
· (bn, bw). dwaas (2)
· · onwijs (2)
· (zn). gekheid
· · zot (2)
pagala baat (zn). kolder
· · larie
· · mallepraat
· · onzin (4)
pagala-hos (zn). gekkenhuis
· · krankzinnigen inrichting (2)
pahaaṟ (zn). berg
· · gebergte
pahaaṟ ke hol (zn). grot
· · spelonk
pahaaṟ ke soeroe (zn). voet (2)
pahaara dewe (ww). wacht houden
· · waken
pahalwaan (zn). krachtpatser (2)
paheredaar (zn). portier
paheredaarien (zn). portierster
pahieja (zn). wiel
pahiela baat (zn). inleiding
· · voorbericht
· · voorwoord
pahiela djabaana (bw). eertijds
pahiela djabaana mê (bw). voorheen
pahiela waala (bn). eerste (3)
pahiela (waala) (zn). oudste
pahiele (bw). tevoren
· · voordien
· · voorheen (2)
pahiele djabaana (zn). oudheid
pahiele (djabaana) (bw). aanvankelijk
· · eerst (2)
· · indertijd (2)
· · vroeger (2)
· · weleer
· (vz, bw). eerder (2)
pahielka (bn). eerste (4)
pahienaawe/pahieraawe (ww). aankleden
· · kleden
pahiene (ww). aantrekken
· · dragen (4)
· · kleden (2)
pahietjaane (ww). herkennen
pahoena (zn). bezoek
· · gast
· · visite
pahõetjaawe (ww). afzetten (4)
· · brengen (4)
· · terechthelpen
· · wegbrengen (2)
pahõetje (ww). aankomen
· · arriveren
· · belanden
paida howe (ww). geboren worden (2)
paida kare (ww). baren
· · bevallen (2)
paidaais (zn). geboorte (2)
paidaais se (bw). aangeboren
paidar (bn). lopend (2)
· · te voet (2)
paidar djaai (ww). lopen (2)
paidare (ww). tevoet gaan (2)
paidjaama (zn). broek (2)
· · pantalon
paija (zn). kaf (2)
paije (bn). dor
pailgaaṟie (zn). rijwiel
paira (zn). stro
paisa (zn). geld
· · kapitaal
· · middel (3)
paisa bhare ke dien (zn). betaaldag
paisa bharwaawe waala (zn). tollenaar
paisa bharwaawe/lewe (ww). incasseren
paisa kaurie (zn). kleingeld
paisa ke thailie (zn). buidel
(paisa ke) thailie (zn). geldzak
paîsaṯh (telw). vijfenzestig
paîtaalies (telw). vijfenveertig
paîties (telw). vijfendertig
pakaṟ lewe (ww). beetpakken (2)
· · pakken
· · vastpakken
pakaraai (ww). snappen (2)
pakaṟaai (ww). gepakt worden
pakaṟal (vdw). gevangen (2)
pakaṟal djaai (ww). gepakt worden (2)
pakaṟe (ww). aangrijpen
· · aanpakken (5)
· · arresteren (2)
· · beetpakken
· · grijpen
· · opdoen (3)
· · oppakken (3)
· · pakken (2)
· · snappen (3)
· · vangen
· · vastgrijpen
· · vasthouden
· · vastpakken (2)
pakhana (zn). wiek (2)
pakhana se (bn). gevederd
pakhana/pankh (zn). dons
· · veer
· · vleugel (2)
pakhoera (zn). schouder (2)
pakkaawe (ww). gaar maken
· · klaarmaken (5)
· · koken (4)
pakkal (bn). gaar
· · gekookt
· · rijp
pakkal djaai (ww). rijpen
(pakkat paanie ke) dhoewa (zn). stoom (2)
pakke (ww). garen
· · koken (5)
· · rijpen (2)
· · zweren (2)
pakpakaai (ww). kakelen
· · kwebbelen
paksaala (zn). keuken (2)
pal (zn). oogwenk
palak (zn). oogleden
palanga (zn). plank
paletie (zn). bord
· · schotel (2)
palla (zn). poort
paltan (zn). peleton
palwaar (zn). gezin (3)
palwaar ke naam (zn). achternaam
panaara (zn). dakgoot
panḏiet (zn). priester (4)
pandja (zn). klauw
panḏohie (zn). pottenbakker
pandra (telw). vijftien
pandra mieliet (zn). kwartier
panha (bn). wijd
· (zn). breedte
pankh (zn). wiek (3)
pankha (zn). waaier (2)
pann (idiofoon). (klap!)
panna (zn). bladzij
· · pagina
· · vel
panti (zn). pand (2)
pantjaamriet (zn). offerdrank
pantjakkie (zn). watermolen
papaija (zn). papaja
par (vz). op
· · tegenaan
· · tegenop
par se (vz). vanaf
par tjale (ww). naleven
paraanie (zn). echtelieden
parak djaai (ww). wennen (3)
param Pardhaan (zn). Allerhoogste (2)
param-des (zn). paradijs
par-baap log (zn). overgrootouders
· · voorouders (3)
parband (zn). voorzorg
parbhaaw (zn). levensstijl
parda (zn). gordijn
· · vlies
par-des (zn). buitenland
pardesie (zn). buitenlander
· · vreemdeling
pare (ww). moeten
paṟhaawe (ww). onderwijzen
paṟhal (bn). geletterd
· · geschoold
· · gestudeerd
paṟhal manai (zn). intelectueel
paṟhal(-liekhal) (bn). belezen
· · geleerd
· · knap
· · ontwikkeld
parhar (bn). drooggekookt
paṟhe (ww). leren
· · lezen
· · nalezen
· · oplezen
· · studeren
parie (zn). engel (2)
parie ke djhoend (zn). engelenschaar
pariettjha (zn). examen
pariettjha dewe/kare (ww). in kennis stellen
parkiertie (zn). natuur
par-maai log (zn). overgrootouders (2)
· · voorouders (5)
parmaan (zn). bewijs
Parmeswar (zn). God (3)
Parmeswar ke mahal (zn). tempel (2)
Parmeswar ke poestak (zn). bijbel
Parmeswar ke poestak ke bhadjan (zn). psalm
(Parmeswar ke) sanesia (zn). profeet (2)
Parmeswar khaatien rahe ke djagaha (zn). tabernakel
Parmeswar oke batjaais hai (ww). sparen (2)
parnaam kare (ww). groeten (4)
parnaasie (zn). plantage
par-naatien (zn). achterkleinzoon
par-natnie (zn). achterkleindochter
parose (ww). bedienen
· · dienen (3)
parosie (zn). buurman
parosien (zn). buurvrouw
parparaai (ww). mopperen (4)
par-pota (zn). achterkleinzoon (2)
par-potien (zn). achterkleindochter (2)
parsand (bn). genegen
· (bn, bw). aangenaam (3)
· · goed (3)
· · welgevallig
· (zn). genoegen (2)
parsand howe (ww). voldoen (4)
parsand kare (ww). behagen
parsiena (zn). sinaasappel
parsõ (bw). eergisteren (3)
· · overmorgen (4)
partie (bn, bw). woest (2)
partja (bw). periodiek
partjaar (zn). oratie (2)
· · preek (2)
· · redevoering (2)
· · sermoen
· · toespraak
partjaar kare (ww). preken
partjaarak (zn). predikant
· · prediker
· · propagandist
partjhaawe (ww). gooien (2)
pasaare (ww). ophangen
· · uitspreiden (2)
pasie lagaawe (ww). ophangen (2)
· · verhangen
pasiena (zn). zweet
pasienaai (ww). uitzweten
· · zweten
pasiena-pasiena (bn). bezweet
pasnaan (bn). bezweet (2)
pasoe (zn). kleinvee
pastaai (ww). berouwen
· · spijten (2)
· · wroegen
pata (zn). bericht (3)
· · boodschap
· · gerucht
· · mare (2)
· · tijding
pata lage (ww). bekend worden
pata miele (ww). vernemen (2)
pataai (ww). minderen (3)
paṯaai (ww). afnemen (5)
· · eindigen (3)
· · luwen (2)
· · ophouden (3)
· · tanen (3)
· · verminderen (3)
patanie (zn). echtgenote (5)
pataraai (ww). vermageren (2)
pata(-thekaana) (zn). adres
pate (ww). boteren
· · minderen (4)
· · stillen
· · verminderen (4)
paṯe (ww). tanen (3)
paṯhaawal waala (zn). afgevaardigde
· · apostel
· · gezant
· · gezondene (2)
· · zendeling
paṯhaawe (ww). afvaardigen
· · afzenden
· · opsturen
· · overzenden
· · sturen
· · toezenden
· · uitsturen
· · uitzenden
· · versturen
· · verzenden
· · wegsturen
· · zenden
pathare (ww). achterop raken
· · achterraken
patharie (zn). maag (2)
pathaurie (zn). maag (3)
patie (zn). echtgenoot (5)
patie-patanie (zn). echtgenoten (2)
patjaanbe (telw). vijfennegentig
patjaas (telw). vijftig
patjaasie (telw). vijfentachtig
patjaawan saktie (zn). spijsvertering
patjaawe (ww). bekomen (2)
· · spijsverteren
· · verteren
patjhaawe (ww). vervolgen
patjhare (ww). achterblijven (2)
· · achterlopen (2)
patjharie (zn). maag
patjhattar (telw). vijfenzeventig
patjhe (ww). achterlopen (3)
· · begroeten (3)
patjhiem (zn). west
patjhoraawe (ww). laten wannen
patjhore (ww). wannen (2)
patjhwa (vz). achter (2)
patjhwaawe (ww). achtervolgen
patjies (telw). vijfentwintig
patjpan (telw). vijfenvijftig
patj-patj (bn). drassig
patka-patkie (zn). gevecht (3)
paṯke (ww). doen vallen
· · smijten
paṯloṯ (zn). potlood
paṯmonie (zn). beurs
· · portemonnee
patoh (zn). schoondochter
patra (bn). smal (2)
patta (zn). blad
patthar (bn). versteend
· (zn). gesteente (2)
· · kei
· · steen (2)
patthar diel se (bn). hardvochtig
patthar diel se rahe (ww). verharden (4)
pattie (zn). blaadje
· · blad (2)
paṯṯie (zn). verband
· · zweetdoek
paun (zn). pond
pãure (ww). zwemmen
pãure ke baadjie (zn). zwemwedstrijd
pausaal (zn). toga
pawietr (bn). heilig
pawietr aadmie/waala (zn). heilige
Pawietr Aatma (zn). Heilige Geest
pawietr djagaha (zn). tabernakel (2)
pen (zn). balpoint (2)
· · hok (2)
· · pen (2)
peng (zn). zwaai
Penkstar ke tiewhaar (zn). Pinksteren
peṟ (zn). boom
· · geboomte
· · struik (2)
pere (ww). malen (2)
· · vermalen
perodj (zn). beryl
pes kare (ww). aanbieden
peṯ (zn). buik
peṯ bhar (bn). verzadigd
peṯ bhar djaai (ww). verzadigen
peṯ-djharie (zn). diarree
peṯie (zn). put (3)
peṯ-potjwa (zn). laatstgeborene
pêws (zn). biest (2)
phãak (zn). hooivork
· · mestvork
phaaral doedh (zn). wrongel
phaare (ww). inscheuren (2)
· · scheuren (2)
phaaṯ djaai (ww). barsten
phaaṯak (zn). hek
phaaṯe (ww). inscheuren (3)
· · scheuren (3)
phabe (ww). passen
phaile (ww). besmetten
· · uitbreken (3)
· · verbreiden
· · verspreiden (2)
phaitj (zn). splinter
phal (zn). goed (10)
phalang (zn). lente
phal(-phalahrie) (zn). fruit
· · vrucht
phal(-phalarie) (zn). ooft
phapharie (zn). korst
phare (ww). vrucht zetten
pharia (bn, bw). duidelijk
pharke (ww). trillen
pharpharaai (ww). fladderen
· · klapperen
phas (bn). vast (3)
· (bw). beklemd
· · bekneld
· · klem
phas djaai (ww). vastlopen
· · vastzitten
· (zn). knel
phasaawe (ww). vastlopen (2)
· · vastzitten (2)
phasar djaai (ww). verspreiden (3)
phat (zn). stuk (2)
phaṯ (bn). kapot (2)
phaṯaaphaṯ (bw). kordaat
phate (ww). schiften
phaṯe (ww). inscheuren
· · kapot gaan (2)
· · scheuren
phatienga (zn). sprinkhaan (2)
phaṯkaare (ww). fladderen (2)
phaudj (zn). leger (2)
phaudjie (zn). militair
phêke (ww). gooien (4)
· · kwakken (2)
· · uitwerpen (2)
· · weggooien (3)
· · werpen (2)
phen (zn). schuim (4)
phephara (zn). longen
phête (ww). klutsen
phetjkoer (zn). speeksel
· · spuug
phiekier kare (ww). peinzen (2)
phiekka (bn). lauw
phien se (bw). herhaaldelijk (2)
· (voorvoegsel). her-
phien (se) (bw). alweer
phien se bole (ww). herhalen (3)
phien se ek howe (ww). herenigen
· · verzoenen
phoedoekkie (zn). dreumes
· · kleuter
· · peuter
· · uk
phõek dhaare (ww). verbranden (2)
phoekaraain (bn). ranzig
· (bw). muf (2)
phõeke (ww). blazen
phõeknie (zn). blaaspijp
phoel (zn). bloem
phoel komelaai gail raha (ww). verflensen
phoelaai (ww). bloeien
phoelaawe (ww). opblazen
· · soppen
· · weken
· · wellen
phoelal (bn). gezwollen
· · opgeblazen
phoelawa (bn). opgeblazen (2)
phoele (ww). opzetten (4)
· · opzwellen (2)
· · rijzen (3)
· · uitzetten (2)
· · wellen (2)
· · zwellen
phoel-sõeghnie (zn). kolibri
phoelwaarie (zn). tuin (3)
phoeppha (zn). oom (5)
phoert (bn). bezig
· · druk (2)
phoertie (bn, bw). gezwind (4)
· (bw). aanstonds (4)
· · dadelijk (5)
· · direkt (4)
· · meteen (4)
· · onmiddellijk (4)
· · snel (6)
· · terstond (3)
phoeslaawe (ww). flemen
· · flikflooien (2)
· · sussen
· · vermurwen
· · vleien
phoesoer-phoesoer (zn). gefluister
phoesphoesaawe (ww). fluisteren (2)
phoeṯ(al) (bn). kapot (3)
· (bn, bw). defect
· · gebroken
· · stuk
phoete (ww). knappen (4)
phoeṯe (ww). breken (2)
· · kapot gaan (3)
phoeṯgar paisa (zn). pasmunt
phoeṯkar paisa (zn). kleingeld (2)
· · wisselgeld
phoewa (zn). tante (8)
phoṟ dhaare (ww). breken (7)
phoṟ phoṟ bataawe (ww). uitleggen
phoṟ phoṟke (bn, bw). uitvoerig (2)
· (bw). nauwgezet
phoṟaai (ww). breken (6)
phoṟan (bn). gesnipperd
phoṟan kaaṯe (ww). snipperen
phoṟe (ww). breken
· · broeden
phor-phorke (bn, bw). secuur (2)
phoṟ-phoṟke (bn). gedetailleerd
phraakieṯ (zn). fecaliën (2)
piaas (zn). dorst
piaasal (bn). dorstig
piaawe (ww). drenken
pieb (zn). etter
· · pus
piedjaṟa (zn). kooi (2)
piejaatj (zn). ui
piejaawe (ww). ingeven
piejar (bn). bleek
· · geel
piejartjhau (bn). geelachtig
· · gelig
· · oranje (2)
pieje (ww). drinken
· · innemen (2)
· · opdrinken
piena (zn). drank
pienda (zn). pinda
piera (bw). zeer (5)
· (zn). barensweeën
· · pijn
· · weeën
piera dewe (ww). bezeren (4)
· · pijn doen (5)
· · pijnigen (2)
pieraai (ww). pijn doen (2)
pieṟahie (zn). generatie (2)
· · geslacht (2)
pieṟha (zn). voetbank
pierwaawe (ww). pijn doen (6)
· · pijnigen (3)
piesaab (zn). plas (2)
· · urine (2)
piesaab kare (ww). plassen (3)
· · urineren (2)
piesaan (zn). bakmeel
· · bloem (2)
· · meel
piese (ww). malen (3)
piesto (zn). terpentijnnoot
piet (zn). gal
piet pietke rowe (ww). weeklagen (2)
pieta (zn). vader (2)
pietal/pietar (zn). brons
· · koper (2)
piete (ww). dorsen (2)
· · slaan (2)
· · uitkloppen
· · zwepen
pieṯhie (zn). rug
pieṯhie ke gotro (zn). ruggegraat
pietjha kare (ww). achtervolgen (2)
· · volgen (2)
pietjha pakaṟe (ww). navolgen
pietjhaare (ww). achterlaten (2)
· · overwinnen (2)
pietjhe (vz). achter (3)
pietjhe pare (ww). achterraken (2)
pietmanie (zn). topaas
pietna (zn). stok (3)
piet-pietke rowe (ww). uitjammeren
pietr diewas (zn). vaderdag
piewkie (zn). liefje
pina (zn). speld
· · veiligheidsspeld
pjaar (zn). liefde (2)
· · minne
pjaar kare (ww). beminnen
· · liefkozen (2)
pjaar se (bw). beminnelijk
· · lieflijk
pjaara (bn). bemind
· · dierbaar
· · toegenegen
· (bn, bw, zn). lief
pjaar/prem kare (ww). houden van
· · liefhebben
· · minnen
pjaar/prem se (bn, bw, zn). lief (2)
plaata (bn). dun (3)
· · plat
plansoe (zn). kruid
· · plant
poedja (zn). aanbidding
· · offer (4)
poedja kare (ww). aanbidden
poedje (ww). aanbidden (2)
poeiri (zn). poeder
poekaar (zn). geroep
poekaare (ww). noemen (2)
· · roepen (2)
poekhraadj (zn). chrysoliet
poel (zn). brug (2)
poen (bn, bw). goed (5)
· (zn). goedheid
poen miele (zn). goedheid
poenaain/poeraain (bn). ranzig (2)
· (bw). muf (3)
poenai/poengie (zn). top (2)
poera howe (ww). in vervulling gaan
· · uitkomen (2)
poera howe/kare (ww). verwerkelijken
poera kare (ww). inlossen
· · nakomen (2)
· · vervullen
· · voldoen (2)
· · waarmaken
poera taur se (bn). geheel (4)
· (bn, bw). helemaal (3)
· · totaal (2)
· · volledig (3)
· (bw). volslagen (3)
poeraan (ww). oud (7)
poeraan howe (ww). verouderen (2)
poeraan kapṟa (zn). vod
poerab (zn). oost
poerbie (zn). toilet
· · w.c.
poeria (zn). zak (4)
poerkha (zn). voorouders (4)
poestak (zn). boek (2)
poestakaalai (zn). bibliotheek
põetjhe (ww). vragen (2)
poetpoerie (zn). slaap (2)
poetrie (zn). pupil
poi (zn). spinazie
pompoe (zn). pomp
pongṟa (zn). knieholte
poort (zn). hek (2)
popkie (zn). pop
posan paalan kare (ww). grootbrengen (2)
· · opvoeden (2)
pose (ww). fokken
· · grootbrengen (3)
· · kweken (2)
· · opfokken
· · opkweken
· · opvoeden (3)
posterie (zn). pommesitere
pota (zn). kleinzoon (2)
potien (zn). kleindochter (3)
põtjhe (ww). afdrogen (2)
· · afvegen
· · afwissen
· · vegen (3)
põtjh(ie) (zn). staart
potnahar (zn). baarmoeder
praan (zn). leven (5)
· · levensgeest
· · ziel (2)
praatna (zn). bede (2)
· · gebed (3)
praatna kare (ww). bidden (2)
Prabhoe ke bhodjan (zn). Avondmaal
prabhoe/Prabhoe (zn). heer/Heer (2)
prasi (zn). erf (3)
prem (zn). liefde (3)
· · minne (2)
prem se (bn, bw). hartelijk (3)
premie (zn). hartelijkheid
· · vriend (3)
· · vriendelijkheid
premieka (zn). vriendin
proberi kare (ww). proberen (2)
· · testen (2)
· · trachten (2)
proberie kare (ww). beproeven
Copyright © 2002