I - i
i
Zie trefwoord: yu.
vnw.
2de persoon enkelvoud voornaamwoord (je, jij, u); ook bezittelijk.
ibri
bw.
elk(e).
Ibri bon san no e gi bun froktu, den o kapu trowe.
Elke boom die geen goede vruchten geeft, zullen ze omhakken.
Zie:
ala.
ibriwan
znw.
elkeen, ieder afzonderlijk.
Mi poti den pikin sidon dan mi aksi ibriwan fu den suma du en.
Ik heb de kinderen laten zitten en heb elkeen van hen gevraagd wie het gedaan heeft.
ifrow
1)
znw.
juffrouw.
Gebruik: aanspreekvorm.
2)
znw.
onderwijzeres.
Gebruik: variant van skoro-ifrow.
Spelling variation: ifraw
in'
Zie trefwoord: ini.
voorz.
in.
ingi
1)
znw.
Indiaan.
Un abi difrenti sortu ingi dya na Sranan.
Er zijn verschillende soorten Indianen in Suriname.
2)
bnw.
Indiaans.
3)
znw.
geestsoort.
A frow abi wan ingi na en tapu.
De vrouw heeft een Indiaanse geest.
Zie:
winti2.
ingibakba
znw.
indiaanse bakove, de vruchten hebben een roodbruin schil.
Musa soorten/species (Musaceae).
Het heeft een speciaal betekenis binnen de winti godsdienst.
Zie:
bakba.
ingibangi
znw.
1)
bruine rattenslang.
Chironius fuscus (Colubridae).
2)
maanslang.
Oxyrhopus trigeminus (Colubridae).
3)
slangsoort.
Pseudoboa soorten/species (Colubridae).
Ook bekend als srikasneki.
inginoto
znw.
paranoot.
Bertholletia excelsa (Lecythidaceae).
Ook bekend als paranoto.
Zie:
noto.
ingisneki
znw.
slanke boomboa.
Corallus enydris (Boidae).
Ook bekend als takrutitei.
ini
1)
voorz.
in.
A bedi de na ini a kamra.
Het bed is in de (slaap)kamer.
Var.:
in'.
2)
bw.
binnen.
Yu no e kon na ini?
Kom je niet binnen?
ant:
doro1.
inibere
znw.
ingewanden, machine onderdelen.
Opo a masyin fu un kan luku en inibere.
Maak de motor open zodat we de onderdelen kunnen bekijken.
inibere tori
znw.
geheim binnen een bepaalde familie of groep, privé zaak.
Mi mama ferteri mi wan inibere tori fu mi granpapa.
Mijn moeder vertelde me een geheim van mijn opa.
Mi no e taki mi inibere tori na wroko.
Ik praat niet over mijn privé zaken op werk.
Zie:
dip'bere tori.
ini-oso sani
znw.
huishoudelijke artikelen.
Gebruik: het kan betekenen meubels, keukengerei, enz.
iniwan
bnw.
welk(e).
Yu kan teki iniwan fu den.
Je mag nemen welke je wilt.
ipi
1)
znw.
hoop, stapel.
Gi mi tu ipi tomati.
Geef me twee hoopjes tomaten.
Var.:
hipi.
2)
ww.
ophopen, opstapelen.
Ipi a doti moro.
Stapel het vuil beter op een hoop.
syn:
hei1.
3)
bw.
veel.
Mi abi ipi krosi fu wasi.
Ik heb veel kleren om te wassen.
syn:
furu.
isri
1)
znw.
ijzer, staal.
Isri tranga, ma toku watra kan frustu en.
Ijzer is sterk, en toch kan water het laten roesten.
2)
bnw.
ijzer(en), van metaal behalve aluminium.
Teki a isri kan gi a pikin. A o broko a grasi wan.
Geef het kind een metalen kan. Anders kan ze het glas breken.
3)
znw.
strijkijzer.
Teki a isri gi mi, meki mi triki mi bruku.
Haal dat strijkijzer voor me zodat ik mijn broek kan strijken.
isrifowru
znw.
vliegtuig.
Gebruik: Meestal wordt vliegtuig gebruikt. Verouderd.
syn:
opolangi.
iti
ww.
gooien, werpen, smijten.
A boi iti wan ston tapu a dak.
De jongen gooide een steen op het dak.
ant:
fanga.
Zie:
fringi.
iti ... trowe
ww.
weggooien.
Iti den patata buba trowe tapu a doti-ipi.
Gooi de aardappelschillen op de vuilnishoop.
iya
1)
vnw.
ja.
Di a aksi mi efu mi bo kon, mi taki: Iya.
Toen hij me vroeg of ik zou komen, zei ik: ja.
syn:
ai1.
Var.:
ya.
2)
vw.
ja (als inleiding van een zin).
Iya, a man taki disi, a taki dati, ma a no sabi noti.
Ja, hij praat over ditjes en datjes maar hij weet niets.
Zie:
we.
Copyright © 2003